Story of my life


Nu mijn pensioen op 24 augustus 2020 onherroepelijk is geworden wordt het hoog tijd om eens achterom te kijken en al die verhalen van bijzondere, opvallende, verbazingwekkende, komische, angstige, verschrikkelijke, onprettige, leuke, zeldzame en vooral niet te vergeten gebeurtenissen en belevenissen, die ik in de afgelopen jaren overal en nergens en bij diverse werkgevers heb mogen meemaken, op te schrijven. De paar trieste stukjes heb ik beperkt gehouden maar wilde er in het algemeen toch een paar beschreven hebben. Uiteraard is e.e.a. afgewisseld met meer luchtiger zaken. Belangrijkste is wel: alles is waar gebeurd! Alles ! Het is geen roman geworden.

Disclaimer: wellicht is het eerste gedeelte, van geboorte t/m de bezochte scholen het minst interessant voor de lezer en denk je, potverdrie, moet ik mij nu echt hier doorheen worstelen? Maar ik verzeker je, daarna wisselen de de serieuzere en ook vaak meer grappige anekdotes zich in rap tempo af. Echt waar.

Sinds juli was ik weer op parttime basis begonnen en dat beviel steeds beter. En zo vlak voor mijn officiële pensioendatum was ik voor mijn gevoel nagenoeg volledig hersteld, mede te danken aan mijn laatste werkgever, Arriva, die mij alle rust en tijd gunde en steunde waar ik dat nodig had. Met deze blog ben ik nog wel even bezig en zal ik ook telkens aanvullingen doen, maar nu ik hersteld ben, plaats ik hem zoals hij nu is (in A4-tjes zo’n 180 pagina’s) vandaag, 3 september 2020, online. Mochten er (taal)fouten in staan, laat het mij weten. Ik streef naar perfectie op dat gebied. 🙂

Daar gaan we:


Na enkele bijbaantjes, zoals je op deze plek zult gaan lezen, begon ik als 19-jarige, toen ik op maandag 1 oktober 1973 op het treinstation van Apeldoorn arriveerde, aan mijn serieus werkzame leven. Dat kwam omdat ik op die dag begon aan de 1-jarige interne opleiding tot Rijkspolitieman in het voormalig klooster aan de Arnhemseweg 348. Ik ging dus een jaar in de kost bij de overheid. Mijn vrije leven en eigenlijk ook mijn jeugd eindigde die dag.

Opleidingsschool Korps Rijkspolitie
Opleidingsschool Korps Rijkspolitie Apeldoorn

Maar daar ging dus wel 19 jaar jeugd aan vooraf, voornamelijk in Den Haag, waar ik opgroeide tot mijn 17e en dat vanaf dat moment verder ging in Zoetermeer.

In den beginne:

Geboren op 24 april 1954 en de eerste 6 maanden van mijn leven gewoond hebbende in de Maststraat 38 in Scheveningen, groeide ik dus grotendeels op in de Tinaarlostraat in de Haagse wijk Morgenstond. Een ras-Hagenaar, dus. Of eigenlijk een Hagenees (want: geboren EN getogen in den Haag).

Maststraat 38 Scheveningen






Tesamen met de wijken Bouwlust en Moerwijk, waar Morgenstond tussen verrezen was, werden de 3- en 4-kamerflatwoningen van 4 verdiepingen beginjaren 50 als zelfrijzende betonblokken in snel tempo neergezet. Er heerste woningnood.  

Tinaarlostraat 123, Den Haag

Ogenschijnlijk allemaal door dezelfde stedebouwkundige Willem Dudok ontworpen, die ook verantwoordelijk was voor de ontwerpen van het Raadhuis in Hilversum, als ook de meeste wijken, scholen en gemeentelijke gebouwen in die stad. Dudok werd ook bekend van zijn ontwerp van de Bijenkorf in Rotterdam en het monument op de Afsluitdijk.

Mijn leven begon dus al met het wonen in een door een bekende architect ontworpen woning. Zou dat perspectieven bieden ?

Dus vanaf dat ik 6 maanden oud was tot aan mijn 17e jaar bracht ik met mijn 2 oudere en 2 jaar later mijn 2 jaar jonger broertje door in die Haagse wijk. Meestentijds woonden we dus met 6 personen in een 4-kamer flatje.

Eerste ziekenhuisbezoek

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image-41.png

Ik ging naar de kleuterschool in de Raaltestraat, maar mijn broertje Paul ook toen ik er alweer van af was en op de Lagere School zat. Ik kende de weg naar die kleuterschool dus.
Toen ik op een dag (als 6-jarige) mijn 4-jarig broertje Paul op de step naar kleuterschool ging brengen (met nauwelijks verkeer op o.a. de Leyweg scheen dat in die tijd vrij normaal te zijn geweest) werd ik, vlak voor Pasen op de terugweg op het zebrapad (ik weet het: officieel voetgangersoversteekplaats, oftwel een V.O.P.) op de hoek van de Leyweg en Gramsbergenlaan van achteren overreden door een personenauto. Bestuurder reed door en ik werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar een schedelbreuk van 12 cm werd geconstateerd. Met rust is het geheeld en heb daar in mijn verdere leven (denk ik) nooit last van gehad. Dader is nooit bekend geworden. Ik vraag mij nu, 60 jaar na dato, nog steeds af of die bestuurder ooit wroeging gekregen heeft, wetende dat hij in 1960 een 6-jarig jochie op zijn step had overreden en wat er van dat jochie geworden is. Ik hoop het van harte, als hij nog leeft.

In de Tinaarlostraat, waar ik dus ook woonde, ging ik van 1960-1966 naar de Katholieke Lagere (jongens) School, de Kardinaal de Jongschool. Op een paar uitzonderingen na, waren het veelal fraters waar ik les van kreeg. Enkele namen die ik mij nog herinner:
Pacianus (1e), Juffrouw Smagge (in de 2e), Edwino, Landoald, Lucidius, Xaveer, Raymundo en ook de aardige heer Lapré (4e klas), waar ik ooit een cadeautje ben gaan brengen toen hij vader werd. Hij woonde 3-hoog op de Melis Stokelaan.

Maar als fanatiek voetballertje (toen) was ik maar wat blij, dat vanwege ruimte tekort in het gebouw waar ik 5 jaar gezeten had, onze 6e klas in dat laatste jaar naar een andere school in de buurt ging, aan de Oosterhesselenstraat, een dependance. Het voordeel daarvan was, dat we in iedere pauze mochten voetballen op het schoolplein en de frater die we hadden, Landoald, was ook gek op voetballen. Hij liet dan ook iedere maandagochtend, voordat de les begon, eerst 2 klasgenoten (bij toerbeurt) 2 partijen kiezen en die speelden de hele week samen. De namen en teams werden op de achterkant van het schoolbord geschreven en bleef daar de hele week staan.

Via Schoolbanken.nl of mijn lidmaatschap in een Facebook-groep over mijn wijk, heb ik begrepen dat het hoofd van de school, frater Edwino, later is uitgetreden en ging samenwonen met de eveneens uitgetreden hoofdzuster van de St. Cecilia meisjesschool, geaffilieerd met de jongensschool.

Veel fraters hadden wel hun handjes los zitten. O.a. tikken op de vingers met lineaal of trekken aan de oren waren de gebruikelijke aanrandingen, waar ikzelf weliswaar geen last van had, maar daar moest Pa toch af en toe, vanwege zulk gedrag bij een andere broer, wel eens tegen optreden op school en de frater i.c. ter verantwoording roepen.

Beterschap werd dan beloofd, maar die belofte hield nooit gestand, dus bezoekjes van papa aan school werden regelmatig herhaald.
Ik bracht verder een redelijk onbezorgde periode door op die school, waar in de pauzes de toen gebruikelijke spelletjes gespeeld werden, zoals tikkertje, verstoppertje (buut vrij!) tollen, knikkeren, maar ook een soort kaartspel met sigarettenmerken.

Dat kaartspel ging als volgt:

Als kind speelde je met een pakje kaartjes die uitgeknipt waren uit stevig kartonnen sigarettendoosjes. Het doosje werd doormidden geknipt zo had je twee kaarten . Je vriendjes deden hetzelfde. Soms kon je de verzameling uitbreiden door er mee te kaarten. Nadat de kaartjes waren geschud, legde je een kaart op de straat. Om en om moesten we dan een kaart bovenop een kaart leggen en zo werd het al snel een stapel. Degene die eenzelfde plaatje legde als bovenop de stapel lag, mocht de hele stapel hebben. De plaatjes waren van verschillende merken, zoals Caballero, PallMall, Player, Triumf, Chief-Whip, Golden Fiction en Miss Blanche. Tijdens het kaarten ontstond vaak ruzie onderling want niet iedereen kon zijn verlies accepteren, maar dat gebeurde bij ieder spel. Ook bij het tollen, knikkeren, tikkertje en andere pleinspelletjes.

Het waren wel de jaren, waar wij ook op zaterdagmorgen nog naar school moesten. En zelfs op de middelbare school, (we spreken over 1966) de Handelsdagschool aan de Waldeck Pyrmontkade, gingen wij in het begin op zaterdagmorgen naar school. Dat werd halverwege dat jaar afgeschaft: toen was je iedere zaterdag gewoon vrij.

Na schooltijd werd er regelmatig gerolschaatst, cowboytje gespeeld, tentenkampen gebouwd maar meestal werd het toch voetballen. Voetballen deden we of in de gemeenschappelijke tuin tussen Tinaarlostraat en Wapserveenstraat of op het veldje van het schoolplein van de Christelijke lagere school, vooraan in de Tinaarlostraat. Uiteraard liepen we ook wel met pvc-blaaspijpen en plukten we de witte (klap)besjes, die we daar, evenals de van papier gedraaide pijlen, als munitie voor gebruikten. En een lol dat we hadden als het lukte om besjes op de 4e etage door een open raam naar binnen te schieten.

Op woensdagmiddag verzorgde frater Raymundo een filmmiddag in een zaaltje onder de school, die je kon betreden via de achterzijde in de Genemuidenstraat. Dat was een klein zaaltje waar je voor een dubbeltje naar een zwart-wit speelfilm van Wilhelm Tell kon kijken. Dat waren films als deze: (https://www.youtube.com/watch?v=yrOWNzar13U).
Prachtig vond ik dat. Na de film speelde je dat op straat na met je zelfgemaakte kruisboog. Of wat daar voor doorging. Uiteraard kon dat niet iedere week. Te duur. Op andere momenten deden wij, wat anderen in onze leeftijdsgroep ook deden. Veel balspellen, b.v. stoeprandje of een soort softbal.

Door een klasgenootje werd ik op de Lagere School in de 6e klas aan het roken gebracht. Ik werd natuurlijk makkelijk overgehaald. Ik was 12 en het stond stoer. En het was gratis. En van ongezondheid was nog geen sprake. Integendeel, mijn beide ouders rookten sinds de oorlog (dankzij de Canadezen, die sigaretten uitdeelden bij de bevrijding) en bij verjaardagen stond de rookwaar op tafel.

Maar zijn gescheiden, alleenstaande moeder verhuurde hun kelderbox aan de Loevesteinlaan aan een vertegenwoordiger van sigaretten. In die kelder lagen bergen met proefpakjes sigaretten, die toendertijd gewoon op straat werden uitgedeeld. Regelmatig kwam mijn klasgenoot met zulke pakjes van 4 sigaretten op school en deelde hij die vriendelijk uit. Hij genoot daar volgens mij wel aanzien door, maar mijn God, wat ben ik van die eerste sigaretten misselijk geweest. Maar ik was een doorzetter, kocht ook soms van mijn zakgeld voor 75 cent een pakje Runner menthol…. en heb dus gerookt tot mijn 60e. Daarna over op de e-sigaret, nagenoeg zonder nicotine en al helemaal geen andere schadelijke stoffen meer.

Rond die tijd verzamelde iedereen van alles en nog wat: ikzelf had een hele verzameling aangelegd van lucifermerken, maar wat ook behoorlijk verzameld werd waren sigarenbandjes, speldjes, sleutelhangers als ook de Shell munten.
Shell kwam regelmatig met acties, zoals hieronder afgebeeld en inspelend op de actualiteit. Dit voorbeeld betrof b.v. een verzameling munten, die je kon sparen na tankbeurten bij de Shell en ging over de ruimtevaart (of ruimterace, daar de maanlanding er uiteraard ook tussenzat).

1969, ik schaatsend in de Genemuidenstraat

Tijdens de echte winters die wij toen hadden (maar ook echt niet ieder jaar, hoor) genoten wij van het ijs en sneeuw, zoals ieder kind dat in die tijd deed. We bouwden iglo’s met behulp van een emmertje sneeuw en we schaatsten veel op de houten Friese doorlopers, of, als je geluk had, op je hockeyschaatsen over de omliggende vijvertjes en sloten. Natuurlijk werd daar zo nu en dan een nat pak gehaald als je schotsen ging lopen. Maar met zo’n 5 sleeën achter elkaar en door Pa op zijn bromfiets op het schoolplein te worden voortgetrokken, was toch wel een hoogtepuntje.











De winter van 1963 begon al in december 1962. Het was een barre winter met 5 koude golven, aldus “Andere tijden” die er een leuke reportage over heeft. (Klik daarvoor HIER).
Dat klopte wel. Het was berekoud, dus flink dik aangekleed (o.a. oude kranten onder je jas tegen de kou) gingen we op de fiets naar ons favoriete strand (in de zomer, dan) aan de Savornin Lohmanlaan en aanschouwden we daar het fantastische en unieke schouwspel. Want dat was het. De eerste 300 meter vanaf het strand was dik bevroren en we konden er overheen lopen. Met velen. Daarna nooit meer gezien. Dus de opwarming van de aarde begon al na de winter van ’63 :-).

Winter 1963. Bevroren Noordzee. (Personen op de foto zijn mij onbekend, evenals de maker)

Om die strenge winters overigens gezond door te komen, stond ik, met mijn 3 broers, naast elkaar iedere avond op een rijtje in huis om een lepel levertraan te moeten slikken. Vader stopte de lepel in je mond, moeder gaf meteen een (katjes)dropje om de verschrikkelijk vieze smaak van de levertraan kwijt te raken.

Waar was die levertraan eigenlijk goed voor?

Levertraan is een dierlijke olie, gewonnen uit de lever van kabeljauw en schelvis en andere vissen uit de familie van de kabeljauwen (Gadidae). Het is een vette olie en het bevat jodium, fosfor, vitamine A en D en is tevens één van de producten met het hoogste gehalte aan omega 3 vetzuren. Normaal maakt een mens voldoende vitamine D aan in de huid onder invloed van zonlicht. In het donkere deel van het jaar, zeg maar de periode dat de R in de maand zit, is er minder zonlicht. Vroeger moesten vooral kinderen dat bezuren. Het tekort aan vitamine D, wat het gevolg was van te weinig licht, leidde niet zelden tot de beruchte Engelse ziekte, rachitis. Vitamine D is nodig voor botvorming, voor het verharden van het beenderstelsel. Als Engelse ziekte optrad, vervormden met name de botten van de benen, omdat ze te week gebleven waren. Zo ontstonden de beruchte O-benen. Na de oorlog werd het toevoegen van vitamine A en D aan margarine verplicht. Door deze maatregel verdween de Engelse ziekte uit onze samenleving. Levertraan bevatte ook stoffen, die weerstandverhogend actief waren. Tegenwoordig schenken we daar geen aandacht meer aan, want sinds de ontdekking van de antibiotica, tijdens de Tweede Wereldoorlog, hebben veel infectieziekten, die vroeger door middel van een goed werkend weerstandsvermogen overwonnen moesten worden, hun bedreiging verloren.

Ongeluk broer

Een van de dieptepunten uit het verleden en met name deze, waar ik toch wel met enige wroeging en zonder trots op terugkijk is het fietsongeluk, toen ik 8 jaar oud was en Paul 6.

Ik zat bij oudste broer Ed (12 jaar op dat moment) op de stang van zijn fiets. Mijn 2 jaar jongere broer Paul zat achterop de bagagedrager en zoals wel vaker reden we rondjes over het schoolplein. Alles ging goed, totdat op enig moment per ongeluk één van mijn voeten tussen de spaken van het voorwiel kwam en wij daardoor over de kop sloegen. Met wat schaafwonden en een pijnlijke voet, kwamen Ed en ik er verder redelijk af, maar bij Paul bleek het ernstiger. Vooralsnog zag het er naar uit, dat door de val zijn arm gebroken was, maar foto’s in het ziekenhuis wezen uit, dat zijn elleboog verbrijzeld was. In eerste instantie moest hij een tijd in het gips, maar alras bleek hij zijn arm niet meer naar behoren recht te krijgen.

Alhoewel ik hem er in al die jaren nauwelijks over gehoord heb, heeft hij er tot op de dag van vandaag nog last van. Zijn arm heeft hij nooit meer voluit kunnen strekken, ondanks op zijn 10e een aantal maanden revalideren in het Zeehospitium, schitterend gelegen in de duinen van Kijkduin en vele oefeningen met het hijsen van zandzakken thuis, waar Pa een katrol aan de muur in de achterkamer had bevestigd.

In totaal zijn er in Kijkduin drie zeehospitiums (ook wel zeehospitia) gebouwd (geweest). Historie: Klik HIER

Koningin Juliana verrichte op 8 mei 1957 de officiële opening in Kijkduin. Hiervan is ook een korte film te zien op Haagsefilmbank.nl.

In 1995 eindigde ook het Derde Zeehospitium met een definitieve sloop, als gevolg van de afkaveling van de duinen, waardoor het inmiddels al leegstaande bouwwerk op het strand dreigde te storten.

Zeehospitium Kijkduin

Gedurende zijn verblijf in het zeehospitium mocht ik wel iedere woensdagmiddag in de Elandstraat in Den Haag, vlakbij mijn school, een zakje Nibbit van een kwartje kopen en kreeg hij van mijn moeder een plastic speelgoedauto uit een grote serie. Volgens mij had hij ze uiteindelijk allemaal.

Iedere zaterdagochtend haalde mijn vader hem dan met zijn Sparta bromfiets op en iedere zondagavond bracht hij hem dan na het eten weer terug naar Kijkduin. Ook op de brommer. Dat waren 5 maanden lang rotavonden, weet ik nog.

Met HTM lijn 24 reden wij dan van de Leyweg naar Kijkduin en bezocht ik hem met moeder iedere woensdagmiddag op Kijkduin. Dat vond ik dan wel weer schitterend, want buiten het schoolzwemmen op de Lagere School kwam ik niet vaak in een bus.

Met buslijn 24 naar Kijkduin
Naar het zwembad aan de Regentesselaan met de DAF (automaat)

Hoogtepunten op school was het school-zwemmen: in het kleine zwembad aan de Escamplaan, waar je in het warme badwater werd klaargestoomd voor het 1e diploma op je 9e en een jaar later in het grote zwembad aan de Regentesselaan voor het 2e diploma. Met HTM-bussen (zoals hierboven de DAF) werd de klas dan telkens heen en terug vervoerd. Was altijd feest.

Busbrief 111
Westlandsche Stoomweg Maatschappij (WSM) van Den Haag naar Rotterdam

Soms gingen wij op de zondag wel naar beide opa’s en oma’s in Rotterdam, waar we met de WSM-bus (Westlandsche Stoomweg Maatschappij, zie afb. hierboven) dan naar toe gingen. Rit van 5 kwartier vanaf de Melis Stokelaan in Den Haag, via Wateringen, Delft, Overschie, Blijdorp naar Rotterdam CS. Maar dat tekort aan busritjes werd vanaf mijn 61e ruimschoots ingehaald. Maar daarover later meer.

Opa (A.C.) Snijders, geboren in 1900 en naar wie ik vernoemd was, was een vakman, een maatkleermaker en naar wat ik dus begreep: een hele goede. Hij mocht regelmatig een (toen) BN-er tot zijn klanten rekenen. Het vak was hem geleerd door zijn vader en overgrootvader, maar in de familie hield dat op bij de mijne. Die had zijn boekhouddiploma’s gehaald en werd boekhouder op kantoor bij de Caltex, waar hij het dus bijna 40 jaar volgehouden heeft. Was niet echt een job-hopper.

Naambordje
Harddraverstraat 5 in Rotterdam

Pyamabroek onder Opa’s kriebelbroek en dan op weg naar Rotterdam

Hoewel gepensioneerd had mijn opa nog wel allerlei kleermakers attributen in huis, zoals de grote tafel, strijkijzers en nog heel veel stoffen. Soms maakte hij nog wel eens een broek voor ons, jonge kinderen, maar die vond ik vreselijk om te dragen. Het kriebelde altijd enorm en soms, als ik zo’n broek echt, echt, echt aan moest (b.v. omdat we naar die Opa gingen) deed ik er zelfs een pyamabroek onder om dat gekriebel maar niet te voelen.


Verder hingen er passpiegels in de voorkamer, waar we ook vaak mee speelden.

Foto (plm 1959) in Opa en Oma Snijders’ tuin van de Harddraverstraat met alle kinderen van mijn
vader’s broer Aad (rechts), diens vrouw Miep (links) en alle broers en neven en nichten van beide families.

Ze hadden een klein tuintje, waar voornamelijk grote kiezelstenen lagen en waar we nooit zoveel kwamen. Ook herinner ik mij het waterzuiveringssysteem, dat beneden in het keukentje stond en waar de grootouders, net als zoveel Rotterdammers in die tijd, zelf het Maaswater zuiverden, voordat het gedronken werd. Ondanks de zuivering, smaakte dat water nooit lekker, weet ik nog.

Ik kan mij niet herinneren, dat we ooit met z’n zessen met de bus naar Rotterdam gingen, maar wel met z’n vieren, dus met jongere broer Paul. Vanzelfsprekend hadden wij nooit zoveel zin om de hele middag bij Opa en Oma Snijders in de Harddraverstraat 5 binnen te zitten en kochten wij in het begin een perronkaartje voor het Centraal Station. Via de achterzijde van het station, wat om de hoek bij opa en oma was, gingen wij dan het station in. Treinen kijken was dan onze zondagmiddag besteding.
Als we naar de andere Opa en Oma gingen, die aan de Noorderhavenkade woonden, was het te ver om even naar het Centraal Station te lopen en moesten we ons daar in de buurt maar bezighouden. Soms gingen we dan maar naar het Vroesenpark.

Later gingen alleen mijn moeder en Paul met de bus en ging ik bij mijn vader achterop de Sparta bromfiets. Vond ik ook leuk, maar het was natuurlijk een stuk goedkoper.

Opmaak 1

50 jaar metro in Rotterdam (RET). Een terugblik

In de vakanties, wanneer we dan niet voetbalden, zwierf ik met boezemvrienden
als Peter, Richard, Nico en Wim (wiens vader een kroeg had op de hoek van de Leyweg en de Hengelolaan) over die Leyweg. Ik herinner mij, dat er op de hoek van de Leyweg en de Fluitenbergstraat, nabij de kerk, een kapperszaak was gevestigd, waar de kelder (voor ons in ieder geval) toegankelijk was. Volgens mij was dat het pand, waar voorheen de supermarkt van de Gruyter (snoepje van de week) in was gevestigd.

Op oude, in de kelder opgeslagen kappersstoelen zaten wij bij elkaar en rookten
wij daar ons shaggie, met name als het slecht weer was. Het was daar lekker
verwarmd. En we werden met rust gelaten, maar dat kwam vermoedelijk ook, omdat
we niemand lastig vielen, niets vernielden en zelfs de troep opruimden, die we
veroorzaakt hadden.

Soms gingen we als groep in die vakanties, als je je eens verveelde, met de bus naar het centrum. Je plakte dan je strippenkaart voor de bus af met een strookje plakband, deed deze in de bus op de juiste strip in de automaat en bij aankomst, b.v. bij het biljartpaleis aan de Veerkade waar we wel eens gingen biljarten of pingpongen, veegde| je de stempel van je plakband om dezelfde strip op je kaart voor de terugrit opnieuw te laten stempelen. Mmm… wel schandalig eigenlijk, nu ik er over denk… 🙂

Het leukste waren in die tijd de thuiswedstrijden van ADO (nog steeds fan, maar minder fanatiek). Jeugdkaartje kostte Fl. 1,- maar het was leuker om voor niks het Zuiderpark-stadion binnen te komen, zodat je die piek in het stadion nog kon gebruiken voor een broodje of patatje.
Maar gratis naar binnen deden we altijd vanuit het Zuiderpark, waar we dan een boomstam of plank over een sloot gooiden aan de achterzijde van de tribune aan de Lange Zijde. 

Deze tribune werd later vernoemd naar de bekendste en veel te vroeg (1991) overleden ADO-voetballer “Aadje” (Aad) Mansvelt”, ooit mijn achterbuurman, waar ik regelmatig mee in de gemeenschappelijke tuin een balletje heb getrapt, samen met mijn kornuiten. Hij woonde in de Wapserveenstraat en had gedurende een jaar of twee een sigarenwinkel aan de Soestdijksekade, meen ik.

Maar vanwege het veren van de plank en/of de breedte van die sloot in het Zuiderpark, kwam je dan wel vaak met doorweekte schoenen het stadion binnen, maar ach, dat hadden we voor dat gratis binnenkomen wel over. 

In de buurt waar ik woonde heerste  een vriendschappelijke sfeer, met name bij de bewoners van zowel mijn straat, als de bewoners in de Wapserveenstraat, op wiens balkons wij uitkeken vanaf de onze. De sfeer werd ook gemaakt door de kinderen, die onderling veel en vriendschappelijk in die gezamenlijke tuin speelden. Hele ingenieuze communicatiesystemen werden er toen al ontwikkeld, b.v. door dubbele lijnen naar elkaars balkons te spannen, zowel naar die boven en onder jouw balkon als aan de overzijde van de gemeenschappelijke tuin. Toch zo’n 60 meter verder. Met wasknijpers (de houten !) hingen wij berichten op karton aan de lijnen en trokken deze dan naar het “station”, waar het bericht moest aankomen. In feite de voorloper van Whatsapp. Hadden wij dus al rond 1962. En het werkte super! Zonder provider, dus ook nog gratis.

Zo werden er ook regelmatig tentenkampen gebouwd met zelf meegebrachte kleden, lakens en dekens. In en voor die tenten bakten wij ook wel patat in een pannetje op een spiritus-brander en verkochten porties voor een dubbeltje aan de buurtkinderen. Af en toe best een beetje rauw natuurlijk. De aardappels haalden we bij de groenteboer op de Leyweg.

Maar er werden door de tuincommissie Tinaarlostraat / Wapserveenstraat,voor de jonge jeugd veel tuin- en buurtfeesten georganiseerd. Bij die jaarlijkse tuinfeesten waren vaak prijzen te winnen voor diegenen, die het meest origineel voor de dag kwamen. Ik weet dat vooral mijn moeder altijd uitblonk in creativiteit en originaliteit en waar zij de kracht of handigheid miste, konden haar plannen dan vaak door vader in elkaar worden geknutseld.  Resultaat was dat wij er regelmatig met de hoofdprijs vandoor gingen. Ik meen dat die prijs dan een taart was, maar dat deed er niet toe. De eer van de buurt, daar ging het om.

Wij hadden dat er wel voor over om daar de hele dag als pompbediendes rond te lopen. De van een kinderstoel gemaakte benzinepomp maakte het plaatje af (geassisteerd door Pa, die toen werkzaam was op het hoofdkantoor van Caltex in Den Haag en altijd kon beschikken over reclame materiaal.)

Overigens, ook als Alkmaarse kaasdragers en lid van een gekleurd veem met een heuse zelfgemaakte kaasbaar, ook wel een berrie genaamd, oogsten wij als 4 opgroeiende broertjes toen succes.

Scoutingperiode

Doordat mijn ouders vroeger ook in de jeugdbeweging hebben gezeten, kwamen ook wij al snel in aanraking met de padvinderij. Vanaf mijn 7e bij de Welpen van de St. Jorisgroep in Den Haag en vanaf mijn 11e of 12e bij de verkenners van diezelfde groep. Het clubhuis bevond zich in een aparte ruimte onder de flats in de Vledderstraat.

Welpen van het witte nest

 

Ik, (links) bij de verkenners braderie

Ik heb daar echt een enorm leuke tijd meegemaakt en vooral bij de (oudere) verkenners ook veel geleerd.

Bij de welpen kon je 1 of 2 sterren (voor op je pet naast de wolvenkop) halen. Daar waren natuurlijk voorwaarden aan verbonden. Spannend en trots als je kon laten zien, wat je kon.

Voor een indruk: eisen voor de 1e ster waren b.v.:

1. 1e en 6e couplet van het Wilhelmus 11. Lenigheidsoefeningen
2. Het kompas kennen 12. Een voorwerp maken
3. Kopje duikelen 13. Klokkijken
4. Haasje over springen 14. Lichamelijke verzorging
5. Touwtje springen 15. Schaafwondje behandelen
6. Een 8 hinkelen 16. Netheid
7. Met boeken lopen 17. Elektriciteit
8. Platte knoop kennen 18. Plant of dier bestuderen
9. Schootsteek kennen 19. Een zaadje laten ontkiemen
10. Balgooien en vangen 20. Verkeersregels

Ook het seinen met vlaggen leerden we. Ik zou het nu niet meer kunnen, maar in die tijd ging dat prima, alhoewel het natuurlijk nooit gebruikt werd. Maar het was een grappige bezigheid.

Meest indrukwekkend waren natuurlijk de zomerkampen op Brabantse boerderijen (bij de Welpen) in plaatsjes als Herpen, Diesen en Oirschot (uit mijn herinnering). Met de bus gingen we daarheen, wat al een belevenis op zich was. Al helemaal als onderweg :
“Ik heb een potje met vet, al op de tafel gezet” werd ingezet (graag gedaan ;-))

Wat ik iedere keer weer niet leuk vond, was dat je kort na aankomst je juten strozak altijd zelf met hooi moest vullen in de hooiberg.
Maar als dat eenmaal gedaan was en je kon je bedje opmaken in de varkens- of koeienstal, ging het wel weer. Na wat korte geruststellende gesprekjes met de Akela of Bagheera was ik telkens wel weer snel van mijn heimwee af, waar ik altijd even last van had. Mijn eerste kamp met de welpen was in juli 1961. Een bloedhete zomer. Ik had een paar weken daarvoor net mijn 1e diploma gehaald in het zwembad aan de Escamplaan, dus ik vond het schitterend dat we vaak in het ven in de buurt gingen zwemmen. Ik vond alleen dat groene water zo vreemd, herinner ik mij. Thuis kon ik gewoon normaal onder water kijken en alles zien. Maar ja, 7-8 jarige jongen uit de stad, hè en nog nooit een ven in het echt gezien.

Bij de verkenners voelde je je al snel een wat grotere jongen. Men liet je wat vrijer en spelenderwijs werd je eigenlijk voorbereid op de grote mensenwereld, werd je zelfstandig- heid bijgebracht maar tegelijkertijd werd je geleerd knopen te leggen, met boomstammen bouwwerken te maken, te pionieren, te koken en te bakken. Regelmatig vertrokken we met de meute per fiets voor een kampeerweekend naar het Staelduinse Bos in ’s Gravenzande, bij Hoek van Holland. Vanuit Den Haag passeerden we dan Wateringen (met een voor ons als stadse jongens altijd heel bijzonder een echt ooievaarsnest waar we langskwamen), Kwintsheul op weg naar ‘s Gravenzande. Vandaar via de Heenweg (straatnaam) de Maasdijk oversteken en aan de andere kant naar beneden, richting “Staelduin”. Na ong. een uurtje fietsen kwamen we bij het bos aan. Tenten werden voor de nacht opgezet en door de leiding (o.a. Hopman Ernst Wijze en vaandrig Karel Schumacher) werden allerlei spannende avonturen georganiseerd. Vooral in een donker bos was dat altijd pure pret. Vooral ook vanwege de toen nog niet dichtgemetselde bunkers uit WWII, waar we op en in konden. Nu is alles beschermd en afgezet met hekken. En ’s nachts natuurlijk in oude legertenten met een mannetje of 8 per tent overnachten. Maar voordat het zover was deden we ons natuurlijk goed aan de in Hoek van Holland gekochte appelsap en zakjes gefruite uitjes. Ja, echt !

Bij mijn laatste bezoekje, in 2020 kon ik ook de waterpomp niet meer vinden, waar we vroeger ons water vandaan haalden.  Water oppompen met de handpomp, midden in het bos en zelf koken op een primus, een spiritus (“stierenpis”) brander.

‘s Zomers ging je op kamp. Niet meer met de bus, maar fietste je met de hele groep (althans, degenen die daartoe in staat geacht werden en die een fiets hadden) voor het jaarlijkse zomerkamp ergens naar een bos in Brabant.  ’s Morgens om 6 uur vertrekken vanuit Den Haag en dan tussen 2 en 3 uur ’s middags dodelijk vermoeid aankomen op de bestemming ergens in de buurt van Terheyden, Huybergen of Moergestel. Met uiteraard veel zadelpijn en onderweg af en toe duwtjes van de leiders en/of bemoedigende motiverende “preekjes”. Opdat je het met je 12 of 13 jaar maar volhield.

Maar de herinneringen aan de Maastunnel per fiets, met z’n supersteile roltrappen, wegrestaurant van Kekem langs de rijksweg 16 in Dordrecht en de oude Moerdijkbrug (halverwege de brug de “grens” Zuid-Holland / Brabant over: die kunnen je nooit meer ontnomen worden (wauw, zo bijzonder !) en staan voor eeuwig gegrift in het geheugen. Onvergetelijke dagen waren dat, waar ik met erg veel plezier op terugkijk. Net zoals op de zomerkampen, waar ons o.a.  werd geleerd een kip te slachten (kop afhakken) en die te plukken in warm water en daarna te bereiden. Niet dat ik daar nou zo vrolijk van werd, maar ik deed het wel en was er zelfs nog trots op ook, weet ik. Dat zou ik nu dus niet meer doen, maar ik vermoed dat zulks je zoiets niet meer geleerd wordt bij de verkennerij. Hooguit bij de mariniers of commando’s.

In het bos, waar het kamp dan voornamelijk plaatsvond, was het opzetten van de 8-persoonstent (volwassenen) voor de 10 verkenners de zwaarste klus. Daarna moest iedere patrouille (we hadden er 4) het kamp inrichten en iedere avond “fourage” ophalen bij de fouragetent (broer Paul weet nog: fourageurder oftewel voeraansleurder) en zelf je eten bereiden bij je eigen patrouille. En je weektaak, die de PL (patrouille-leider) had uitgeschreven werd op een boom geprikt. Maar ook het gezamenlijk bouwen van een hudo, een wc in het bos, was iets wat je als stadskind nooit gezien had. Onvergetelijke ervaringen. Maar er waren meer dingen in de natuur, waar je als stadskind niet zo snel mee te maken kreeg, zoals vogels, vissen, jacht en andere zaken, maar dat kwam allemaal bij mij aan bod tijdens mijn studie op de politieschool, waar over later meer.

Hudo: een flink gat in de grond, daarover heen een paar piketpalen, vastgesjord met een paalsteek of mastworp, waarop je kon plaatsnemen voor een grote boodschap.
Wanneer je geweest was, gooide je wat aarde over je product heen, zodat de lucht zich niet over het kamp verspreidde.

De Hudo werd rondom afgezet met juten doeken, zodat je ook nog eens vrij zat.

Die Hudo was wel een dingetje, maar we bouwden eigenlijk veel meer. Vanwege het feit dat je steeds meer en betere stevige knopen kon maken, bouwden we op die kampen ook wel uitkijktorens in de bomen. Boomhutten dus, van balken, piketpalen en sisaltouw. Het touw maakte je na de knoop nat, waardoor de knoop nog strakker strakker kwam te zitten en het bouwwerk nog veiliger werd.
We zaten daar dan met een paar wel regelmatig. En graag. Een beetje weg van de leiding, natuurlijk. En met een leuk uitzicht.

In de tuin achter het thuishonk van de verkennerij in Den Haag, onder de flats in de Vledderstraat deden we ook wel veel bal- en andere spelen. Ik weet nog, dat we tijdens de kerstvakanties ook gewoon bij de verkenners kwamen en we die bewuste zaterdagmiddag in die tuin achter het jeugdhonk speelden. De zak van mijn nylon jack was gevuld met paardenscheten. Zo noemden we de kleine rotjes, die je als ritsen kon kopen. Uiteraard haalde je alle rotjes van het lont om zoveel mogelijk plezier te hebben van de rotjes, anders kon je ze zo lastig in een hondendrol stoppen en aansteken.

Maar plezier was er altijd. Ook die middag: bij de andere verkenners dan, want toen vriend Rob Lunenburg eveneens een stukje vuurwerk omhoog gooide en deze ongezien doch zonder opzet in mijn jaszak viel, ontplofte de hele boel en rende ik als een letterlijk ongeleid projectiel rondjes door die tuin, knallend en rokend en wel. Resultaat: een uitgebrande en gesmolten jaszak. Uiteraard hebben we er achteraf nog smakelijk om gelachen. Moeder was natuurlijk minder blij, maar Rob’s moeder voelde zich schuldig en heeft de jas, voor zover ik mij kan herinneren, zo goed en zo kwaad als het ging, gerepareerd.

Mijn 2 oudere broers waren toen best ondernemend. Tijdens een weekje school-vakantie gingen wij gedrieën een paar dagen naar, wat wij kortgezegd noemden: “Staelduin”. Het Staelduinse bos was een bos tussen Hoek van Holland en ’s Gravenzande, waar nog veel stille getuigen uit de 2e Wereldoorlog aanwezig waren, waaronder veel bunkers die toen nog open waren en waar je in en op kon klauteren. Ik mocht (als 12-jarige) ook met mijn 2 oudere broers mee. Ze hadden een legertent bij zich, zo eentje, waarbij de zijkanten aan de onderkanten open konden (een zgn. vliegende tent), waar wij met z’n drieën in zouden overnachten. Zover ik mijn broers kende bereidden zij een avondmaaltijd voor op de primus, een spiritusbrander. We bleken niet de enige kampeerders: een scoutinggroep uit Rotterdam verbleef daar ook en we werden uitgenodigd mee te doen met hun avondspel. Machtig was dat. Twee partijen, die elkaars vlag moesten zien te veroveren in het donkere bos. Her en der waren leiders verdekt opgesteld en als je getroffen werd door een lichtstraal uit hun zaklantaarn was je de klos en mocht je niet meer meedoen.

Geniaal vond ik mijzelf door in de nabijheid van zo’n leider met zaklamp een steen te gooien, compleet aan de andere kant dan waar wij zaten, waardoor de aandacht afgeleid werd, omdat daar gekraak te horen was. Peter en ik konden op die manier ongezien bovenop een bunker komen en zagen wij waar de vlag van de tegenpartij op de grond stond. Peter sprong in het donker naar beneden, maar sprong bovenop de vlag. Dat deed wel zeer, maar hij liet niets merken. Hij was uiteraard de held !

’s Nachts barstte er daar een enorm noodweer los en terwijl we met 3 jongens in 2 aan elkaar geritste slaapzakken lagen (ik heerlijk slapend in het midden) waren de broers, 15 en 16 jaar oud, druk doende aan beide kanten van de tent de waterdruppels, die door de kennelijk niet waterdichte tent naar binnen probeerden te komen, naar beneden te geleiden. Dat lukte redelijk, maar door de vele regen, waren al onze spullen, inclusief kleding, doorweekt. Er waren geen telefoons o.i.d., maar moeder ging haar instinct achterna en kwam op de fiets vanuit Den Haag, met Paul achterop, ons ophalen. Echt 15 km fietsen in weer in wind. En zo fietste de familie weer terug van Hoek van Holland naar Den Haag. Ik vond het een belevenis en zoals nu te lezen is: nog steeds in mijn geheugen, maar had achteraf wel respect voor mijn moeder.

Uiteraard wilde je bij de verkenners zoveel mogelijk insignes halen, soortgelijk aan de sterren bij de welpen. Als je slaagde voor speciale opdrachten ontving je een speciale insigne, die je op je mouw mocht laten naaien. Zo waren er diverse te behalen. O.a. de insignes houthakker en trapper (hiker) waren best geliefd.

Voor dat laatste insigne meldde ik mij met mijn beste kameraad (Fons) aan bij de hopman van onze verkennersgroep. Op een avond in 1961 bij hem thuis aan de Erasmusweg kregen wij, twee 14-jarigen, de geheimzinnige, maar precieze opdracht: drie dagen vanuit Den Haag beiden op de fiets naar Ottoland, camping de Put. Vanaf ons huis tot aan de camping zouden we zo’n 4.5 tot 5 uur moeten fietsen over die 65 km. Ik denk, dat we er wel een uurtje langer over gedaan hebben met onze bepakking, waaronder de tent.

Maar dat waren leuke dagen daar, waar we best wat opdrachten hebben moeten vervullen, maar helaas, die herinneringen zijn verloren gegaan, waarschijnlijk door de vele pechgevallen, die wij op onze terugtocht te verduren kregen.

Maar wat mij nog wel bijstaat is de terugtocht naar Den Haag. Dat werd een helse tocht. Al na een klein uurtje fietsen reed ik lek. Niet getreurd, ons blikje Samson met solutie en plakkers gaf de oplossing. Dachten we, want na een half uur bleek dezelfde band wederom lek. Nogmaals geplakt, maar het ging ons niet goed af.

Na luttele minuten, bij aankomst in het dorpje Oud Alblas, na ong. 15 km, besloten wij de paar centen die we nog hadden te besteden aan een spuitbusje Finilek, soortgelijk als de afbeelding hiernaast (Finilek bestaat onder die naam niet meer). Dat bood echter geen soelaas. De band liep wel vol met dat schuimspul, maar kwam op een gegeven moment ook weer uit het ventiel lopen. Teneinde raad, vanuit een telefooncel (uiteraard, want waar anders ?), naar huis gebeld voor hulp. Ed en Peter kwam op Pa’s bromfiets meteen naar Rotterdam, alwaar wij ze ontmoetten onder het viaduct van de A12. Wij waren daar al lopend en fietsend op een platte achterband aangekomen. Afgepeigerd waren we, maar wat was ik blij ze daar te zien. De redding was nabij.

Binnenband werd in een handomdraai door de broers vervangen voor een nieuwe, ik kon eerst bij Ed achterop de brommer en Peter fietste, naast Fons, op mijn ijzeren ros naar Den Haag. Nog eens 25 km. Maar het insigne had ik….

Opgroeien in Den Haag (Morgenstond)

Eigenlijk was mijn jeugd best onbekommerd. Ik weet van mijzelf dat ik niet altijd een lieverdje was, maar dat hoorde al die tijd bij het opgroeien en bij de verschillende leeftijden. En zeker in Den Haag. En natuurlijk, je moest af en toe op straat best even je vuisten gebruiken (en incasseren) maar daar sprak je thuis dan niet over. En als het overwicht te groot was, haalde je even je 3 jaar oudere broer erbij, die jouw “vijand” een toontje lager liet zingen (en waar je dan nooit meer last van had). Bedankt nog, Peter. Ik zal de vuistslag, die je de 1 jaar oudere Willem Donner op zijn smoel gaf, nooit vergeten. Hij verdiende hem dubbel en dwars, nadat hij mij voor mijn kanis geslagen had.

Soms hadden we met ons vriendenclubje ook wel bijzondere bijbaantjes. In de tijd dat de Centrale Antenne Inrichting opkwam (voorloper van de kabel-tv), moesten de oude antennes met daaraan sprietantennes voor TV- en radiozenders als Nederland 1 en Nederland 2 en het REM-eiland als ook die van Hilversum 1 en Hilversum 2 verwijderd worden.

Dat REM-eiland was gevestigd op een soort van boorplatform (maar in opdracht van o.a. Verolme speciaal voor dit doel gebouwd in Cork, Ierland). Het was buiten de territoriale wateren maar op het Continentaal Plat van Nederland geplaatst en stond 10 km uit de kust van Noordwijk. Daarvandaan zond het vanaf mid-augustus 1963 commerciële tv-programma’s in West-Nederland uit.

Dat was geen lang leven beschoren. Ook hier wist de overheid middels een noodwet in december 1963 daar binnen 5 dagen een einde aan te maken. Het plezier van uitzenden heeft ongeveer 4 maanden mogen duren. Met o.a. Mr. Ed, het sprekende paard en de vliegende non vulde het REM-eiland een behoefte, dat de NTS (voorloper NPO) niet bracht. Later vulde de TROS, toendertijd een nieuwe omroepvereniging, de leemte op die het REM-eiland door de (r)overheid gedwongen achterliet.

Iedere televisie-bezitter had vroeger een eigen antenne op het dak staan. Er waren behoorlijk wat (ook louche) bedrijfjes door heel de stad bezig om die oude dingen te verwijderen en wij hadden snel in de gaten, dat ze best wel wat hulp konden gebruiken.
We spraken als 15-jarigen af met zo’n bedrijfje, dat we voor iedere verwijderde en naar beneden gegooide antenne Fl 1,= zouden krijgen. Dat vond men prima, dus wij waren in de vakantie met een mannetje of 4 met tangen en ijzerzagen een paar dagen op het dak bezig die antennes los te maken. Het (voorzichtig) naar beneden in de gemeenschappelijke tuin gooien, was het leukste. En wij hadden weer een aardig centje in ons zak.

Maar ook durf ik nu, nadat ik al 33 jaar weg ben bij de Rijkspolitie, bijvoorbeeld best te bekennen dat ik rond mijn 14e jaar drie pakjes Caballero zonder filter probeerde te pikken bij de Albert Heyn aan de Leyweg (sorry AH…). Maar die kostten toen fl. 1,25 per stuk en zoveel had ik niet. Maar ik rookte wel al. Je moest wat.

Het was op een zaterdagmiddag en ik werd betrapt. Bij de kassa natuurlijk. Ik vermoed dat men mij al op het oog had. Ik schoof die pakjes in een boodschappentas. In het voorvak en rekende die niet af. Ik moest met de bedrijfsleider en een andere medewerker meelopen naar een achterkamertje en ik poepte 7 kleuren. De bedrijfsleider ging namelijk mijn vader bellen. Ik zag (en voelde) de reactie van hem al, zodra ik thuis zou komen. Ik kende hem.

Haagse Leyweg 1964 (bron: Gemeentearchief ’s Gravenhage)

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image-22.png

Het liep echter iets gunstiger voor mij af: de bedrijfsleider belde naar mijn huis en maar niet mijn vader, maar mijn oudste broer Ed nam (gelukkig voor mij) de telefoon op: “met Ed Snijders”. Ed is 4 jaar ouder dan ik en had inderdaad best een zware stem toen. Dus dat klonk kennelijk als “met Snijders”, zoals vroeger vaker de hoorn van de zwarte bakeliettelefoon aan de muur opgenomen werd, want de bedrijfsleider hoorde ik het verhaal van mijn poging vertellen. Nadat het gesprek beëindigd was mocht ik de AH verlaten, want, zo zei de bedrijfsleider, “er staat je nog heel wat te wachten. Je vader is helemaal niet blij” en heeft een flinke straf in zijn hoofd. Dat geloofde ik best. Nogmaals, ik kende hem.

Ik, nog steeds in de veronderstelling dat hij mijn vader gesproken had, toog met de staart tussen de benen naar huis en deed daar voorzichtig de deur open. Maar daar stond Ed. Lachend stond hij mij op te wachten. Ik begreep hem niet en keek achter hem of Pa daar stond. “Nee,” zei Ed, “Pa en Ma zijn er niet. Ik heb het voor je opgelost en gedaan alsof ik Pa was. Heb de bedrijfsleider toegezegd je flink onder handen te nemen.” Hij dacht dat ik Pa was. We barstten samen uit in lachen. Het is dat dat toen nog niet bestond, anders hadden we elkaar een high-five gegeven. Ik ben Ed daarvoor nog steeds dankbaar.

Iedere zaterdagmiddag was de muziekwinkel in de Wapserveenstraat het doelwit. We haalden daar dan na 2 uur ’s middags gratis de papieren Top 40 op. De muzikale versie werd ’s middags op Radio Veronica, het zendschip dat tot 2 april 1973 op open zee voor de kust van Scheveningen lag,  tussen 4 en 6 uur gedraaid en wij luisterden daar dan naar op onze transistor radiootjes.
Deze winkel was ook onze leverancier voor plectrums (voor mijn ukelele) en voor Peter’s gitaar.

Op die dag, dus 2 april 1973, liep het schip op het strand van Scheveningen vast. Dat trok wekenlang veel bekijks en we gingen vaak kijken.

Uitzendingen werden gestaakt maar 2 weken later zond het schip alweer uit vanaf het schip van Radio Caroline in de Engelse wateren. Uiteindelijk moest het ingevolge de “anti-piratenwet” eind augustus 1974 de uitzendingen in zijn geheel staken.
Dat gaf een hoop beroering in het land. Met name de jeugd was er niet blij mee en liet dat met demonstraties blijken. Het mocht allemaal niet helpen, maar de Veronica Omroep Organisatie was toen geboren. Een officiële zendgemachtigde, die kort daarna tot het publieke omroepbestel hoorde. 

In dezelfde eerdergenoemde Wapserveenstraat bevonden zich meer leuke winkels, waar men ons met regelmaat zag: de Italiaanse ijssalon b.v. (overheerlijke banana royaal met slagroom), snoepzaak (trekdrop, jojo, veterdrop, Bazooka, allemaal 5 cent per stuk) speelgoedzaak “de Wapstad”, waar we buiten de geijkte spellen als Monopoly (ga niet langs AF, u ontvangt geen Fl. 200,=) en Stratego ook o.a. onze Märklin trein accessoires kochten.

Bij de kapper was het voor mij altijd hetzelfde als je geknipt moest worden iedere 4 weken: “Schuin naar voren zonder scheiding”. Je wachtte dan geduldig met de Donald Duck op schoot vaak zo’n 2.5 uur op je beurt, net als de andere kinderen die ook op de vrije woensdagmiddag naar de kapper gestuurd werden.

Een paar jaar later kwam bij ons de KLM-kapper over de vloer. Volgens mij was dat een huiskapper op het Haagse hoofdkantoor van de KLM, maar door een achterbuurman, mijnheer Verhulst, die op dat kantoor werkte, kwamen wij in contact met die kapper. Alle broers werden door hem onder handen genomen en ik vond het wel prima, want de wachttijden waren voorbij en ik kon rustig op mijn kamertje wachten totdat ik in de achterkamer aan de beurt was. Ik kan mij het model wat hij knipte echter niet meer herinneren.

Het was niet alleen de Wapserveenstraat, waar wij veel rondzwierven. We waren ook regelmatig te vinden op de Leyweg, waar in de 60-er jaren altijd een gezellige drukte heerste. Met name rond de Kerstdagen, als de gemeente palen met de kerstverlichting (lichtsnoeren) plaatste ter versiering. Nu weet ik weer hoe wij aan die gekleurde lampen op onze kamers kwamen en waarom het op sommige hoeken van de Leyweg in die tijd soms nogal donker was. Vooral op zo’n 2 mtr hoogte.

Eind jaren 60 kwam daar op het middengedeelte, op de parkeerplaats, de dinsdagmarkt. Volgens mij bood die aan aangeboden waar nu niet hetgeen je op een normale markt kon verwachten. Ik weet, dat mijn moeder ondanks deze markt vaak op de Haagse markt aan de Hobbemastraat kwam, waarbij zij voor het gezin, dus bestaande uit 6 personen, haar boodschappen deed en met volle zijtassen en tassen aan het stuur van haar fiets naar huis kwam lopen. Best wel een stukje wandelen, zo door het Zuiderpark. Maar op zo’n dag kregen wij (of in ieder geval ik) altijd een groot stuk kaas uit het vuistje. Fijne herinnering.

Je had op de Leyweg, vrijwel op de hoek van de Tinaarlostraat een banketbakkerij, genaamd Hoendermis, die in het halletje direct naast de winkeldeur, een ijsautomaat had staan. Je moest dan de bijbehorende wafel zelf uit een naast de ijsmachine hangende houder trekken (afhankelijk of je een klein ijsje van 10 cent of een grotere van een kwartje wilde) waarna je respectievelijk dus een dubbeltje of kwartje in de automaat moest doen. Het ijs kwam op die manier in je wafel terecht. Slim als wij waren ontdekten wij al snel, dat je voor tweemaal een dubbeltje in het grote ijsbakje meer ijs kreeg dan één ijsje voor een kwartje. Dat hield natuurlijk niet lang stand. Ik weet niet hoe lang dat voordeeltje voor ons geduurd heeft, maar we hebben er wel even van geprofiteerd.

Op de Facebook-pagina van de wijken Morgenstond, Moerwijk en Bouwlust, waar ik
lid van ben en waar veel herinneringen van vroeger worden opgehaald, trof ik een
treffend en erg goed geschreven stuk over de Leyweg, uit de tijd dat ik met mijn familie daar woonde. Alles, maar dan ook alles, wat de schrijver Ap van der Meulen, ooit journalist voor o.a. het Binnenhof, daarin beschreef was zo herkenbaar. Ook mijn jongere en oudere broers en mijn nu 93-jarige moeder herkenden alles zo duidelijk wat daarin beschreven wordt.
Graag plaats ik dat stuk hier, met name voor de Hagenezen onder ons.

“Mijn vader was bedrijfsleider van de herenmodewinkel Borst aan de Leyweg, toen nog de Champs Élysées van Den Haag. Borst was een chique zaak voor een nieuwbouwwijk. Communies, bruiloften, verjaardagen, feestdagen, begrafenissen – iedereen die er af en toe een beetje netjes uit wilde zien kwam bij mijn vader terecht. Sterker, ze kwamen van heinde en verre. Uit het Westland kwamen de tuinders die volgens mijn vader altijd hun armen recht vooruit staken als ze een jasje pasten, en dan zeiden ze steevast: de mouwen zijn te kort. Maar ja, dat waren de Westlanders, de allochtonen van toen.

Wie er ook kwamen, waren de kampers, zij die het verrommelde gebiedje tussen het Westland en de uiterste oostkant Leyweg bevolkten. In de jaren zestig had dat kampje nog wel iets romantisch, maar in de jaren zeventig gaf het zigeunerkamp door diefstal, geweldpleging en drugshandel de aorta van Morgenstond een slechte naam: De Kamp Élysée, werd de Leyweg wel genoemd.

Mijn vader maalde daar niet om. Als de kampers kwamen kochten zij met inktzwart geld alle foeilelijke Tom Jones-overhemden en paarse velours colbertjes op die er in de winkel te vinden waren. De kinderen – mijn zusje, mijn broertje en ik – hadden dan het hele weekend feest: de zigeuners waren geweest!

De zaak van onze vader was een grote zaak. Tegenover de Appie Heijn – ik heb lang gedacht dat ik naar die winkel was vernoemd en vond dat de gewoonste zaak van de wereld. Zo meende ik ook dat ik jarenlang heb leren schrijven op de kardinaal De Jongensschool in de Tinaarlostraat. Er zaten alleen maar jongens op school die geen van allen dachten aan een gepromoveerde priester uit Ameland.

Wij woonden boven de winkel in een maisonnette. Een schitterend jaren zestig-woord voor een hoge portiekwoning. Voor de winkel van onze vader bevonden zich enorme eilandetalages – en dat moet wel een jaren zestig woord zijn, maar daar gaat het eigenlijk niet om. Het gaat om wat er in die etalages te zien was: kleding, uiteraard. Voor heren en voor jongens. Maar wat mijn vader deed – en neem het hem eens kwalijk, de goede man, god hebbe zijn ziel – was voortdurend manshoge zwart-witfoto’s ophangen van twee jongetjes in mooie kleding. Die jongetjes, dat waren mijn broertje en ik. Daar zouden Morgenstonders van een bepaalde leeftijd (50-plussers) mij eventueel van kunnen kennen. Op uw strooptochten naar snackbar Maja, de Jamin (altijd chique ‘Zjamin’ zeggen) of de Hema liep u langs de eilandetalages van mijn vader en dan zag u mijn broertje en mij daar hangen. Als goedgeklede blonde engeltjes lachten wij u toe, in de wetenschap dat de fraaie pantalons die wij droegen en waar wij bij ons volle bewustzijn scheten in lieten straks werden doorverkocht aan buurtjongens als Ronald Plasterk, Peter ter Horst en Cees Grimbergen.

Goed, ik mocht dan al op 8-jarige leeftijd een posterboy van de Leyweg zijn, mijn vader was een icoon van een geheel andere orde. Hij was namelijk structureel voorzitter van de winkeliersvereniging en in zo’n ontwikkelingsgebied betekende dat nogal wat. Zo was hij dikke maatjes met koningin Juliana, die alle premières van nieuwe films in de Euro Cinema op de Leyweg in levende lijve bijwoonde. Dat ging jaren door, ik denk van 1960 tot 1970, en daar kwamen Juliana en Bernard weer op een première, en daar gingen mijn opgedofte vader en moeder weer. In totaal ging het om twee films, die beide vijf jaar aan één stuk hebben gedraaid: Lawrence of Arabia en The Sound of Music. Geen wonder dat de mensen die fims 32 keer bekeken. Maar wij van de Leyweg hadden wel mooi een bioscoop, en kwam daar eens om in het Zuiderpark, Moerwijk, Bouwlust of Wateringen.

De Leyweg, sommige mensen zeiden Lei-weg, anderen zeiden weer Leyweg, is een straat waar hooggeleerden als Wim Willems in sociologisch opzicht helemaal los op kunnen gaan. De opkomst en de verbeelding, het verval en de werkelijkheid – de Leyweg is in goed Haags een zee om te zuipen. Wie nu langs onze vervallen maisonette wandelt kan zich haast geen voorstelling meer maken van de unieke rol die de Leyweg in de jaren van de opbouw was toebedeeld. Oorspronkelijk zou de Leyweg het Haagse centrum – de Grote Markt en zo – moeten ontlasten en die ambities waren er zeker.

Euro Cinema

Daarom was de Euro Cinema er. En de V&D met een monsterachtig groot warenhuis. En de Hema, waar onze moeders ons ondergoed en onze warme worst kochten, en wij bij de toen nog vleeskleurige bh’s vrijelijk rondkeken wat daar in vredesnaam allemaal in zou kunnen passen. Ook bijzonder: de allereerste McDonald’s van Nederland werd er gevestigd – en na een jaartje al weer gesloten. Dat gekke exotische vreten viel niet goed bij ons, gewend als we waren aan de Hema en snackbar Maja. Van nog vroeger herinner ik mij dat de radio en tv-zaak Torpedo – buren van mijn vader – de allereerste kleuren tv van het land tentoonstelde in hun eiland etalage.

Het was er allemaal, op de Leyweg. De jaarlijkse intocht van Sinterklaas, wielerrondes, u moet bij mij voor de deur hebben gestaan, wegduikend voor de met water gevulde ballonnen die mijn broer en ik vanaf 1968 steevast vanaf de vierde etage naar de goedheiligman mikten.

U was er op de markt op dinsdag, waar we als een kind zo blij voor een dubbeltje stroopwafelafval kochten in een gigantische puntzak, een onvoorstelbare versnapering die we tegenwoordig nog niet eens aan een zieke straathond durven te geven.

Maar ergens heeft de Leyweg de afslag naar de definitieve ontlasting van het Spui en de Grote Markt gemist. De ontwikkeling kwam tot stilstand, de planologische logica hield op. Goede winkels verdwenen, noodzakelijk onderhoud aan de ambitieuze maisonettes werd niet gepleegd. Waar ging het mis, waar ging het anders? Ik ben geen wetenschapper, dus ik kan roepen wat ik wil – ik denk dat het in 1974 mis ging.

Zoals ik net al zei had McDonalds het al snel gezien op de Leyweg. Kort daarna – of even daarvoor, dat kan ook – verloor het Nederlands elftal een bepaalde WK-finale. Mijn broertje en ik gingen na dat trauma – een huilende vader is geen pretje – zwijgend de Leyweg op om dat verdriet tussen de eiland-etalages met een balletje van ons af te trappen. Nog geen jaar later werd mijn vader ontslagen. Borst raakte in verval, andere winkels volgden dat voorbeeld en de eilandetalages bleven leeg. In Rijswijk kwam intussen winkelcentrum In de Bogaard vervaarlijk opzetten.

Nog weer later – in 1977 – verliet ik het ouderlijk huis om te gaan studeren. Toen ik na mijn studietijd terugkeerde naar huis wist ik het: in drie maanden is de Leyweg echt veranderd, het zaakje gaat achteruit. Geen Sound of Music meer in de Euro Cinema maar ordinaire Kung Fu films. Prominente bewoners zoals Aad Mansveld – wiens Opel Manta ik in de Wapserveenstraat jarenlang heb gewassen – hadden hun heil elders gezocht, Lotus – de befaamde Chinees aan het westelijke einde van de Leyweg – accepteerde geen van huis meegebrachte stalen pannen & potten meer bij het afhalen, dat kon wel in plastic bakjes tegenwoordig.

Het was allemaal anders geworden, kortom. Het leek alsof er een droom uiteen was gespat, de Avenue was een gewone straat geworden, zoals zo vele andere in aanpalende nieuwbouwwijken. Geen Torpedo, geen keurslager Ruva, geen Borst van vader maar lelijke Kwantumhallen en in plaats van mooie, verlegen en frêle blonde meisjes zaten er inenen dikke vermoeide huismoeders achter de kassa’s bij de Jamin.

Alles heeft zijn tijd – het Romeinse Rijk, de renaissance, de Europese campagnes van FC Den Haag, de Muur in Berlijn, de Twin Towers, de Drentse wijk achter de Leyweg – het is allemaal weg. Natuurlijk, er lopen nog zat Appies rond in Morgenstond. Alleen zijn dat geen korte namen voor Albert, maar voor Abdullah of Abdelkader.

Ik heb leren schrijven in Morgenstond, ik verslond boeken van Pim Pandoer en haalde altijd een 8 of een 9 voor Nederlands. Verhalen verzinnen, ik vond dat het mooiste wat er was. Zo kwam ik als 20-jarige leerling-verslaggever terecht bij dagblad Het Binnenhof – toen nog in hevige concurrentiestrijd verwikkeld met de Haagsche Courant en Het Vaderland. Ze zijn alle drie verdwenen. Maar wie schrijft die blijft, ik ben er nog, mijn herinneringen aan die fantastische Leyweg zullen er altijd blijven.

Leyweg: Fantastisch verwoord door Ab van der Meulen. Met dank !

Middelbare schooltijd

Middelbare Handelsdagschool (1966) en
Economische School (zelfde school) in 1967,

Waldeck Pyrmonthkade 5, Den Haag

Drie verdiepingen met klaslokalen, gymzaal helemaal rechts (met touwen tot in de nok)

 

Mijn eerste school na de lagere school, was de Handelsdagschool aan de Waldeck Pyrmontkade 5. Dat was verdorie wel iedere dag 3 kwartier heen en 3 kwartier terug fietsen. Zo’n 6 km in weer en 6 km wind. Nee, nooit bus of tram voor ons. En als het ’s winters te eigenlijk te koud was deed je gewoon een paar oude kranten onder je trui en bleef je wel warm genoeg. De rit ging dan steevast dwars door het Zuiderpark, langs het ADO-stadion , Schalkburgerstraat, Ruysdaelstraat naar school. Op de terugweg, ’s middags rond een uurtje of 4, bleef ik altijd even hangen bij dat stadion om mijn helden te zien trainen, “lekker kankeren op Theo v.d. Burg” (Harry Jekkers).

Ik bleek op de HDS als 12-jarige in de klas geplaatst te zijn met 8 jongens en 1 meisje. De oudste klasgenoot in mijn klas was 18 en kwam iedere dag op de Puch naar school, maar ook soms met de auto van zijn gescheiden moeder. Ik mocht gelukkig soms meerijden, maar heb deze schoolkeuze van mijn ouders nooit begrepen. Maar nog minder de schoolleiding. Hoe in hemelsnaam zet je een eerste klas op met 9 kinderen, in de leeftijd van 12 tot 18 jaar? Voor mij was dit een verkeerde school, maar voor die 18-jarige eveneens. Maar goed:  iedere ouder wenst natuurlijk het beste voor zijn/haar kind, maar hier zou een CITO-toets wel geholpen hebben en zou ik nooit naar die school gestuurd zijn. Als 12-jarige dan. Ik was veel te jong. Het was een bizarre situatie. Ik werd door mijn klasgenoten voorgelicht op sexueel gebied. Ik stond te klapperen met mijn oren, weet ik nog. Hebben mijn ouders niet gedaan. Heb ik (wij) toch bij mijn (onze) eigen kinderen anders gedaan.

Mijn eerste schooldag moet enorm indrukwekkend geweest zijn. Ik zal mij een hele knaap gevoeld hebben om zomaar alleen naar de andere kant van den Haag te mogen fietsen als 12-jarige. En dan zo’n immens kolossaal schoolgebouw, met krakende houten vloeren, eenrichtingverkeer op de trappen van de 3e verdieping tellende school en een Coca Cola, Fanta en Sprite- (25 cent per flesje) en koekautomaat in de kantine. Plus natuurlijk de dependances in de Dibbetstraat en de Hemsterhuisstraat. Allemaal ongelooflijk oude troep. Vooroorlogs. Maar dan wel de 1e Wereldoorlog, welteverstaan.

En in de middagpauze wandelend door de Witte de Withstraat, Elandstraat en liet ik mijn klasgenootje mijn shaggie Samson draaien. Dat kon ik toen nog niet. Als ik geluk had, kwam ik in de pauze één van mijn broers tegen, die dan voor mij dat shaggie draaide. Aan het eind van dat schooljaar kon ik het wel alleen. Toch nog iets geleerd.

De reden dat mijn ouders mij op die school plaatsten, was omdat mijn broers Peter en Ed daar ook zaten, maar ja, die waren toen 15 en 16. Dat kon natuurlijk niet goed gaan en dat bleek ook zo. Ik was dus veel te jong, maar de toen broodnodige brugklassen bestonden nog niet in 1966.  Het 2e schooljaar, waar het niet veel beter ging, werd ik er met de Kerst afgehaald en verhuisde ik naar de MULO aan de Steenwijklaan. Dat was gelukkig wat dichterbij. Maar ook daar had ik geen zin in. Ik viel midden in een reeds gesettelde 2e klas en had al behoorlijk wat lesstof gemist, ook vanwege het feit, dat het onderwijssysteem aan het begin van het schooljaar in 1968 door de ingevoerde Mammoetwet op de schop was gegaan. 

Ik spijbelde soms en dus kwam ik uiteindelijk op de LEAO aan de Betje Wolffstraat. Die doorliep ik gewoon, haalde mijn diploma, waarna ik – omdat ik nog pas 16 was – verder ging op de Detailhandelsschool in Bezuidenhout, in afwachting van mijn plaatsing op de opleidingsschool van de Rijkspolitie, waar ik in de tussentijd, op advies van IJsbrand, gesolliciteerd had en waardoor ik drie maal naar Utrecht moest afreizen voor een psychologische, medische en sporttest. Uiteraard vond dit allemaal plaats nadat ik eerder al bij de Haagse Politie gesolliciteerd had, wat ik verderop beschreven heb.

Kerstbomenjacht

Een jaarlijks terugkerend festijn (voor veel Haagse wijken). Uiteraard deed mijn groep vrienden, bestaande uit een mannetje of 10 en een paar ferme meiden, daar ook aan mee. Doel was een zo groot mogelijke stapel op Oudejaarsavond te hebben, die op het schoolplein van de Christelijke Lagere school in brand zou worden gestoken. Daar deden we eigenlijk niemand kwaad mee en zorgden wij voor meer gezelligheid in de straat.

Een en ander hield wel in, dat we niet alleen in onze straten,  (Tinaarlostraat, Wapserveenstraat, Oosterhesselenstraat, Hoogeveenlaan en waarschijnlijk ook een paar van de Leyweg (maar dat weet ik niet zeker meer) letterlijk op jacht gingen naar afgedankte kerstbomen, maar dat we ook in aangrenzende straten keken of daar nog wat te “rausen” was. (Zoek de definitie van dat woord maar eens op of luister naar Harry Jekkers, https://www.youtube.com/watch?v=ptGJ8wzeGDE).

En als er na de Kerst een kale kerstboom op een balkon stond waar we redelijkerwijs bijkonden, was die voor ons. Of hij werd al door de bewoner naar ons toe gegooid. Daar kwam men dan makkelijk van af, i.p.v. deze rond 6 januari naar het Morgenstond-veld aan de Leyweg te brengen, waar je die kon inleveren en een dubbeltje en een lootje voor de loterij ontving.

Maar met Harry Jekkers in gedachten: “fikkie stokûh, vooral die autobanden rookten fijn”. Was wel zo.

We deden ons best. Met soms flinke vechtpartijen tussen de wijken onderling (maar altijd met de vuisten, nooit met wapens, messen of stokken of iets dergelijks) werden regelmatig partijtjes kerstbomen buit gemaakt of verloren. Zo ging dat in de kerstvakanties. Over en weer werd er het een en ander beslecht.

Maar vanaf het moment dat ik als 14-jarige daardoor op het politiebureau aan de Loevesteinlaan kwam te zitten, was de lol er wel af.

Aanhouding

Die avond, vlak voor Oudejaarsavond, moesten wij de in onze kelderboxen opgeslagen kerstbomen elders onderbrengen. We hadden er lucht van gekregen, dat de boxen ’s avonds opengebroken zouden worden door naburige “bendes” om onze kerstbomen voor het kerstvuur te rausen, wat wij natuurlijk niet wilden.

We wisten dat zich aan de achterzijde van de Christelijke lagere school in de Tinaarlostraat, aan de kant van de HEMA, drie metalen luiken bevonden, die voorzien waren van hangsloten. Die luiken dienden ter afsluiting van de kolenkelder waar de kolen door de kolenboer ingestort werd. Scholen stookten toen, net als bij ons thuis op kolen. Gewapend met een ijzerzaag, tang, hamer en hakbijl probeerden wij die avond, rond een uurtje of 8, zo’n luik open te krijgen om onze kerstbomen daar veilig onder te brengen. Verder hadden wij geen kwaad in de zin. Het was meer baldadigheid. Het betrof ook de school waarvan wij op Oudejaarsavond op het schoolplein het grote vuur wilden maken.

Hakkend en zagend waren wij daar in het donker bezig te proberen zo’n luik te ontdoen van zijn slot, maar kennelijk hadden omwonenden ons gehoord en de politie gewaarschuwd. Plotseling waren wij omringd door een 6-tal politiemannen. Wegrennen ging niet meer. We  werden aangehouden en in 3 gereedstaande Mercedessen werden wij gedrieën naar het politiebureautje aan de Loevesteinlaan overgebracht.

Mijn broer Paul, aan wie ik o.a. op voorhand dit verhaal liet lezen, attendeerde mij (terecht) nog op het volgende, wat mij al ontschoten was, maar waar hij mij aan herinnerde.

Onderweg naar het bureau en terwijl ik daar op de achterbank zat, propte ik snel mijn half lege pakje Samson shag met vloe tussen de bank van de politie-Mercedes. Ik mocht n.l. nog niet roken, maar deed dat al vanaf mijn 12e en was voor die ontdekking meer bang voor mijn pa dan voor de politie.

Politiebureau Loevesteinlaan Den Haag

 

Ik herinner mij, dat in iedere hoek van een grote (personeels?) ruimte in het bureau een soort van kleedhokje was met een deur. Daar mochten wij plaatsnemen, zonder dat wij contact met elkaar hadden. Vanuit dat hokje hoorde je wel wat er gezegd werd.

Na daar enige tijd gezeten te hebben werd ik een trap lager, in een klein kamertje verhoord door een politieman van de KP (kinderpolitie). Ik legde
hem uit waarom wij aan het doen waren wat wij deden, waarna hij zei: “O, niet inbreken, dus”… Nee, klopt. Dat waren wij nooit van plan. Nooit geweest. We zochten alleen een tijdelijke, veilige schuilplaats voor onze kerstbomen. Meer niet.

Ik mocht terug naar mijn hok. Mijn 3 andere vrienden hoorde ik daarna om de beurt van de agenten afscheid nemen en het bureau verlaten. Zien kon ik ze niet. En ik bleef maar zitten.

Totdat het mij te lang ging duren en ik de moed nam te vragen waarom ik daar nog steeds moest blijven zitten. Het antwoord was, dat mijn vader mij – zoals de ouders deden bij mijn vrienden – niet wilde komen ophalen. Hij vond dat ik maar een nachtje op het bureau moest blijven zitten. 

Volgens de aanwezige dienders kon dat niet, want het bureau ging om 12 uur ’s nachts dicht. Mijn vader had toen gezegd: “Breng hem dan maar naar het Hoofdbureau en laat hem daar maar een nachtje zitten”. Een politieman begreep dat niet goed, maar moest nogal lachen toen ik hem vertelde dat mijn vader geen auto had en dat waarschijnlijk zijn licht op zijn fiets het niet deed.  Door een paar schaterende politiemannen werd ik daarna met een zwarte, onopvallende politie-kever van de KP thuisgebracht. Onderweg best nog wat zitten lachen.  De mannen begrepen de kwajongensstreek, want meer was het niet.

Thuisgekomen kon ik meteen naar mijn kamer natuurlijk. Ik weet niet meer of ik een schop onder mijn kont gehad heb, maar dat zal wel. Mijn vader was niet blij met mij en op dat moment ik niet met hem. Dit schrijvende komt in mij op, dat ik bij thuiskomst ook een kapelaan uit onze parochie bij ons thuis aantrof, maar durf dat niet met zekerheid te stellen. En of dat dan toeval was, weet ik ook niet meer.

Onterechte behandeling zoon. Pa (ik) boos !

In mijn latere leven handelde ik als vader iets anders toen ik in een dergelijke situatie terechtkwam nadat mijn jongste zoon schofterig door personeel van de Zoetermeerse golfbaan werd opgepakt terwijl hij buiten het golfterrein in een openbaar park, het Westerpark, liep. Met een aanzienlijk en onverantwoord risico werden hij en zijn vriendje in een golfkarretje naar de kantine van de golfclub vervoerd. Reden: hij had buiten de met hekken afgezette golfbaan in het Westerpark golfballetjes gevonden en verzameld, die over het hek geslagen waren en in het park terecht waren gekomen. Men had de politie gebeld, waarna hij met zijn vriendje werd meegenomen en urenlang door de politie in een verhoorkamer werd opgesloten.

Pas aan het einde van middag, dus uren later, werd ik door de politie telefonisch op de hoogte gebracht. Dat pikte ik niet en toog naar het bureau in Rokkeveen. Ik nam het de politie kwalijk, dat ze een 13-jarige, dus minderjarige knaap, zolang in een verhoorkamertje opgesloten hielden en pas uren later de ouders informeerden,  terwijl hij niet eens een strafbaar feit had gepleegd. Ik wilde hem meteen meenemen en dat gebeurde dan ook. Maar toen het nieuws van “golfballen stelende kinderen” ook nog eens in de krant en op de kabelkrant kwam, was de maat vol en diende ik een klacht in bij de Burgemeester van Zoetermeer, de Commissaris van Politie en de Officier van Justitie in Den Haag. Binnen 2 weken ontving ik een excuusbrief van de Burgemeester, mede namens de Officier van Justitie: het had nooit zo mogen plaatsvinden. Betrokken functionarissen zijn op het matje geroepen. De golfclub heeft daarna excuses aangeboden.

Maar op mijn verzoeken aan de pers om die eerdere berichten te rectificeren werd niet gereageerd. Dat was niet meer zo spannend, natuurlijk. Zo werkt dat met de media.

Maar zo kan een vader dus ook voor zijn zoon opkomen.

Overigens was het jammer, dat ikzelf bij mijn eigen “aanhouding” hier toen geen hulp (of bijval) kon krijgen van mijn bovenbuurman, IJsbrand Veenstra. Hij was in die tijd een jonge (plm 35 jarige) rechercheur van het bureau Moordzaken (later Zware Criminaliteit) bij de gemeentepolitie Den Haag en met hem had ik een goede band. Voordat hij rechercheur werd, was hij “straatagent” en kwam regelmatig met de politie Mercedes de straat in en parkeerde voor de deur. Hij woonde op de 4e verdieping, maar draaide dan het raampje van de politiewagen open, de mobilofoon op knetterhard, zodat hij kon horen als hij eventueel werd opgeroepen op het moment dat hij en zijn maat bij hem thuis koffie aan het drinken waren. Ik heb hem ook wel eens ontzettend snel 4-hoog naar beneden zien rennen om snel de oproep te kunnen beantwoorden.

Hij wist wel, dat ik geen “echte” boef was. Er zat bij mij geen kwaad in. Ik trapte met hem regelmatig een balletje in de straat of achtertuin, maar toen hij hoorde dat ik op mijn 16e (vooruitlopend op het halen van mijn middelbare schooldiploma) gesolliciteerd had bij de Haagse Politie en daar ook uitgenodigd was voor een gesprek en test, gaf hij mij een wijze tip: maak je huidige school af, maar ga niet bij de gemeentepolitie. Als je de keuze hebt, ga naar de Rijkspolitie.

Volgens hem zou ik bij de RP meer kansen krijgen, omdat je daar veel meer een allrounder zou worden. B.v. bij ongevallen kwam bij de GP de Verkeerspolitie er altijd bij, die de zaak afhandelde. Bij de RP kwam je bij dat ongeval en handelde je samen met je collega dat zelf verder helemaal af. Ook als het een dodelijk ongeval was.

Met inbraken of heterdaadjes hetzelfde. Bij de GP kwam de recherche, bij de RP nam je zelf de aangifte op en alleen bij (grotere) heterdaadjes kwam de districts-recherche er bij, met wie je dan meeliep. Maar je bleef er bij totdat alles afgewikkeld was. Zo leerde je werkenderwijs ook de kneepjes van dat vak, het recherchewerk.

Op de LEAO zat ik in het schoolvoetbalteam, samen met (latere ADO 1e team-spelers) Rob Monnee en Kees Storm. In de voorronden ging het allemaal crescendo en op het Paasvoetbaltoernooi op het Ockenburgh complex werden we kampioen. Dat leverde een finale wedstrijd in het ADO stadion in het Zuiderpark op.

De finale (ik weet niet meer tegen welke school) betrof een voorwedstrijd voor de bekerwedstrijd van ADO tegen AJAX, die ADO dus met 2-1 won. Met dezelfde cijfers verloren wij wel de schoolfinale, maar we speelden wel in een behoorlijk vollopend ADO-stadion. De 2e prijs werd uitgereikt door mijn jeugdheld en ADO-icoon: Aad Mansveld. Niet voor niets heeft ook hij een standbeeld gekregen.

 


Bijverdienen en b
aantjes

Standbeeld Aad Mansveld – club icoon  – voor het nieuwe Kyocera-ADO stadion en met Lex Schoenmaker en Dick Adocaat mijn jeugdhelden van ADO

 

Ik moest echter wel iets doen om het altijd weinige zakgeld, dat ik kreeg, te vermeerderen.  Lui ben ik nooit geweest en pakte alles aan, wat niet altijd goed viel.
Met broer Paul nam ik een reclamekrantjes-wijk aan. Wij moesten iedere vrijdag en zaterdag reclamekrantjes rondbrengen in de vruchtenbuurt in Den Haag. Omgeving Thorbeckelaan, Abrikozenplein enz, terwijl wij in Morgenstond woonden. Maar ja, we wilden iets verdienen.

Dat was wel een ontzettend waardeloze en zeer zware job voor 2 jonge pubers: veel portieken met 4 deuren met brievenbussen boven aan de trap, dus je liep je de rambam. Trap op, trap af. We redden het nooit alleen op de vrijdagmiddag- en avond, dus moesten we op de vrije zaterdag de klus klaren. Ik geloof niet dat we dit lang hebben volgehouden. Die wijk was echt te zwaar voor ons, zeker als je zag wat het opbracht. Weinig, dat weet ik nog wel.

Kort erna kon ik een dagblad krantenwijk overnemen. Ik ging de Amsterdamse krant  “Het Parool” rondbrengen in een gedeelte van Bouwlust. Kranten na school om half 5 ophalen in de Ruysdaelstraat, in je zijtassen stoppen en daarmee naar je wijk (Bouwlust) fietsen, ongeveer 45 minuten, als je op de hoek van de Dedemsvaartweg /Hengelolaan niet even stopte voor een heerlijke zak frites, uiteraard niet iedere dag.

Het voordeel was, dat het geen Haagse krant was, zoals de Haagsche Courant. Die krantenjongens hadden wijken met zo’n 225 kranten; ik in diezelfde wijk maximaal 23, maar ja, het was ook een Amsterdamse krant. Eenmaal per jaar was ik jaloers op die collega’s: rond Oud- en Nieuw, als ze de Gelukkig Nieuwjaar kaartjes rondbrachten, maar de rest van het jaar had ik er vrede mee.

Ik moest wel vaak een vervanger zoeken en betalen voor de zaterdagmiddag, als ik dan  moest voetballen met mijn club DUNO. Voor anderhalve gulden lukte dat meestal wel. Allebei blij. Ik meen dat ik die wijk een jaar of 2 gehad heb.

Toen ik 16 was geworden en van mijn broers Ed en Peter een oranje Mobylette voor mijn verjaardag kreeg, veranderde wel wat. Met vrienden reden we regelmatig op de brommer naar Scheveningen en Kijkduin of het strand aan de Savornin Lohmanlaan en als je, zoals ik, al snel een 14 mm Dolorto carburateur op je brommer zette en je liet Peter de cilinder wat uitvijlen, liep dat ding al snel zo’n 70 km. Met de brommer heb ik gelukkig nooit bekeuringen gekregen. Wel ongelukjes.

Je had daar een voetpad, parallel langs de Leyweg en langs het sportveld tussen de Genemuidenstraat en de Melis Stokelaan. Ik was 16.

Ik reed daar ooit eens stapvoets op mijn brommer naast een wandelende vriend, toen er in het bochtje van dat pad vanuit tegengestelde richting een fietser aan kwam racen, die mij te laat opmerkte. We botsten op elkaar. Dat was wel een klap, maar leek ogenschijnlijk niet zoveel schade opgelopen te hebben. Ik zag alleen t.h.v. mijn rechterknie een gat in mijn (nogal) nieuwe broek. Daar baalde ik van omdat ik wist dat mijn moeder daar niet blij mee was. Ik ben maar omgedraaid en naar huis gereden, omdat ik dit weer moest opbiechten natuurlijk.

Ik liet mijn moeder er naar kijken en ik zag haar vreselijk schrikken. Ze had de scheur in de broek ietwat weggehaald en zag daarachter een gapende wond van 10×10 cm. Bloedend.

Achterop de Sparta van mijn vader reden we naar het Westeinde ziekenhuis in het centrum (Leyenburg was er nog niet) en belandden op de Eerste Hulp. Toen mijn vader daar vroeg af al die mensen in de wachtkamer nog voorgingen op mij en hij een bevestigend antwoord kreeg, nam hij mij mee en reden we meteen naar het Rode Kruis ziekenhuis.

Daar moest ik wel even wachten (maar een verpleger raadde mij aan voortaan op straat een ambulance te bellen: dan zou ik veel sneller geholpen worden. Tja, daar had ik nu niet zoveel meer aan, maar knoopte dat wel in mijn oren…).
Maar lang hoefde ik niet te wachten. Na een half uurtje zaten er 15 hechtingen in mijn knie.
Dat ging allemaal goed en 2 weken later werden ze er weer uitgehaald.

Voorzichtig weer naar huis natuurlijk, maar ik bleef een wildebras. Want diezelfde avond  ging ik met mijn broer Ed mee naar Ockenburgh, waar hij met zijn bedrijfsteam van de FINA, waar hij toen werkte, een wedstrijd moest voetballen. Ik was gek op voetballen, dus vond het leuk om mijn broer in actie te zien, hoewel hij volgens mij niet zo’n voetballer was.

Het bleek dat het team (uiteraard) een speler te kort kwamen en alhoewel mijn hechtingen er net uit waren, bood ik aan om mee te doen. Maar als keeper, want ik moest natuurlijk nog wel voorzichtig zijn.

Nog geen 10 minuten later redde ik mijn broer’s team van een tegendoelpunt met een prachtige snoekduik. Alleen schoot wel de wond weer open en kon ik weer terug naar het ziekenhuis.

Men kon er geen hechtingen meer in zetten omdat de wondranden te hard waren, dus kreeg ik zwaluwstaarten over de wond en 2 stokken aan weerskanten van mijn been, zodat ik dat been maar niet meer zou buigen. Ik meen, dat ik dat voor een week of 2 dag en nacht aan mijn been moest houden. Ik weet dat mijn moeder er nog watten tussen gestopt had omdat de stokken vooral ’s nachts in mijn been drukten.

Die stokken verdwenen alweer snel, want ik wilde voor mijn baantje als bezorger bij Richters, drankenhandel niet afzeggen. Na school verdiende ik daar n.l. voor 2 uurtjes werk en op zaterdag 8 uur zo’n fl. 36,= per week. Ik droeg daarvan het hele jaar fl. 10,= per week aan mijn vakantie naar Spanje bij. Dus pakweg zo’n 500 gulden. Ik betaalde dus ruim mijn eigen vakantie. Was geen probleem natuurlijk. We gingen met broer en ouders 4 weken naar een bungalow in bungalowpark Calypso in Calahonda, gelegen tussen Marbella en Fuengirola, Zuid-Spanje.

Maar bij Richters Wijnhandel tufte ik dus rond door Moerwijk en Morgenstond om drank thuis te bezorgen en de lege flessen mee terug te nemen. Een uitkomst voor de oudere bewoners en ik kreeg dan ook regelmatig een leuke fooi. De voorloper van thuisbezorgd.nl, zeg maar.

Ik reed voor die slijterij op een bakbrommer, zoals ze dat noemden, soortgelijk aan die op de foto hier links. Alleen was de mijne iets ouder, maar reed voortreffelijk. En als 16-jarige vond je dat schitterend, natuurlijk.

Dat heeft een paar maanden geduurd, waarna Richters besloot alle Haagse filialen te voorzien van een gemotoriseerde bakfiets. Dat was pas een vooruitgang. Er konden ineens meer kratten tegelijk mee.

Ik reed er nog niet zo heel lang mee en gebruikte tot dan toe alleen de terugtraprem, totdat ik een keer op de kruising Betje Wolffstraat/Pieter Langedijkstraat een noodstop moest maken. Zoals ook op de afbeelding te zien is, bleek het vehikel om onbegrijpelijke redenen slechts één voorrem te hebben (wie verzint dat?). Dus slechts 1 voorwiel was beremd. Was mij daarvoor nooit opgevallen, maar nu, uit nood, gebruikte ik hem. Wist ik veel !  Maar hij deed het. En hoe !

Daar ging ik: het rechtervoorwiel blokkeerde en de bakfiets sloeg om, meteen naar rechts. En ik vloog er als bij een lancering natuurlijk af. Geen houwen aan. Niet alleen ik lag op straat, maar ook een hoop glaswerk, bier en – naar ik aanneem – ook sterke drank. Kleding beschadigd en een deuk. In mijn ego.

Maar… Richters was de beroerdste niet. Ik was verder OK, maar mijn broek was kapot, dus mocht ik op kosten van de zaak een nieuwe uitzoeken in een spijkerbroekenzaak in de Oude Molstraat in Den Haag, naast het Hoofdkantoor van Richters. En dat deed ik natuurlijk: toendertijd zo’n beetje de duurste: een degelijke maar toen moderne, alom gewilde Roy Rogers spijkerbroek voor een geeltje. Ik was er blij mee.

Op de zaterdagmiddagen lunchte ik altijd thuis en reed ik dus met de carrier (zo heette die driewieler) naar de Tinaarlostraat. Altijd leuk: nooit over het fietspad, maar wel breeduit over de Melis Stokelaan.

Tram achter de bakfiets. Trambestuurder steekt hoofd uit raampje en roept naar de bakfietsbestuurder: “hey, kun je niet van de rails af ?”. Roept de bakfietsbestuurder terug: “Ja hoor, ik wel. Maar jij niet!”

De lunch bestond op zaterdag meestal uit een paar boterhammen met kaas en filet American. Interessant, toch ? Wilde je altijd al weten, dacht ik zo.

Mijn broer Paul herinnerde mij dat ik ooit voor mijn Pa 2 flessen jonge jenever mee moest nemen. Dat was zijn lijfdrank (een borrel werd hem op zijn 55e voorgeschreven door onze huisarts, dr. Schellekens). Maar op het huismerk van Richters kreeg ik ook nog eens korting en daar was hij wel happig op.

Dus bij thuiskomst overhandigde ik hem die 2 flessen. Hij hield ze omhoog en zei toen: “Hey joh, in de ene fles zit meer dan in de andere”. Ik sprak toen volgens Paul de onvergetelijke woorden uit: “dan heeft u geluk gehad”… Ik kan het mij niet meer herinneren, maar ik zou zoiets makkelijk gezegd kunnen hebben. Thx, Paul.

Maar we gingen dus kort na dat fietsongeval voor de eerste keer naar Spanje met broer Paul en ouders. En met de Transavia Caravelle. Ons tegoed gedaan op Schiphol aan extra belastingvrije sigaretten en drank. Op het vliegveld van Malaga kwamen we meteen al de eerste corruptie tegen. Pa werd gecontroleerd door de Guardia Civil (toen nog onder Franco) en bleek teveel sigaretten bij zich te hebben. Na onderhandeling moest hij 1 slof inleveren, kreeg daar natuurlijk geen ontvangstbevestiging van en mocht hij de rest meenemen. Zonder boete. Daar kwam hij dus goed vanaf. En de douanier had ook een goede dag. 

In bungalowpark Calypso, een park met toen nog 1 zwembad en gelegen op een heuvel tussen Marbella en Fuengirola hadden we het prima naar de zin. We maakten al snel kennis met onze Oegstgeester buren, ook een jong gezin met 2 jongens en een meisje van onze leeftijd wiens vader een professor van de Uni van Leiden was. Waarschijnlijk natuur- of dierkunde, want hij kwam ons al snel even kan halen: we moesten de aangetroffen en levende giftige schorpioen in zijn tuin even bekijken. Wat een kennismaking.  

Het park was via een (droge) rioolbedding onder de provinciale weg door gescheiden van het strand. Een heerlijk strand, waar broer en ik prima konden ravotten, o.a. met onze meegebrachte rubberen Fina opblaasbare bootjes en frisbees, die Ed van zijn werk bij de Fina voor ons geregeld had. En uiteraard paardrijden: veel paardrijden. Een uur met z’n tweeën voor 100 peseta’s p.p. (fl. 5,=) de heuvels rondom het park in. Machtig vonden Paul en ik dat.

Vier weken verbleven we daar en leerden Spanje op zijn mooist kennen. In het toen nog authentieke Torremolinos, waar er in 1969 nagenoeg geen Hollandse eet- en drinktenten te vinden waren, maar b.v. wel de Biercellar (inderdaad, een bierkelder met veel lange tafels) en waar het treintje nog dwars door de straat reed, vonden we uiteindelijk 1 (soort van) snackbar, waar we een keer frites kochten. Hebben we geweten. Onze magen waren toen nog niet zo bestand tegen de Spaanse olijfolie, waar het in gefrituurd werd. Tel daar de zure saus, wat de Spanjaard mayonaise bedoelt, bij op en je begrijpt dat we wel wat maag-krampen te verduren hebben gehad en uiteraard bezoeken aan de nooit zo frisse toiletten. Was wel zonde van de tijd.

Maar de toen nog kleine onbedorven dorpen,  zoals o.a. Fuengirola, Mijas, Estepona, Casares en Ronda waren nog zo onaangetast door het toerisme dat het bijzonder leuk was die te bezoeken. In die weken hebben we al die plaatsen wel bezocht.

Maar het verblijf op Calypso beviel zo goed, dat we een jaar later, in 1970, met de hele familie voor 3 weken terugkeerden op hetzelfde park. Er waren nu 2 bungalows voor 8 personen naast elkaar geboekt en de 2 oudere broers Ed en Peter betrokken met hun vriendinnen Gabriëlle en Yola de andere bungalow. Naast de dagen, die we op het strand van Calahonda bij Calypso doorbrachten (waar toen nog maar een enkel strandtentje te vinden was met aangename prijzen) was het veelal stappen met en zonder broers. Het was in 1971 nog steeds te betalen: op een klein terrasje in een achteraf straatje kostte een biertje (San Miguel) 8 peseta’s (40 cent). Avondje met z’n drieën stevig (Martini) doordrinken in de Ierse pub Esmeralda in Fuengirola en je was hooguit fl. 15,= kwijt. Dat waren nog eens tijden.

 

Ton (17, links) en broer Paul, 15.

Het laatste jaar dat we vanuit Den Haag op vakantie gingen was in 1971. Dit keer niet naar Spanje maar Pa en Ma hadden 2 weken een huisje geboekt bij Sporthuis Centrum in het bungalowpark het Vennenbos, nabij Valkenswaard. Het huisje was groot genoeg voor 5 personen en ouders vonden het best als mijn jeugdvriend Peter de Vries meeging. Aangezien we daar wel mobiel wilden blijven gingen we samen op de Mobylette. Paul reed met onze ouders in de auto mee. Het zal die vakantie niet echt spannend geweest zijn, want de enige dingen die ik mij kan herinneren is dat mijn oudere broer Peter met zijn vriendin Yola een keer op bezoek kwamen en dat er een kabelbaan in de speeltuin hing. Zelfs geen vakantieliefdes. En in de disco speelden ze toen veel de hit van Jethro Tull, Thick as a Brick.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1280px-Jethro_Tull_-_Wuppertal_2009_25_ies.jpg

Met broer Ed en a.s. schoonzus Gabriëlle gingen we soms ook op pad. Zij waren fervente kampeerders, ik maar incidenteel. Ik had er geen hekel aan, maar het kwam er na de verkenners niet meer zo van. Maar met Hemelvaartsdag 1972 gingen wij toch met een afgeladen VW Kever voor het lange weekend naar een camping in Dwingeloo. Het scheen allemaal gepast te hebben: bagage, tenten en 5 volwassenen, want Paul, jeugdvriend Peter de Vries en ik gingen mee. Uit Ed’s archief kwamen deze foto’s nog. Mij was dat totaal ontgaan. 

Verhuizing Den Haag – Zoetermeer (1971)

Mijn moeder heeft jarenlang geprobeerd om via woningruil ons 4-kamerflatje in Morgenstond voor een grotere woning elders in Den Haag te verruilen. Eentje met meer kamers, maar dat wilde maar niet lukken. Geluk had zij toen zij op het stadhuis een ambtenaar van woningzaken trof, die eigenlijk zelf, dus privé, wel geinteresseerd was in onze woning in de Tinaarlostraat. Hij legde Ma’s aanvraag voor een grotere woning boven op de stapel en niet lang daarna werd ons een splinternieuwe eengezinswoning in de wijk Meerzicht in Zoetermeer aangeboden. Hij was nog niet eens afgebouwd.

Maar wat een overgang: een ruime huiskamer met tuin, een moderne open keuken, 1e verdieping drie slaapkamers en een grote badkamer met douche en via een vaste trap te bereiken een grote zolder over de gehele woning. De oudere broers betrokken en betimmerden zelf samen de zolder (20 en 21 jaar, dus ze zouden toch niet lang thuis blijven, hetgeen achteraf klopte), en mijn jongere broer en ik een kamer op de 1e verdieping. Ouders lieten het hele huis stofferen en in november konden we er in. In de “landenbuurt” in Meerzicht, de nieuwste wijk van Zoetermeer, stad van het zelfrijzend beton (zoals ik de stad omschreef in één van mijn laatste spreekbeurten). Via de Meerzichtlaan verbonden met de oude, gezellige, nog kneuterige dorpskern.

 

Boerhaavelaan kruising Meerzichtlaan (oude staat) plm 1970.

Na een aantal jaar daar met veel plezier te hebben gewoond en het in deze wijk drukker en drukker werd, vooral met voormalige inwoners uit Den Haag, werd in de straat waar ons plein lag, de Oostergo, een bushalte geplaatst. Voor mij wel erg handig om naar school te reizen. Het betrof een NZH-lijndienst naar het Centraal Station in Den Haag. De halte voor onze deur was de laatste in Zoetermeer, dus had ik bijna altijd een staanplaats.

Vanaf die halte reed de bus via een door een slagboom afgesloten busbaan rechtstreeks naar de A12. In het begin dachten veel bewoners uit deze buurt gebruik te kunnen maken door kort achter de bus mee naar de A12 te rijden, maar kwamen allemaal van een kouwe kermis thuis. Slagboom daalde onmiddellijk na het passeren van de bus naar beneden, waardoor veel bestuurders een deuk in hun dak opliepen en opdraaiden voor de kosten van een gebroken slagboom. Gemeente moet er nogal wat van in voorraad gehouden hebben. Dit vond regelmatig plaats, dus uiteindelijk kozen automobilisten eieren voor hun geld en namen maar weer de oprit bij Nutricia, hetgeen in de drukte in Zoetermeer en file op de A12 zeker een kwartier extra tijd kostte.

Iets minder voor de bewoners in die omgeving was het dat de slagboom middels een zender vanuit de bus geactiveerd werd. Kennelijk vond dit plaats ter hoogte van onze woning want telkens als de bus voorbij reed sprong onze televisie op een andere zender, waarschijnlijk doordat de frequentie van de afstandsbediening van de TV en die van de bus hetzelfde was.
Ik bedenk mij nu: zouden we nou nooit met die TV-afstandsbediening even bij die busbaan gestaan hebben, evt. met auto? Misschien dat mijn broers daar uitsluitsel over kunnen geven…. “Ik heb daar geen herinnering aan.”

Wellicht was de verhuizing naar Zoetermeer voor mij juist op tijd gekomen. Ik begon door te krijgen dat sommigen van mijn Haagse “vrienden” (niet Peter de Vries, die ging bij de belastingdienst werken) het slechte pad verkozen en volgens mij was ik toen best beïnvloedbaar. Je wilde je vrienden niet laten vallen, natuurlijk.

Vanaf dat we in Zoetermeer woonden, moest ik wel met mijn brommertje bijna dagelijks over het fietspad langs de A12, dwars door Voorburg langs station Staatsspoor (vanaf 1973 Den Haag Centraal) naar Bezuidenhout, waar ik het laatste jaar van mijn school af wilde maken. Soms kon ik met de Simca 1100 van Pa tot het station meerijden, terwijl hij dan onderweg voor zijn werk naar kantoor aan de Conradkade in Den Haag reisde. 

Maar wat een ruimte kregen we in het nieuwe huis en dan niet alleen de woning, maar ook de nieuwe omgeving. Ruim opgezette wijken met nieuwbouwwoningen aan gezellige pleintjes en (toen nog) veel parkeerplek.

In die tijd was Zoetermeer een forenzen gemeente en groeide rap qua inwonertal. Van zo’n 25.000 inwoners (met Rijkspolitie) toen wij er kwam wonen naar bijna 125.000 inwoners (met een behoorlijk korps Gemeentepolitie) zo’n 50 jaar later.

We kwamen met veel jonge gezinnen op het Schokland te wonen. Zoals gezegd: veel oud-inwoners uit Den Haag en dat schepte ook meteen een band. Vrijwel direct werden er regelmatig plein- en BBQ feesten georganiseerd. De meeste bewoners van het plein deden daar aan mee en iedereen droeg dan iets bij. Erg gezellig.

Maar verder voelden mijn jongere broer en ik ons ietwat ontheemd. Beiden hadden een behoorlijke vriendenschaar in Den Haag achtergelaten en hoewel de afstand Zoetermeer-Den Haag nu niet overkomelijk leek te zijn, was het dat om vriendschappen te blijven onderhouden in die tijd toch wel. Zoetermeer had toendertijd slechts 1 treinstation, bij Nutricia maar vandaar nog geen openbaar vervoer naar de nieuwe wijk, Meerzicht. Dat was dus lopen. Een enkele keer kwam een Haagse vriend over, maar al spoedig verwaterde die vriendschap en zochten we ons heil dichterbij.

Aangemoedigd door moeder om samen een sportclub te zoeken zodat we snel vrienden in Zoetermeer zouden hebben, probeerden broertje en ik tot een compromis te komen. Ik had bij DUNO (mgr. Nolenszlaan/Thorbeckeweg) en het in het Zuiderpark gevestigde RAVA (via de Lagere School geadviseerd) in Den Haag gevoetbald en wilde dus wel weer gaan voetballen, Paul wilde liever gaan hockeyen, waar ik niet zoveel voor voelde. Toch sloten we een compromis: we besloten lid te worden van de één jaar eerder opgerichte plaatselijke Honk- en Softbal Vereniging, toen nog “Lake Birds” genaamd. De vereniging deelde op dat moment het veld in het van Tuylsportpark in Zoetermeer met de “Meervogels”, de korfbalvereniging. Ook de kantine.

Na een paar trainingen werd ik, zonder enige ervaring, ingedeeld in het 1e seniorenteam en speelde meteen de eerste de beste wedstrijd op het 3e honk in dat team. Paul kwam, mede door zijn leeftijd, in het 2e. Vanaf dat moment heb ik daar zo’n 13 jaar in dat team gespeeld en bouwde, ook buiten het veld, daardoor leuke vriendschappen op. Jarenlang speelden we onze wedstrijden in de 1e klasse Rayon Den Haag. Slechts eenmaal promoveerden wij naar de landelijke competitie, waardoor we regelmatig op zondag (met de vrouwen) en met de bus naar de wedstrijden in b.v. Amsterdam en Breda gingen. Na afloop was het dan vaak met z’n allen naar de Chinees. Gezellige tijden.

Met sommige van de spelers, die in een jazzband speelden, ging ik het weekend mee naar hun optredens en hielp ik bij het opbouwen van de muziek-apparatuur. Met basgitarist Peter de Leeuw (nog steeds ambassade-medewerker, nu in Myanmar) en trompettist Cor van Mulligen reden we dan naar een optreden in het land en kwamen we rustig zondagsmorgens om een uur of 4 weer in Zoetermeer aan. En uiteraard ’s middags om half 3 weer een wedstrijd spelen alsof er niks aan de hand was. Vaak ook nog de sterren van de hemel. Maar ook bij het 2e, waar ik vaak nog meedeed als men te weinig spelers had, maakte ik vrienden. We hadden het best naar ons zin bij de club en de honkbal bleek (bij mij althans) de ideale sport te zijn. Tot op heden ben ik er nog lid van, nu al 50 jaar.

IKEA-Actie

In januari 2014 viel Pem een actie van IKEA Delft op, waar je als club kon inschrijven op een online stemming om een complete makeover van het clubhuis te winnen. Ik schreef daar op in, organiseerde een presentatie-middag in een sporthal dat door IKEA gefilmd werd en online gezet werd. Iedereen kon stemmen en de organisatie met de meeste stemmen zou de makeover winnen.

We waren samen met een restaurant in Rotterdam en een waterscoutinggroep in Nootdorp genomineerd en tussen deze drie ging de stemming. Al snel bleek het restaurant geen kans te maken en ook op driekwart van de stemming vielen de padvinders door oneerlijk spel door de mand (iedere minuut een stem, dat door onze IT-ers blootgelegd werd) en werd er door IKEA bij hen ruim 1000 stemmen afgehaald. Ze verloren met hun 4500 stemmen, terwijl Birds er bijna 6600 binnenhaalde. Het is nog een tijdje spannend geweest, temeer daar IKEA het resultaat van de stemming in de laatste week van die maand (om de spanning er in te houden) onzichtbaar maakte. Verder deed iedereen bij Birds mee om zoveel mogelijk stemmen binnen te halen. Ik kon zelf ook mijn contacten als secretaris benaderen en schreef de meeste honkbalclubs in (uiteraard) Nederland, Europa, USA, Australië plus alle bonden, maar ook sportclubs uit de omgeving. Reacties waren overweldigend. Iedereen gunde het Birds.

En Birds Zoetermeer won uiteindelijk de makeover en in juli 2014 was het zover.

IKEA-Delft kwam met eigen mensen (ook van kantoor) alle stoelen, tafels, bar en barkrukken e.d. gratis in elkaar zetten. Daarbij werden 6 bankstellen geplaatst en konden wij alle oude troep en krijgertjes echt weggooien. IKEA schonk ons nieuw meubilair ter waarde van zo’n € 10.000,=.

 

Trots resultaat na 5 dagen klussen. Meubilair, raamdecoratie, bar: alles IKEA

Laatste stunt die ik voor elkaar kreeg was een goedkope (want: relatie) een brede internetverbinding in het afgelegen sportpark te bezorgen via een straalverbinding met een colocentrum. Wat KPN en Ziggo en andere aanbieders weigerden en niet konden doen (commercieel niet aantrekkelijk), n.l. een kabel leggen naar het sportpark voor alle gevestigde sportclubs, hadden wij nu via de straalverbinding voor elkaar. Als eerste (honkbal)club in Nederland konden wij toen alle leden en bezoekers gratis WIFI aanbieden vanaf 2014 en wedstrijden streamen en hadden wij ook draadloze beveiligingscamera’s in het park hangen. Unicum. Bovendien werkte het nieuwe kassasysteem daar ook prima op en konden wij ook als eerste club pinbetalingen accepteren.

Sportkantine kassasystemen voor sportverenigingen

.

 

SSK Europe (Eigenaar: v.m. Hoofdklasse-speler Ferry Neuteboom)

Onze honkbal spullen kochten wij bij de enige honkbalwinkel in Nederland: Meevers Scholte op de Beeklaan en later in de Theresiastraat in Den Haag. Daar kochten wij dan onze Mc Gregor honkbalhandschoenen, spikes, knuppels en dergelijke. In de loop der jaren ging Ferry Neuteboom (een hoofdklasse speler van ADO, die op Escamp speelde aan de Dedemsvaartweg) ook honkbalartikelen verkopen. Hij deed dat vanuit zijn kelder van zijn flatwoning aan de Moerweg in Den Haag. Later opende hij zijn eigen honkbalwinkel aan het Abrikozenplein in Den Haag. Dat betrof een grote winkel, waar je echt alles van je gading kon kopen. Sinds 2016 is zijn veel grotere winkel gevestigd in Kwintsheul. Onder de naam SSK Europe maakt hij voor veel clubs in Nederland en Europa de kleding.

Ook kon je wel terecht bij het kleinere Forelle in Alphen a/d Rijn en/of Sittard, maar de sortering was daar beperkter, omdat men daar ook artikelen voor American Football verkocht. Forelle bleek het na een groot aantal jaar toch niet te redden in Alphen a/d Rijn. Sinds 2019 zijn ze daar weg en hebben nu slechts 1 winkel in Sittard. Een flinke concurrent voor SSK was het in Papendrecht gevestigde Covee Sports, maar vaak te omslachtig als je b.v. een paar sokken nodig had. Bovendien sponsorde SSK jarenlang mijn eigen cluppie Birds en kon je daar terecht voor de Birds-uniformen.

En na diverse extra functies als trainer, coach, scoorder, Bondsscheidsrechter, 15 jaar Toernooimanager Internationaal Toernooi, bestuurslid Technische Zaken en uiteindelijk 15 jaar secretaris geweest te zijn, werd ik bij mijn afscheid benoemd tot erelid van de vereniging. Slechts 2 mensen gingen mij in het 50-jarig bestaan van de club voor, waarbij er eentje slechts 2 jaar lid geweest is, maar een grote sponsor had binnen gebracht).

Door de KNBSB (de honkbalbond) werd mij gevraagd plaats te nemen in de wedstrijdcommissie van de Bond. Daar maak ik met 2 andere ervaren honkballers, elders uit het land, deel van uit en wij adviseren (soms wekelijks) de strafcommissie m.n. bij gestaakte wedstrijden aan wiens schuld het staken van de wedstrijd was te wijten. De strafcommissie bepaalt daarna dan de straf. Ik ga nu het 4e jaar van dat lidmaatschap in.

Keuringen Militaire Dienst en Rijkspolitie

In de zomer van 1972 werd ik opgeroepen voor zowel de militaire dienstkeuring als voor een eerste gesprek bij de Rijkspolitie in Utrecht. Uiteraard hoopte ik dat ik zou worden aangenomen bij de politie, want dan werd je vrijgesteld van militaire dienst. Als dat niet het geval zou zijn, moest ik vanwege de dienstplicht 18 maanden gaan dienen (ondanks dat ik de 3e zoon in het gezin was kwam ik niet in aanmerking voor een vrijstelling vanwege broederdienst. Broer Ed werd vanwege zijn rug n.l. afgekeurd dus ging de plicht over naar de volgende, naar mij dus).

Keuring voor de dienstplicht vond plaats in Delft met een zwik leeftijdgenoten, waarvan een aantal er overduidelijk geen zin in had. Maar je moest wel: als je niet kwam werd je opgehaald door de Militaire Politie. Met tegenzin ging ik erheen, maar bij de medische keuring ging het al mis: men hoorde een ruis bij mijn hart. Op een andere dag kon ik dus nog eens naar het Militaire Hospitaal in het centrum van Den Haag voor een herkeuring.
Daarna met 2 man naar de oogarts. Ik mocht even gaan zitten. Arts legde eerst die andere knaap uit dat hij één hand voor een oog moest houden en daarna de figuurtjes die hij het best zag op het bord moest opnoemen. Je kent dat wel. Droog antwoordde die knaap: “welk bord?”. Ik ging stuk.

Bij een andere arts ging het al niet anders. Samen met een knaap, gekleed in een doodgravers kostuum en zwarte hoge hoed zaten we in zijn spreekkamer. Die andere knaap vroeg de arts op te schieten, want hij had over anderhalf uur nog een “klusje”. Arts vroeg aan hem wat hij daarmee bedoelde, waarna die knaap voor het raam ging staan en naar beneden wees. Gedrieën keken we naar beneden: daar stond een heuse lijkwagen. In het parkeerverbod op de stoep. Die knaap was ook zo vertrokken, maar volgens mij meteen goedgekeurd.

’s Middags was het tijd voor de morseseintest (afgeschaft in het jaar 2000). Op vrijwillige basis mocht je een test maken, waaruit zou kunnen blijken dat je geschikt bevonden zou kunnen worden voor een functie als telegrafist of marconist. Ik geloof, dat ik het niet langer dan een minuut of 20 volhield. Ik werd gek van die piepjes. En met mij ook velen.

De herkeuring dus. Samen met mijn moeder in mijn Kevertje naar Den Haag. Ik kreeg een dikke witte brij te slikken, wat, naar later bleek, magnesiumpoeder was. In een beker had men daar wat siroop (voor de smaak) toegevoegd en bij iedere slok werd er een röntgenfoto van mijn binnenste gemaakt. Dat ging, zij het moeilijk,  uiteindelijk wel prima. Ik moest wel: ik besefte dat ik er niks mee opschoot als ik afgekeurd zou worden. Ik wilde naar de politie.

 

Militair hospitaal aan de Muzenstraat sinds 1812 (!)
In 1974 gesloopt.

Maar op de terugweg naar huis ging het niet meer zo lekker: ik kreeg ik al snel in de auto flinke krampen en moest bij het Chevron benzinestation aan de Laan van Nieuw Oost Indië snel een toilet opzoeken. Witte brokken kalk kwamen er uit. Die dag vond dat nog een keer of 2-3 plaats. Van lieverlee ging dat wel weer wat beter en na een dag leek alles verdwenen.

Ik had dus toen al mijn LEAO-diploma en zat in de 2e en 3e klas van de Detailhandelschool. Geen idee waarom, maar ik mocht die 2 klassen in 1 jaar doen, hetgeen ik ook deed.  Ik moest daarna alleen de 4e klas nog doen om ook dat diploma te halen. Omdat ik al in de eerste paar weken van dat schooljaar mijn leraar Nederlands, mijnheer Lintel, constant verbeterde, stuurde hij mij de klas uit en gebood mij het hele jaar bij het vak Nederlands weg te blijven. Geen punt. Was wel prettig, want ik zat vooraan in de klas, recht voor zijn bureau en hij sprak altijd, zoals wij zeiden, met consumptie. Ook wel vloeiend Nederlands. En Nederlands hadden wij wekelijks een paar keer het 1e uur. Dat trof.

Dat eerdere sollicitatiegesprek op het hoofdbureau aan de Burg. De Monchyplein was een belevenis. Gesprekken verliepen wel goed (dacht ik) en door de sporttest kwam ik fluitend. Aan het eind van de dag kreeg ik wel te horen, dat ik op alle vlakken was goedgekeurd, maar dat men mij nog niet aannam vanwege mijn borstomvang. Ik was ook nog maar een jong pikkie van 16. Een knulletje. Toen zag ik dat niet zo, maar een paar jaar later begreep ik dat volkomen. De Haagse Politie adviseerde mij een jaar later terug te komen. Mede hierdoor volgde ik IJsbrand’s raad op en bleef dus op school.

Ik haalde mijn eindexamen (ondanks de “6” van Lintel op het mondeling examen, de rat) waardoor ik door een goed eindgemiddelde ook mijn Middenstandsdiploma haalde. Altijd handig, dacht ik. Achteraf bezien onnodig geweest. Nooit gebruikt, maar ik kreeg het er bij. Ik moet bekennen, dat ik door de heer Schilperoort, leraar Duits, wel een beetje gematst werd. Mijn Duits was zozo, een vijf, zeg maar, maar op het mondeling examen gaf hij mij een 6, waardoor ik dus uiteindelijk slaagde. Hij wist dat ik graag naar de politie wilde, dat ik ver in de sollicitatieprocedure zat en hij gunde mij kennelijk die baan. Schilperoort was een goede vriend van Hans Wiegel. Hij vertelde er vaak over. Het staat mij nog zo goed bij, dat hij het over Wiegel had en dat hij zag dat hij er een hele andere mening in de Tweede Kamer op nahield, dan wat hij zelf voor ogen had. Tja, dat is nu nog steeds niet anders. Partij-discipline noemen ze dat. 

Het was een warme zomerdag, maar ik wilde er persé picobello uitzien dus in een nieuw blauw kostuum (plus geel overhemd en stropdas) toog ik als 19-jarige per trein naar Utrecht en wandelde vanaf het Centraal Station naar de Fentener van Vlissingenkade. Het moet er koddig (en misschien wel modderschuitachtig) hebben uitgezien, besef ik nu, want ik droeg nooit kostuums en ik weet nu hoe iemand er uitziet die zelden of nooit een pak draagt. Laat staan een goedgeknoopte stropdas. Tijdens dat gesprek passeerde een boel onderwerpen de revue, zoals schooltijd, hobbies, sport, nieuws, beetje politiek,  reden van solliciteren enz.

Goed, eerste gesprek verliep kennelijk prima, want niet lang daarna werd ik opgeroepen voor een sport- en medische keuring. Sportkeuring vond plaats eveneens in Utrecht in een gymzaal tegenover de Fentener van Vlissingenkade. Medische keuring verliep met hobbels, daar men bij mijn hart een ruis hoorde. Na eveneens een medische herkeuring bleek wat men hoorde bij mijn hart niet onoverkomenlijk en werd ik goedgekeurd. Later, bij een eigen keuring bij de huisarts die ik wilde, omdat ik mij toch zorgen begon te maken, bleek deze hetzelfde te horen, maar verzekerde mij dat de oorzaak een sporthart was. Ik werd gerustgesteld, want:

Een sporthart, ook wel atletenhart genoemd, is een sterk vergroot hart dat is ontstaan door een verdikking van (vooral) de linker hartwand en verwijding van (vooral) de linkerhartkamer. De oorzaak is een intensieve sportbeoefening. Een sporthart kan geen kwaad.

Maar ’s ochtends dan ook de uithoudings loopproeven, wandrek klimmen, bok- en kastspringen, touwklimmen alleen met gebruik van armen, bal met voet wegschieten (kracht werd bekeken) en meer van dat voor mij eenvoudige en soms zelfs lachwekkend kinderachtige oefeningetjes kwamen voorbij. Peuleschilletje. Dan een pauze en met ons broodje zaten wij met alle sollicitanten aan de waterkant van die kade, allemaal toch ietwat zenuwachtig want het was toch wel spannend, alhoewel niemand echt besefte dat het zijn toekomst wel eens finaal op de kop zou kunnen zetten.

Na de lunch ’s middags was het tijd voor de psychologische test. En dat was leuk. Simpele oefeningetjes, radartjes logisch volgen, makkelijke reken- en taalopgaven, tekeningetjes maken, inkoppertjes en strikvragen. Grappig allemaal, zo zag ik het, terwijl het eigenlijk bloedserieus was. Als je alles gedaan had, mocht je vertrekken. Ik was nummer 2 van de 20, die mocht vertrekken.

Niet veel later kreeg ik de laatste oproep. Wederom een gesprek, maar met een psycholoog en iemand van het selectiebureau. Ik kan mij er niet veel meer van herinneren, behalve dat ik er niet tegenop zag. Ik weet, dat ik er toen redelijk onbevangen in stond, wellicht omdat ik mij als jonge gozer niet voldoende realiseerde, wat de impact was van het feit, als ik zou worden  aangenomen. Want dat gebeurde: ook dat gesprek viel n.l. in goede aarde en ik begreep dat ik door alle testen was gekomen en dat ik mij moest gaan voorbereiden op een uitnodiging om op een bepaalde datum mij te melden aan één van de twee Nederlandse Rijkspolitie Opleidingsscholen. De grootste in Apeldoorn, nadat de aloude school in Arnhem ging sluiten en een iets kleinere in Herkenbosch, Limburg. Een paar jaar later kwam er ook eentje in Harlingen. Dat had mijn latere klasgenoot Willem Jas moeten weten. Die woonde op Texel en moest al op zondagmiddag van huis vertrekken om op maandagochtend op tijd aanwezig te zijn. Dat lukte dan wel en arriveerde hij altijd op zondagavond al op school. Had ik wel een beetje mee te doen.

Het werd Apeldoorn, maar ik moest nog wel een paar maanden tot 1 oktober 1973 wachten voordat ik mij daar moest melden. In de tussentijd ging ik dus bijverdienen. Ik zat nooit stil.

Perziken laden Hoek van Holland

De trainer van mijn honkbalteam, Hans Knaapen, werkte bij een transportbedrijf in Vierpolders, maar zocht in de zomer een aantal knapen, die (hard) konden werken in de haven van Hoek van Holland. Daar kwamen n.l. treinen met koelwagons aan uit Italië, volgeladen met perziken. Die perziken moesten meteen worden overgeladen in trailers, die dan daar de boot opgingen op weg naar Harwich, Engeland. Het zou lekker betalen, dus ik meldde mij (samen met mijn toen werkloze broer Ed) aan. En dat was handig: Ed had een auto.

We begonnen op een maandagochtend en reden met Ed’s blauwe kevertje het douane-terrein op. Wij mochten dat. Ons onderkomen werd aangewezen maar was niet veel meer dan een lege trailer. Nadat we onze spullen (luchtbed, slaapzak, tandenborstel) daar in de trailer gelegd hadden, gingen wij de boel verkennen. Spannend was zo’n eerste dag best wel: je bevond je op een terrein, waar je normaliter niet mocht komen.

Maar erg lang konden we niet rondkijken: onze eerste “wagons” kwamen binnenrijden.

Volgens mij 3 stuks. Ieder geladen met 22 ton perziken, weet ik nog. We waren met een ploeg van 6 man, voornamelijk honkballers en dus ook mijn oudere broer, die daar aan het laden en lossen sloegen.  De lege trailer werd met zijn open achterkant dicht tegen de geopende deuren van de wagon gezet en in de trailer werd een mobiele rollenbaan (zie afbeelding) geplaatst. Vanuit de wagon werden de kistjes perziken op de rollenbaan gezet en de trailer ingeduwd en opgestapeld.

Na enige wagons gelost te hebben, wisten we dat we over 1 wagon anderhalf uur deden en uiteraard wisselden we telkens van positie: de ene positie was wat zwaarder dan een andere.

Eén wagon leverde ons fl. 6,00 per ton op, die we door 6 deelden (dus ieder Fl. 33,= per wagon). Die 3 wagons leverden ons dus zo’n Fl. 75,= per persoon op. Dat was goed betaald, maar ook hard werken. Je kreeg er door de fruitkistjes, ondanks handschoenen, best ruwe handen van. Bovendien was het werk zeer onregelmatig. Het kwam diverse malen voor dat we ’s nachts, rond 02.00 of 03.00 uur, juist behoorlijk vermoeid de slaapzak in de trailer opzochten en dat we na een uurtje alweer gewekt werden omdat er één of meerdere wagons het station waren binnengelopen. Daar had je natuurlijk niet altijd evenveel zin in, maar de verdiensten waren goed, dus daar gingen we voor.  En dan kon je b.v. om 07.00 uur weer je slaapzak in om er om 08.00 uur weer uitgehaald te worden. Zeer vermoeiend.

Treinen kwamen de gehele dag zeer onregelmatig binnen maar geen hond wist wanneer, dus wij moesten gewoon 24/24 paraat zijn en constant klaar staan om te werken. Wel konden we af en toe even naar een café in “de Hoek”, waar we dan meestal een uitsmijter aten en af en toe een biertje dronken. Daarvoor at ik nooit uitsmijters maar sindsdien vind ik ze – in diverse variaties – erg lekker. Daar geleerd, dus.

Jammergenoeg kon ik, in tegenstelling tot Ed, die er nog een week perziken laden achteraan plakte, daar maar 1 week werken, aangezien ik na die week o.a. met ouders en broer Paul op vakantie naar Torremolinos in Spanje ging, maar ik weet dat ik in die week zo’n 500 gulden had verdiend en dat dat ruim voldoende was voor mijn rijlessen, die ik na de vakantie meteen nam.

Na 9 rijlessen voor fl. 9,= gulden per stuk en examengeld van fl. 38,= slaagde ik met 40 punten theorie (alles goed) voor mijn rijbewijs in 1972. En ik hield nog wat centjes over. Ik was een half jaartje 18 en had mijn rijbewijs.  Als “beloning” mocht ik meteen een dag Ed’s Kever lenen dat ik uiteraard graag deed en met boezemvriend Peter de Vries een rondje maakte naar Rotterdam Blijdorp en weer terug. Wel langs de Schie, zoals de bus ook deed. Pa’s auto kregen we nooit te leen. Nooit.

Na de vakantie waren er geen perziken meer te laden. Maar ik moest nog meer tijd overbruggen tot aan de politieschool, dus kroop ik dankzij mij Pa in een Caltex overall en werd ik pompbediende bij het benzinestation aan de A12, toendertijd bij de oprit Nutricia in Zoetermeer. Pa werkte op het hoofdkantoor van de Caltex in Den Haag en regelde dat soort baantjes voor mij en mijn broers. Broer Peter heeft daardoor een tijd aan de A13 gestaan bij (toen nog vliegveld) Ypenburg en ook aan de Laan van Nieuw Oost Indië in Den Haag.

En ook broer Paul heeft aan de A12 gestaan. Dat waren altijd fijne bijbaantjes. Wat waren wij blij dat de zelfbedieningspompen nog niet waren uitgevonden. Ook daar verdienden wij best wel aardig, vooral ook door de fooien. Dat je dan werkte met (in onze ogen) bejaarde werknemers als chef Waanders en bedienden als Koos (als drankverslaafde met altijd 3 flesjes bier achter in de personeelsruimte) en Hikke (die ook een viswinkel in de Dorpsstraat in Zoetermeer had) maakte niet veel uit. Ze waren wel makkelijk in de maling te nemen. Toen al vonden ook berovingen plaats, want Hikke was kort voordat ik daar begon bij een overval in zijn been geschoten. Bij het wegrestaurant (v.d. Meer, meen ik) haalden we van de fooi regelmatig een dikke reep chocolade, die we deelden.

Caltex benzinestation rijksweg A12 Zoetermeer 1970

Na een half jaar daar gewerkt te hebben, werd het nieuwe benzinestation aan de A12, ongeveer 500 meter verderop geopend. Het was meteen ook geen Caltex meer, maar was Chevron geworden. Ik had de eer om daar de eerste werknemer te zijn die benzine tankte bij een klant. Dat was weer een hele vooruitgang. Mooie, moderne pompen, mooi verblijf, een apart pompeiland nabij de uitrit met een snelpomp diesel (voor bussen en vrachtwagens), waar de diesel met 110 liter per minuut de tank inspoot. Dat was dus een pomp, die je niet vast kon zetten en waar je dus altijd bij moest blijven. Met vooral Duitse buschauffeurs, onderweg naar de Keukenhof kwamen vaak zo’n 700 liter diesel tanken in hun twee dieseltanks. En daarna vaste prik even de weg wijzen met een riedeltje, dat ik nog steeds uit mijn hoofd ken:
                                                                 “immer gerade aus und dan rechtsab die Autobahn”. 

Ook met buitenlandse, bijna alleen Duitse,  vrachtwagenchauffeurs waren we altijd erg blij: die gasten gaven via hun DKV-betalingswijze (soort creditcard van de baas) altijd een ruime extra fooi. (Als zij maar extra sigaretten en snoep mochten bijschrijven). Daar maakten wij uiteraard nooit bezwaar tegen.

Chevron benzinestation, 1971, A12 (tegenwoordig Knorrestein/Texaco, maar dan iets verder richting Nootdorp)

 

In die tijd reed ik in een lichtgroene Kever, die ik ooit voor fl. 150,= gekocht had, maar waar eigenlijk een andere motor in moest. Chef Waanders had in Zoetermeer een garagebox en nodigde Paul en mij uit te helpen bij het verwisselen van de motor. De motor kwam uit Ed’s oude blauwe kever, die door roest naar de schroothoop moest, maar waarvan de motor nog prima bruikbaar was om in mijn lichtgroene kever verder dienst te doen.

Met VW-Kever over de kop

Na een paar uurtjes onder Waanders’ supervisie sleutelen waren wij trots dat we weer een goed rijdende kever tot ons beschikking hadden. Voor een tijdje dan, want aan het eind van de hete zomer reden we over van Leeuwenhoeklaan en namen we de bocht naar de Boerhaavelaan in Zoetermeer. Door nattigheid was de weg wat glad, waardoor we over de kop gingen en op z’n kant in de middenberm belandden. We kwamen pas tot stilstand na met het dak 3 jonge boompjes omver te hebben gereden. Paul, die eerst naast mij zat, bleek nu ineens op de achterbank te zitten en ik, eerst achter het stuur zat op zijn plaats. De kever lag op zijn linkerzijkant, dus de deur aan de rechterkant (nu bovenkant) werd opengetrokken en een onbekend gebleven persoon, die naar binnenkeek riep ons toe: “wat doen jullie nou?”, waarop Paul droogjes (maar misschien van de zenuwen) antwoordde: “Tja, zo gaan we altijd een bocht door”.

 

70-er jaren…

Toen we er eenmaal uitgeklommen waren en we de kever op zijn wielen gezet hadden, ontwaardden wij de schade. Inderdaad 3 boompjes omver en een kuil in het dak van de kever, maar nadat de contactsleutel werd omgedraaid, liep de kever weer als een zonnetje en konden wij onze weg weer vervolgen. Na een melding aan de gemeente te hebben gemaakt kreeg ik enige tijd later de rekening van de plantsoenendienst toegestuurd: fl. 75,- voor 3 nieuwe boompjes. Boompjes werden overigens pas 2 jaar later geplant.

Doordat daarna bij regen er nogal wat water op het dak bleef liggen dat daardoor roest ging vertonen, hebben wij wat later bij de benzinepomp aan de rijksweg een autokrik op de vloer van de kever gezet, daar verticaal een balk opgezet en de kuil in het dak zo goed en zo kwaad als het ging met krikken uitgedeukt. Het dak bleef wat hobbelig, maar er bleef geen water meer op liggen. Althans, niet meer zo veel.

Inmiddels was de datum bekend, waarop ik mij moest melden in Apeldoorn: 1 oktober 1973. Ik werd nu wel wat nerveuzer en begon zelfs te twijfelen of ik wel zou gaan.

Het toeval wilde, dat ik de dagen ervoor juist mijn huidige vrouw, Pem ontmoette, waar ik op 28 september op het havenhoofd in Scheveningen verkering mee kreeg. Een mooie dag, maar bracht mij door de vlinders toch aan het twijfelen om die maandag naar Apeldoorn af te reizen en een jaar intern te gaan. Ze gaf mij echter dat zetje om gewoon door te zetten. Bovendien: anders had ik de militaire dienst in gemoeten en was ik 18 maanden weggeweest en nu, als het goed zou gaan 12. Overigens zijn we nu, na 47 jaar samen en daarvan 43 jaar getrouwd, nog steeds samen.  

Eerste dag Politie Opleidingsschool Apeldoorn

Op maandag 1 oktober 1973 was het zover. Voordat ik voor een nieuwe episode in mijn leven voor een jaar intern naar de Opleidingsschool van het Korps Rijkspolitie vertrok, was ik op de zaterdag ervoor nog even naar de kapper geweest om het haar, wat op mijn schouders hing, wat korter te laten knippen. Na de kapper viel het niet meer op mijn schouders, maar ruim over de oren. Ik voelde mij daar niet lekker bij, maar vooruit: alles voor een goed doel en niemand die mij kende, die ik tegenkwam daar in Apeldoorn.

Met mijn koffertje reisde ik per trein naar Apeldoorn. Op het station stond een buschauffeur in politie-uniform met een bordje “opleidingsschool RP” klaar. Buiten het station stond een niet zo luxe, oudere manschappenbus in RP-blauw, voorzien van het wapen van de Rijkspolitie. Aan de Arnhemseweg 348 bevond zich een oud klooster, dat al enige tijd dienst deed als politie opleidingsschool. De volle bus bracht mij en mijn mede studenten daarheen.

Een enorm historisch, groot in het vierkant gebouwd klooster waarin zo’n 20 klassen met ong. 25 aspiranten hun opleiding tot wachtmeester der Rijkspolitie volgden. De klassen waren op de eerste verdieping, rondom met in het midden een binnentuin. De kamers van de studenten waren op de 2e verdieping, inclusief toiletten en een batterij douches. Lichtingen waren er om de 3 maanden, maar de mijne was 73/5.

De ontvangst was vreemd. Ik liep naast een knaap de 5 grote treden naar de enorme toegangsdeuren op en hoorde dat hij zei: “O, die deuren zijn mij veel te groot, ik ben weg hier”. Hij draaide zich om en met zijn koffer liep hij zo de poort weer uit. Ik moest daar dan weer wel om lachen. Op een bord in de hal kon ik lezen, dat ik was ingedeeld in klas “K” en dat ik naar recreatiezaal 2 moest. Er waren er 2. Even een handje schudden, voorstellen en een bak koffie.

Toen mijn groep compleet was werden we voorgesteld aan de beide klasse-docenten: adjudant de Jong (voorheen gewerkt hebbend op de landgroep Bunschoten en Spakenburg) en wachtmeester der RP 1e klasse Meyer, (als hoofdagent afkomstig van de gemeentepolitie Woerden). Adjudant de Jong ging even een rij nieuwe mede-studenten af, waar hij bij veel mensen wel wat op hun uiterlijk had aan te merken. Baarden en snorren waren b.v. verboden en ook ik moest na de eerste week alsnog nog een keer naar de kapper. Tattoos zag je zowiezo niet: als je die had werd je niet eens aangenomen. Alhoewel ik juist voor het weekend al geweest was, kon ik een week later nog eens, omdat de adjudant het nog te lang vond. (En na die week, op de maandag, stuurde hij mij ’s avonds alsnog een keer naar de dienstkapper, waar ik voor fl. 2,50 nog eens een keer geknipt werd. Haren echt helemaal weg bij mijn oren. Dat was balen; zo kon ik mij toch niet in de Haagse Marathon vertonen? Ik deed dat toch en het viel mee).

De Jong, hoofddocent, legde uit, dat hij les zou geven in de hoofdvakken (Strafrecht, Strafvordering, Staatsinrichting en Burgerlijk Wetboek) plus het schrijven van processen-verbaal (misdrijf en overtreding) en rapporten en adviezen.

Meyer nam de Bijzondere Wetten voor zijn rekening als Vuurwapenwet, Wapenwet, Wet Wering Ongewenste Handwapenen (bv nunchaku-stokjes), alle verkeerswetten (als Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, Wegenverkeerswet en Wegenverkeersreglement, Rijtijdenwet, Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen) en de natuurwetten, zoals Jachtwet, Visserijwet, Vogelwet en andere bijzondere wetten en besluiten, zoals b.v. de Zondagswet, Wet op de Lijkbezorging en het vlaggenbesluit.

Op de 2e verdieping werd je kamer(tje) aangewezen, waar ik het komend jaar met 2 klasgenoten zou samenleven. Ik werd ingedeeld bij een jonge Limburger (bijgenaamd Sjeng) en een 20 jaar oudere man, Bert Visser (niet de cabaretier), vader van 2 kinderen. Jongste klasgenoot was net een maand 18 en de oudste, Fred Stolwijk, was 48. Ikzelf was 19.

In de kamer stond je eigen metalen kast, waar al je bezittingen en kleding in moest, een klein tafeltje met een stoel en een bed. Vanaf dat moment moest je dus iedere dag je eigen bed opmaken. Dat was ik niet gewend. En je moest het nog goed doen ook: met militaire precisie want er waren dagelijks inspecties. En wee je gebeente als er iets fout was: je had zo een extra wachtdienst te pakken. Ook in je vrije weekend. En die was voor mij heilig, dus ik paste wel op.

Gedurende de dag werden je spullen, zoals uniform, sportkleding en andere uitrustingsstukken uitgedeeld. Veel passen en meten en na de lunch diende je in uniform te verschijnen. Op iedereen hadden de docenten wel wat aan te merken: zo werd mij te verstaan gegeven, dat mijn haar veel te lang was en dat ik het weekend naar de kapper moest (en dit, terwijl ik 3 dagen geleden nog geweest was), maar het moest kort. Erg kort. Snorren, baarden en tatoes waren verboden.

Je merkte onmiddellijk dat de Rijkspolitie nog een militaire organisatie was, waar men ongelooflijk hamerde op gehoorzaamheid, netheid maar het meeste op discipline. Die eerste week kreeg ik er wel de kriebels van en bleef twijfelen of ik dit wel moest doen. Altijd een beetje een vrije jongen geweest en dan kreeg je nu dit over je heen. Maar goed, ik hield mij dan telkens maar voor dat ik anders mijn dienstplicht moest gaan vervullen en daar zat ik niet op te wachten, want ik had al verhalen gehoord, dat het daar niet veel beter was. Bovendien praatte mijn vriendin mij telkens wel weer terug. Uiteindelijk begon ik aan die discipline te wennen en ik moet zeggen: ik werd er niet slechter van.

(Toen de school nog een seminari was tot 3 jaar ervoor. Zonder dames maar inrichting was identiek.)

 

We kregen het dagelijkse rooster: tussen 07.00 u en 08.00 u ontbijt in de eetzaal, een ongelooflijk grote zaal met een pad in het midden, maar aan weerskanten rijen met zo’n 50 lange tafels.

Iedere ochtend, 5 dagen in de week, vanaf 08.00 uur tot 17.00 uur in de klas (met 10 minuten rookpauzes), tussen 12.00 u en 13.00 u lunch, warm eten vanaf 17.15 uur en van 18.00 u tot 20.00 u verplichte studie op je kamer, in uniform. En onverwachts kon je altijd gecontroleerd worden, dus je haalde het niet in je hoofd even op bed te gaan liggen of je vrijetijds kloffie aan te doen in die studietijd. Dan zwaaide er wat.

Maar daarna was je vrij, echt waar. Maar wel licht uit om half 11. En altijd weer oppassen voor controle. Maar goed, terwijl je op school zat verdiende je al. Een schamele fl. 490,= maar toch. Ik bofte, dat ik 2 klasgenoten mee kon laten rijden zodat we de benzinekosten deelden en we alle drie dan ook iets van de reiskostenvergoeding maandelijks overhielden. Klasgenoten reden mee naar Gouda.

In die tijd ondergingen we in het land ook de oliecrisis. Kabinet Joop den Uyl had bepaald dat vanaf 4 november 1973 tot 6 januari 1974 we verplicht autoloze zondagen hadden. Op zondag mocht je je dus niet vervoeren per auto, tenzij je ontheffing had, b.v. vanwege werk en je niet anders kon. Iets later ging de benzine ook nog op de bon, omdat olieproducerende landen de olieprijs met 70% hadden verhoogd en er zo dus een kunstmatig tekort aan olie ontstond. We hebben dus 11 autoloze zondagen gehad.

Dat betekende dat de doorgaans drukke A12 een grote rolschaatsbaan werd. Omdat wij op maandagochtend (heen naar politieschool) en vrijdagavond (terug naar huis) reisden, hadden we er geen last van. Ik weet wel dat er een levendige handel in benzinebonnen was, daar veel mensen meer bonnen hadden, dan benzine nodig hadden en anderen veel wilden kunnen rijden.

 

Autoloze zondag A12 – Zoetermeer 1973

Het was een intensief jaar. Met ups en downs. Uiteraard leerde ik ontzettend veel en vond ik ook veel vakken interessant. Om die reden weet ik b.v. nog steeds wat een Dijkstoel en Dijkgraaf is. Zoek dat maar eens op: dat weten er niet veel, maar wij kregen dat bij Staatsinrichting. Mijn favoriete vak.  

Door mijn duidelijke, kleurrijke aantekeningen die ik in mijn ringband maakte n.a.v. de zaken die de docenten via een overhead-projector ons voorschotelden, ging het leren mij redelijk af, uiteraard mede doordat vele zaken ook wel mijn interesse hadden. Ik was geen topstudent (hetgeen ook wel kwam dat ik niet slijmde bij de docenten, merkte ik), maar deed lekker mee.
Sport was bijna altijd leuk, maar met enkele loopsporten had ik niet veel.

Ik had b.v. een bloedhekel aan de wekelijkse boslopen van 10 km, kort nadat je op maandagochtend op school was gearriveerd. Weer of geen weer, zomer en winter was dat vaste prik. Achter de Limburgse sportdocent opperwachtmeester Gillissen de bossen van Apeldoorn in. Door greppels, ondiepe vennetjes, heuvels op, dalen in en moeilijk bij te houden. Die vent had een topconditie, maar was ook nog eens een atleet. En geoefende, sterke judoka. Afgepeigerd kwam je na dat uur naar school, snel douchen en de klas in. Zat je een behoorlijke tijd uit te dampen.

De 1500 meter op de atletiekbaan was ook al zo’n verschrikkelijke afstand. Je rende je binnen 5 minuten helemaal leeg. Bijna 4 rondjes atletiekbaan. Full speed en niet langer er over doen dan 5 minuut 10. Dat redde ik iedere keer weer net.

Maar soms smokkelde ik wel eens. Het proefexamen 10 km (eis: binnen 55 minuten) bijvoorbeeld. Dat haalde ik wel, maar had die dag echt geen zin. De 10 km was uitgemeten met 3 rondjes rond de opleidingsschool en kerk en tuinen. Het 2e rondje hield ik mij verborgen in de bossen rond de school. Bij het 3e rondje voegde ik mij stiekum weer bij de lopers, die het rondje er voor ook voor mij liepen. Ik eindigde zo op 51 minuten. Goeie score. En geslaagd voor deze test.

Andere atletieksporten waren dan weer wel leuk: ver- en hoogspringen, kogelstoten, speerwerpen, maar ook de vechtsporten als boksen, judo (gele band gehaald) en jiu jitsu. Beide vond ik altijd leuk, vaak in combinatie met de (politie-)opbrenggrepen. En altijd met vaste partner: vriend en klasgenoot Martin Grooteman. Ons valbreken in de DOJO was altijd spectaculair. We vlogen door het lokaal. Maar we leerden elkaar door en door kennen en wisten precies wat ons het beste lag. Ook voor het examen, dus hielpen we elkaar.

Het carnavalsweekend in dat jaar, dus een lang weekend, brachten we door bij broer en schoonzus Ed en Gabriëlle. Uitgenodigd om bij hen in de flat in het Limburgse Geleen te komen logeren om dat weekend het carnaval in Maastricht mee te vieren. Pem kende dat vanuit Nijmegen, maar ik slechts van de verkleedpartijtjes op school en jeugdbeweging. Maar dat was natuurlijk geen echt carnaval.

Dat werd daar in Limburg dus groots gevierd, tesamen met veel vrienden en familie. Doordat we met zovelen waren, sliepen we allemaal (man/vrouw of 12) op luchtbedden in de huiskamer. Na de eerste carnavalsavond/nacht zorgde een rood afdekplaatje op het plafond voor een hoop ophef, daar aangeschoten Jan, vriend van broer en schoonzus, daar een pingpongbal in zag. Hilarisch.

Ed had tijdens één van de logeerpartijen ooit eens een flinke teil met Sangria gemaakt, waar iedereen lekker uit kon scheppen, indachtig het Carnaval, denk ik. Paul, toen 17 jaar, deed zich tegoed aan alle fruit in de teil, maar vergat dat ook dat dat fruit daardoor flink wat alcohol bevatte. Dat werd wat later op de avond wel een grappige bedoening, waar veel om gelachen werd. Paul dronk nl nooit zoveel alcohol.

Volgende dag, zondagmiddag, was het voor iedereen bijkomen van de vorige avond, katers verwerken en besloten werd om een lange, frisse boswandeling te doen, vlakbij Geleen, waar we toen allemaal verbleven. De hele club stapte in een paar auto’s en reden naar een bos, net over de Belgische grens. Ed weet helaas niet meer welk bos dat was, maar dat doet aan het verhaal niets af.
Langs betreffend bos lag een mooie, brede strook waar we onze auto’s parkeerden, achter een flink aantal reeds geparkeerde auto’s van andere wandelaars. Ik denk een stuk of 4, 5 auto’s. Een gezellige boswandeling gemaakt maar toen we terugkwamen, stond daar de Belgische Rijkswacht onze voertuigen te noteren. Ik liep naar mijn auto en de agent, die het kenteken stond te noteren vroeg of ik de eigenaar van die auto was. Ja, dat was ik. Andere Rijkswachters hielden zich bezig met de andere auto’s. Ik bleef op dat moment wel beleefd (wellicht onze redding), maar moest wel even plaatsnemen in hun busje.
Agent vroeg mij mijn beroep en toen ik vertelde dat ik politieman in opleiding was en op de opleidingsschool in Apeldoorn zat maar niet begreep waarom we hier bekeurd werden, terwijl er nergens parkeerverboden stonden, vroeg hij: “zit je echt op de politieschool” ? Ik bevestigde dat en meteen klapte hij zijn boekje dicht, vroeg mij of we dan konden vertrekken (hetgeen we al van plan waren), stapte uit zijn busje en riep zijn collega’s bij hem. Even later zwaaiden ze ons toe en dropen af. Niemand kreeg een bekeuring….

Zomervakantie 1974

Midden in het schooljaar op de politieschool hadden we 3 weken zomervakantie en kregen we vrijaf. De bedoeling was dat ik met Pem in mijn Simca 1301 achter haar ouders en broertje zou aanrijden naar Spanje. Zij hadden daar een appartement gehuurd in Llorett de Mar. Dat was toen nog niet zo ontwikkeld als tegenwoordig en ik mocht dus mee.

Een week voor de vakantie kreeg ik flinke pech. Met de auto. Hij begon ineens meer olie dan benzine te verbruiken en een krat met olieflessen achterin de kofferbak leek mij niet zo goede oplossing. Goede raad was duur, maar besloten werd dat ik een campingvlucht zou boeken (dus slechts de vlucht) en Pem met de auto met haar ouders en broer Henk naar Spanje zouden rijden. Daags nadat zij al vertrokken waren, vertrok ook ik met een avondvlucht om 23.00 uur vanaf Schiphol, maar naar Gerona. Ik moest alleen zien hoe ik midden in de nacht van Gerona in Llorett zou komen, maar dat bleek snel opgelost. Van een vriendelijke hostess op het vliegveld mocht ik gewoon met een touringcar mee, dus rond 3 uur ’s nachts arriveerde ik in de straat waar mijn a.s. schoonouders hun appartement hadden. In een tijd, dat we nog niet met GSM’s liepen konden zij mij niet bereiken en dus niet doorgeven, in welk appartement zij verbleven. Ik zag hun auto wel staan, dus wist dat ik goed zat, dus ietwat zachtjes liep ik Pem te roepen langs openstaande ramen. Maar niemand die reageerde en of het al niet oncomfortabel was begon het ook nog eens te regenen. Ik kon nergens heen, dus kroop ik maar onder de geparkeerde auto’s om droog te blijven. Dat werkte, maar rond een uurtje of 7 liep ik alweer langs de woningen, totdat Pem mij hoorde en snel opendeed. We waren weer verenigd.

Na 2 fijne weken vakantie in Llorett de Mar werd de terugreis aanvaard: Pem en ouders en broer met de Toyoya Corolla op weg en ik mocht weer luxe plaatsnemen in het vliegtuig, waardoor ik vanuit Gerona een paar uur later alweer thuis was en na een paar dagen acclimatiseren richting de opleidingsschool kon vertrekken.

Na de vakantie meteen vol aan de bak. Het was nog zo’n anderhalve maand te gaan tot het eindexamen en indien geslaagd: afzwaaien en de praktijk in. Eerst het sportexamen dat bestond uit de eisen van de NSF (Nederlandse Sport Federatie). Dit diploma bestond uit verschillende disciplines. Als je die allemaal had gehaald kreeg je automatisch een 8 op je eindlijst. Voor de gele band bij judo (trainingen gevolgd en examen gedaan in je vrije avonduren) kreeg je een 9 op je eindlijst en had je alle 3 je (politie-)zwemdiploma’s gehaald, inclusief reddend zwemmen, werd dat op je eindlijst met het cijfer 10 beloond. Daarmee kon ik dus de mindere prestaties met het lopen ophalen, want met de rest had ik geen problemen.

Zwemexamen

Als waterrat heb ik vriend/klasgenoot Martin bij het zwemmen nog gematst. Voor het NSF-zwemdiploma zwommen wij af in een 50-meter binnenbad in Apeldoorn. Examen werd afgenomen door officiële instructeurs van de Nederlandse Sport Federatie. Zij hielden toezicht of alles goed verliep. Zo ook die dag: Martin keek er met angst naar uit, want zwemmen was nu niet bepaald iets waarin hij uitblonk en onder water zwemmen, waarvan we wisten dat dat één van de onderdelen was, waarvoor geslaagd moest worden, al helemaal niet. Integendeel, terwijl hij verder een goeie student was.

Nadat we omgekleed waren in zwembroek en ik de situatie in het zwembad zag, kon ik hem gerust stellen.

De examenkandidaten werden omgeroepen, 6 tegelijk. Ik zat (met geluk) bij de eerste 6. De eis was om van het startblok het bad in te duiken, het gehele 50 meter-bad onder water te zwemmen en pas aan de andere kant boven water te komen en aantikken. Ik stond op het 2e blok en wachtte tot mijn naam omgeroepen werd: “Snijders”! Ik stak mijn hand op en hoorde “OK, duiken maar”. Met onderwater zwemmen had ik nooit problemen en ook met deze afstand niet. Er kwam een kruisje achter mijn naam en ik verliet het bad, maar liep achter de kleedhokjes om. Halverwege, bij mijn hokje droogde ik mij snel af en was juist op tijd om in de 4e run de naam “Grooteman” te horen en op het startblok te stappen. Ik stak mijn hand op en hoorde: “OK, duiken maar”. En wederom zwom ik het hele bad onderwater. Ook Martin kreeg een kruisje achter zijn naam (!). We vonden het beiden schitterend en toostten daar ’s avonds flink op.

PTT T65 – Matilo Telephones

Eén keer in de paar weken moest je een wachtdienst draaien in de portiersloge naast de voordeur van de school. Net als ieder ander draaide ook ik wel dergelijke wachtdiensten en op de avond dat ik ook een wacht moest draaien, zag ik dat er een telefoontoestel op het bureau stond. Men had daar echter een hangslotje aan gehangen. Kennelijk werd er voorheen veel misbruik van gemaakt. Maar ik wilde die avond wel de kans grijpen om even mijn vriendin te horen, dus paste ik het trucje toe, zoals we toen wel meer deden bij een toestel met slot. Je nam de hoorn van de haak en drukte snel aan aantal keer op de plastic “haak” van het toestel het aantal keren van het telefoonnummer, wat je wilde draaien. De “0” was 10x snel indrukken, de “7” dus 7x drukken enzovoort. Als je dat voor alle (toen) 9 cijfers gedaan had, had je meestal het goede nummer en ging de telefoon aan de andere kant over, dus kon ik telefoneren met mijn vriendin. Let op: dit was in 1973, hoor en telefoonkosten waren hoog in die tijd.

Er waren 2 vakken, waar je afzonderlijk je diploma’s voor moest halen: het schieten met je 9 mm FN pistool, maar dat ging mij op de kermissen al redelijk af bij de schiettenten met hun luchtbuksen met kromme lopen. Maar ook gedurende de opleiding blonk ik met schieten altijd wel uit. (En als het een keer tegenzat gewoon tegen je instructeur zeggen dat je 3-maal door hetzelfde gat had geschoten. Dat werkte, maar eigenlijk alleen op de lachspieren…. ). Voor schieten slaagde ik cum laude, als dat gekund had.

EHBO-examen

Maar ook het EHBO-diploma moest je gehaald hebben wilde je met 2 strepen de eindstreep van school halen in plaats van 1 streep. En daar wrikte het een beetje. De cursus EHBO werd op school gegeven, maar uiteindelijk deden wij examen op de vliegbasis Deelen, nabij Arnhem en werd afgenomen door een hospik uit het leger.

Die examendag zaten wij, de kandidaten, op een stoel in een lange gang van het vliegveldgebouw. We bevonden ons naast kamerdeuren, waar binnen door de examen- commissie praktijkgevallen waren klaargezet, zodat je meteen handelend kon optreden.Er kwam een klasgenoot uit de kamer, waarnaast ik zat en die juist zijn examen had gedaan. Ik fluisterde hem: “wat tref ik binnen aan?” Hij keek of niemand het zag en fluisterde terug: “een gecompliceerde beenbreuk”. Ik werd binnengeroepen.

Ik bekeek de situatie en zag iemand naast een keukentrap liggen. De examinator vroeg mij wat ik er van dacht en ik heel wijs en in mijn naïviteit: “ik denk dat het hier een gecompliceerde beenbreuk betreft.” De examinator: “Nee, da’s helaas niet goed, dat was de situatie hiervoor.” Wat bleek? Tussen de vorige kandidaat en mijzelf had men de praktijkgevallen via tussendeuren in de kamers verwisseld.  Ik had iemand met hersenletsel aan moeten treffen en daarmee aan de slag gemoeten. Foutje, bedankt en gezakt.

Dat kostte mij dus een visite bij een huisarts in mijn woonplaats Zoetermeer om opnieuw, op eigen kosten, examen te doen. Dat was wel even zoeken, want het moest wel een bevoegde EHBO-arts zijn die ook examinator was voor het Oranje Kruis en je had toen nogal wat kleuren kruizen. Het mocht ook je eigen huisarts niet zijn. Maar dat lukte en bij hem slaagde ik. Ik kon het certificaat op tijd op school overleggen.

Doordat ik ook het NSF-diploma had gehaald kreeg ik dus een 8 voor sport algemeen, een 9 voor vechtsporten vanwege de gele band voor Judo en Jiu Jiutsu en omdat ik 3 zwemdiploma’s had gehaald, plus reddend zwemmen kreeg ik een 10 voor zwemmen op mijn eindlijst. Daar was ik blij mee, want als stadsmens had ik grote moeite met de Vogelwet (Groenling, Geelgors, kooivogels), Visserijwet (gesloten en op tijden voor verschillende vissoorten, visaktes) en Jachtwet (eveneens open en gesloten tijden).

Voordat ik naar de politieschool ging, had ik helemaal niks met die natuurwetten, maar wist door flink studeren mij wel staande te houden en begon het zelfs leuk te vinden. En wat ook geholpen heeft: de laatste paar weken heeft Pem mij flink en streng overhoord op de hoofdwetten (strafrecht, strafvordering). Die kennis zit er bij haar nu ook nog steeds in en heeft haar geholpen later met de hoogste cijfers van haar klasgenoten als BOA te slagen bij de gemeentepolitie Leiden, waar zij toen werkte.

Op 25 september 1974 reikte Generaal Rehorst, in de functie van Algemeen Inspecteur en hoogste baas bij de Rijkspolitie het politiediploma uit en legde ik bij hem de ambtseed af.  

 

Ik, onderste rij, 2e van links

Daar, in de recreatiezaal van de opleidingsschool waren ook aanwezig mijn vaste vriendin en latere echtgenote (waar ik nu, 46 jaar later nog steeds mee samen ben) en beide ouders. Ik geloof wel dat ze allemaal net zo trots waren als ik. Ook trots op mijn cijferlijst, die lang niet zo slecht was. Het cijfer 6 voor “Nederlands” heb ik echter nooit begrepen, maar dat krijg je dus als je docenten verbetert. Heb ik eerder gezien, maar ik kon er mee leven. In ieder geval kwam achter mijn naam 101 punten in de Politie Almanak 1974 te staan. Boven de 100, dus. Streven gehaald.

Het was dus een in alle opzichten enerverend schooljaar, waarin ik veel makker was dan in alle voorgaande (school)jaren, maar waarin ik van een 19-jarige knul naar 20-jarige man ben gevormd (volgens anderen, die het weten kunnen). Van discipline ben ik dus gaan houden.

Maar vanaf nu hoefde ik niet meer op maandagmorgen naar station Gouda te rijden om daar klasgenoot Leo Stuye op te halen, die per trein uit Vlaardingen kwam en daarna mijn andere klasgenoot Gé de Jong thuis in Gouda bij zijn ouders. Het hele jaar reden wij gedrieën naar Apeldoorn. Altijd gezellig en lachen, maar iedere vrijdag blij dat ik ze daar weer af kon leveren om verder het weekend te vieren. Tot de maandagmorgen.

Ook kon ik vanaf nu meestal weer aan de doordeweekse trainingen van mijn eerste honkbalteam meedoen, die ik gedurende dat jaar node heb moeten missen. Mijn team was er kennelijk blij mee, want mijn examenfeestje werd door al mijn teamgenoten met aanhang uitbundig op zolder bij mijn ouders gevierd.

Na je examen, eind september 1974, kon je op borden in de hal lezen, in welk dorp je geplaatst was zodra je van school afkwam. Ik was toen 20 en was daardoor een JC-er (jongste categorie) voorbestemd om slechts 1 jaar op die eerste standplaats te werken, waarna je na dat jaar verplicht was om naar een andere standplaats te gaan. Als OC-er (oudere categorie en vanaf 21 jaar) werd je meteen voor vast op die standplaats ingedeeld. Mijn eerste standplaats werd dus Hillegom. Ik wist dat deze plaats in de bollenstreek lag, maar moest echt even opzoeken waar dat precies was.

Afzwaaien politieschool – start praktijk Hillegom

Op 1 oktober 1974, toevallig een maand voordat de helmplicht voor bromfietsers werd ingevoerd, begon ik op de “landgroep” Hillegom. Ik zou dat jaar zoveel mogelijk met mijn mentor Kees van Oeffelen op dienst gaan. Kees was een vrolijke en aardige eerste klasser die “al” 6 jaar in dienst was. Wat ik voornamelijk van hem leerde buiten de optredens op straat, was soepel autorijden. Hij wilde bij het schakelen persé niets voelen: alles moest vloeiend.

Ik was nog geen week in de praktijk in Hillegom. Op een vroege herfst morgen, we begonnen de surveillance om 07.00 uur, kregen we de oproep van de meldkamer te gaan naar een zekere overweg in de gemeente. Deze lag tussen de bollenvelden en in de directe omgeving van de Stichting Vogelenzang, een psychiatrische inrichting. Volgens de meldkamer had er een aanrijding tussen een trein en een persoon plaatsgevonden.

Binnen enkele minuten waren wij ter plaatse en daar zag ik dat de overweg iets omhoog liep. Beneden aan de spoordijk stond een bromfiets op zijn standaard met daarop een legerpukkel (tas). Kees begreep al snel wat er aan de hand was maar moest het mij wel  uitleggen. Hij legde mij uit, dat er een zelfmoord had plaatsgevonden en vroeg mij via de mobilofoon een lijkwagen te laten komen, hetgeen ik natuurlijk – met trillende stem – deed. Toen ik terugkwam van de politieauto liepen we samen de spoordijk op in de richting van de machinist, die naast de trein stond. Lopend naast de treinbaan in zijn richting kwamen we de resten van dat persoon tegen. Maar dát had ik niet geleerd op de politieschool. We hadden daar wel (Amerikaanse) films gezien van zware aanrijdingen, maar nimmer wat je aan zou kunnen treffen bij dit soort en andere zware ongevallen. Dat zou in mijn ogen verplichte kost moeten zijn, teneinde vooral de jongsten op de opleiding voor te bereiden voor de echte wereld. Op die manier zou de schok, die ik nu kreeg, enigszins gerelativeerd hadden kunnen worden. Ik was er nooit op voorbereid, dat ik ooit menselijke resten van een spoorbaan tegen zou komen. Dat we daarbij de begrafenis-ondernemer hielpen (het was eigenlijk zijn taak) was meer service. Maar dat mensen er zo uit zouden kunnen zien na een zware aanrijding, had ik nooit beseft. Ik was zwaar onder de indruk. Kees zei: “kom, dan gaan we een bak koffie drinken” en hij liep naar de tas van het slachtoffer, haalde daar de thermoskan koffie uit en schonk zichzelf een bak koffie in. Misschien was het voor hem een overlevings strategie, die hij zichzelf had opgelegd, maar zo kwam hij niet over.

Per auto werd een andere machinist aangevoerd. Degene die de trein op het moment van de aanrijding bestuurde, mocht verder rijden, maar onder toezicht. Ook niet eerder dan nadat de voorkant van de trein schoongemaakt was. Zoals hij er nu bijstond mocht hij het volgende station, Haarlem, van de verkeersleiding niet binnenrijden.

Uit ons onderzoek bleek, dat deze jongeman van 21 als bollen-arbeider werkzaam was bij één van de bollenboeren in de omgeving, maar dat hij ook psychiatrisch patiënt was in Stichting Vogelenzang. In zijn tas werd een afscheidsbriefje aangetroffen.

Arme jongen.

Maar het werd een zware dag voor me. Ik had niet veel anders om de hele dag aan te denken en veel werd er ook niet over gepraat. In die tijd kwam je rond koffietijd op het bureau, zat je met je collega’s aan een tafel en werd er over koetjes en kalfjes gepraat. Tot mijn verbazing kwam de aanrijding slechts even ter sprake, maar daarna was het hop: de auto in. Surveillance hervatten. Hoezo professionele opvang ? Zo werkte dat toen niet. Een bak koffie en gaan. Niet zeuren.

Ongeveer 3 maanden heeft het geduurd, voordat ik enigszins over mijn angst heen was en zonder een klotegevoel betreffende overweg over reed. Als niet ik, maar een collega reed en hij ging over die overweg hield ik wijselijk mijn mond, natuurlijk, maar zat niet op mijn gemak. Ik was nu immers een volwaardige politieman (…) en daar moest je dan ook maar tegen kunnen.

Als JC-er (jongste categorie) moest ik in Hillegom in de kost, maar daar had ik niet erg veel trek in. Vanuit Hillegom was het 3 kwartier rijden met mijn Kevertje naar Zoetermeer, waar ik nog steeds bij mijn ouders woonde en belangrijker, mijn prille liefde woonde ook in Zoetermeer. Het korps had een kosthuis aan de Wilhelminalaan geregeld, schuin tegenover de begraafplaats, bij een oudere alleenstaande dame. Ik kreeg een kamer op de 1e verdieping met uitzicht op de bollenvelden. Ik vond het er bijzonder onaantrekkelijk en was ook niet van plan om er veel te zijn. Het korps had een bedrag voor kostgeld met haar afgesproken van fl. 250,= per maand. Maar niet met mij. Raar. Maar daar ik er niet veel zou verblijven kon ik met de dame overeenkomen, dat ik er alleen kostgeld betaalde voor de momenten, dat ik er verbleef en mee at. Daar ging ze mee akkoord en dus zag ze mij bijna niet meer. Thuis was het beter en zoals vermeld, bovendien had ik mijn vriendin in Zoetermeer wonen.

Met mijn Kever had ik wel wat dingetjes. Hij reed lekker, maar de startmotor weigerde meestal, ook na een tik met de hamer er op. Dus als ik met de kever in Hillegom aankwam, parkeerde ik hem boven aan de op- en afrit van het gemeentehuis. Eigenlijk heel brutaal, pal voor de voordeur. Als ik na mijn dienst dan naar huis wilde, stapte ik in, haalde de handrem er af, contact aan en in z’n 2. Koppeling op laten komen en altijd succes. In Zoetermeer deed ik hetzelfde, maar moest de auto altijd eerst even naar de kleine afrit van het plein duwen. Hij had n.l. maar een klein zetje nodig.

26er in vrije tijd aangehouden in Zoetermeer

Toch wisten broer Paul, vriendin Pem en ik ooit een dronken bestuurder met de kever aan de kant te zetten, toen wij op een avond terugkwamen van een bezoek aan Peter en Yola, die toen in Tholen woonden. Ergens bij Pijnacker richting Zoetermeer kwamen wij achter een Mercedes te rijden, die flink slingerde over de weg. Natuurlijk geen telefoon (in die tijd) bij ons en ik zat in Hillegom bij de politie. Op de Oranjelaan in Zoetermeer kon ik voor die auto komen en ben toen steeds langzamer gaan rijden. We noemden dat een schoolvoorbeeld van een 26-er (overtreding art. 26 Wegenverkeerswet). Hij gebruikte werkelijk de hele weg, beide rijbanen. Uiteindelijk kwamen we daar stil te staan en de bestuurder rook niet naar alcohol, maar hij stonk. Kon niet best op zijn benen staan.
Je kunt het niet bedenken, maar na legitimatie heb ik hem toen aangehouden en achterin de kever gezet, ik denk naast Paul… Hij liet zich gedwee meevoeren. (Moet je nu eens om komen). Maar meteen naar het bureau gereden, toen nog gevestigd aan de Vijverhoek. Overgedragen (zoals het hoort) aan de plaatselijke politie en na een getuige-verklaring konden wij door. Plicht gedaan 😉
Bestuurder bleek overigens een aannemer uit Pijnacker te zijn, met fl. 18.000,= op zak om salarissen uit te betalen. Sukkel.

Grote drukte was er op het moment, dat de tulpen gingen bloeien, ongeveer vanaf begin maart. Jarenlang moest ik, op welke standplaats ik ook werkte,  asstentie verlenen op de laatste zaterdag van april als er het jaarlijkse corso georganiseerd werd. Regelmatig was ik dan op mijn eigen verjaardag de klos als 24 april op een zaterdag viel. De bloemenpraalwagens die van Haarlem dwars door de bollendorpen Heemstede, Hillegom, Lisse richting Noordwijkse boulevard reden. Urenlang stond je langs de kant van de weg het verkeer tegen te houden. Maar als je geluk had had je dienst op de ULM (Ultra Licht Motorrijtuig), een opgevoerde bromfiets, zeg maar. Daar mocht je zonder motorrijbewijs als politieman op rijden. Dat ding haalde wel 60 km… 🙂

Eenmaal had ik dat geluk, maar het was die dag pokkeweer. Veel regen, maar het corso ging door uiteraard. Ik had die dag met die ULM dienst in Rijnsburg en reed mijn rondjes over de afgesloten wegen waarover het corso zou komen. Ik had mijn lange politie-regenjas aan, die droog al zwaar was, maar nu reed ik dus vooral in de regen. Moet je je eens voorstellen.

Een gangetje of 40, schatte ik, totdat er onverwachts uit een onafgesloten zijstraat (onbekenden  hadden even het hek weggehaald) plotseling van links een auto het parcours op kwam rijden. Ik ging vol op de remmen, waardoor de ULM, mede door het natte en spekgladde wegdek in een slip raakte en ik op die auto afstevende. Ik koos eieren voor mijn geld en sprong van de wegglijdende brommer af, maar omdat deze nog een behoorlijke snelheid had moest ik rennen als de beste om niet onderuit te gaan. Stel je voor: voor talloze toeschouwers zou het een leuk spektakel geweest zijn, als ik voor al die mensen op mijn plaat ging, maar ik bedierf hun feestje. Ik kon mij letterlijk en figuurlijk staande houden en bleef overeind. Een luid applaus van achter de hekken was mijn deel. Brommer bleek niet beschadigd, ik startte hem en ging weer verder.

Iedere JC-er werd in zijn eerste jaar in de praktijk na een paar maanden opgeroepen om verplicht de 6 weken Primaire Opleiding Mobiele Eenheid te gaan volgen bij de COME (Centrale opleiding Mobiele Eenheid) in Neerrijnen, gevolgd door 8 weken detachement op  Schiphol. In Neerrijnen ging ik (weer) voor 6 weken intern. Maar dit was wel iets anders dan op de opleidingsschool. Geen theorie meer, maar voornamelijk praktijklessen. Lessen waar vooral gehamerd werd op teamverband en collegialiteit omdat je in onverwachte situaties op elkaar moest kunnen vertrouwen.

Zes weken lang oefenden wij op verschillende technieken, waar vooral (krakers)rellen in voorkwamen, demonstraties tegen kernenergie die hot waren en die op dat moment in het land regelmatig voorkwamen. Maar b.v. ook bij schippersblokkades. We hadden er juist een paar gehad. Maar daar werd meteen op de actualiteit ingesprongen en oefenden wij in het enteren van varende rijnaken bij de Genie in Den Bosch. Je werd geleerd, waar je aan boord moest stappen en lopen, daar kwaadwillige schippers nog wel eens steunbanken onder de dekplaten weg konden halen, zodat je 5 meter naar beneden een ruim in kon vallen als je op zo’n plank zou stappen. Schandalig, maar het gebeurde.

Maar ook op het opvangen van molotov cocktails werd geoefend. En opletten of je je römerhelm in dat soort situaties wel op de veiligheidsstand had vastgezet, waardoor je collega wat makkelijker je helm bij je af kon trekken mocht de situatie zich voordoen. Dat mocht ik proefondervindelijk leren, toen mijn “maat” Theo K., die naast mij op linie stond, tijdens de oefening een slok brandende benzine over zich heen kreeg. We oefenden op het wegslaan (naar de grond) van brandende flessen benzine, maar bij hem vloog de fles omhoog en hij kreeg de brandende benzine over zich heen. De benzine liep langs het vizier naar de binnenkant van de helm. Ik zag dat gebeuren, gooide mijn schild op de grond en trok met enige moeite de brandende helm van zijn hoofd, daar deze – tegen de uitdrukkelijke adviezen in – niet op de veiligheidssluiting stond en ik de gewone sluiting moest openen. Maar daarna kon ik de helm van zijn hoofd trekken en wat makkelijker de vlammen op zijn hoofd doven. Zijn snor was flink verschroeid en geblakerd, maar hij hield er verder niets aan over en kon gewoon verder oefenen.

Zo nu en dan gingen we lekker de bossen in. Instructeurs vonden het prachtig om ons af te beulen en ons met 8 man met een loodzware boomstam door het bos te laten sjouwen. Een kilometertje of 10. Dat was zwaar. Behoorlijk zwaar.

Leuker waren de oefeningen, waarbij we op bospaden achter uit een rijdende Sankee (politie pantser voertuig, Ierse makelij) moesten springen. Met een gangetje of 50 reed het voertuig dan over de bospaden, waar we uit moesten springen. En vergat asjeblieft niet om met een grote sprong er uit te springen, anders rolde je als een boomstam daar door het zand. Sommigen leerden het nooit en kwamen onder het zand terug: dat was dolle pret. Uiteraard werd je daarvoor getrained, zodat je in situaties, waarbij je van plek naar plek gebracht werd, sneller en makkelijker op je positie kon staan, b.v. bij de latere krakersrellen.

Eenmaal hadden we de instructeurs tuk en bleken het daarna hele slechte verliezers. Tijdens één van de “VO’s” (voortgezette opleidingen, die we in het begin tweemaal per jaar gedurende telkens een week ondergingen) kregen we als peloton Den Haag een navigatie-opdracht. Men gaf aan dat het een landelijke competitie betrof, dus welk van de 19 RP-pelotons uit het land was het snelst bij het uitvoeren van deze opdracht.  De leiding gaf ons daarvoor een soort van knipkaart mee, waarop 5 opdrachten stonden die uitgevoerd moesten worden door elk van de 4 groepen van het peloton. Maar ieder afzonderlijk. We moesten er (op onze eigen manier) bewijs voor meebrengen, dat de opdracht uitgevoerd was. Ik kan mij helaas de opdrachten niet meer voor de geest halen, maar voor het geheel boeit dat ook niet echt. De tocht die we zouden moeten maken op deze zonnige, bloedhete dag, was zo’n 25 km en eigenlijk hadden we daar niet zo’n zin in, maar opdracht is opdracht. We moesten die vervullen, maar kregen er slechts 1 instructie bij: we waren een groepje van 10 man en met 10 man moesten we ook weer binnenkomen. Om 10 uur ’s ochtends liepen de 4 groepen, met een onderlinge tijdsafstand van een kwartier, de poort uit. Iedere groep had zijn eigen route, zodat we elkaar niet tegen zouden komen.  Uit ervaring wist de organisatie, dat we dan rond 15.00 uur binnen zouden komen kruipen.

Lekker vooruitzicht, maar goed we waren de poort van de COME nog niet uit of we namen een zijweggetje, wachtten totdat we met alle vier de groepen bij elkaar waren, zodat we ons plan konden uitwerken en staken daar dus even de koppen bij elkaar.

We besloten dat ieder van de 4 groepen de knipkaart in 5 stukken zouden scheuren en ook dat iedere groep zich zou verdelen tweetallen. Door de navigatie-instructies konden we prima onze weg vinden en ging ieder tweetal zijn kant op, niet nadat we een verzamelpunt hadden afgesproken, waar we elkaar na de opdrachten zouden treffen om gezamenlijk, dus met 10 man, de poort in te lopen. Omdat we officieel met een onderlinge tijdsafstand van telkens een kwartier waren vertrokken, spraken we af, dat de groepen bij het binnenkomen eveneens een kwartier per groep zouden aanhouden. Deze slimme zorgde ervoor, dat we met het peloton als eenheid functioneerde. Dat wilde men toch zo graag? Welnu dan.

Het moge duidelijk zijn, dat wij ruim voor 3 uur ’s middags, namelijk rond 12 uur, al op de “geheime” verzamelplaats compleet waren. We hielden het tot ongeveer 14.15 uur uit, waarna wij (nadat we eerst een rolletje plakband hadden bemachtigd om de knipkaarten overal weer aan elkaar te plakken) als groepen, met tussenpozen van ongeveer een kwartier, de poort van de COME binnenwandelden. Grote verbazing bij de instructeurs, want het snelste van de 12 pelotons, die voor ons geweest waren, was eerder rond 15.20 uur binnengekomen. Dat scheelde zo’n 40 minuten.

De aap kwam wel uit de mouw toen men ons vroeg waarom alle kaarten aan elkaar geplakt waren en wij hen de waarheid vertelden. Dat werd niet gewaardeerd en peloton Den Haag werd onmiddellijk gediskwalificeerd, terwijl wij aangaven nergens regels te hebben geschonden. Onze inventiviteit werd afgestraft, terwijl wij juist aantoonden te beschikken over een flinke teamspirit. Men hield voet bij stuk, dus toen op vrijdagmiddag afscheid genomen moest worden, waarbij de commandant van de COME altijd een woordje sprak, ging het gehele peloton ter demonstratie achterstevoren in de ruimte zitten, met de capuchon op het hoofd. De overste stond tegen ruggen aan te praten. Wij pikten het niet, dat we door onze slimheid niet meer mee mochten doen.

Later in de week en eenmaal weer op onze eigen standplaatsen werden we (schriftelijk, per telex) gerehabiliteerd. Men kon achteraf gezien en intern er over gesproken te hebben, onze actie toch wel waarderen en bevestigde dat wij hiermee ons teamgevoel en scherpzinnigheid hebben laten prevaleren boven het ogenschijnlijke doel van deze opdracht en daar moest ook erkenning voor zijn. We wonnen de competitie dus. Met overmacht natuurlijk, want geen enkel ander peloton was op dat idee gekomen.

Verder hadden we oefeningen met honden, met paarden op eigen locaties of bij defensie. We waren regelmatig te vinden in een oefendorp, ik meen in Crailo (waar later Utopia 1 vandaan kwam), waar we oefenden met traangas, krakers, rellen en ook met de bereden groep.  

Indrukwekkend was het oefenen met de Bereden Groep met hun getrainde paarden. De helft van ons peloton was dan aangewezen als demonstrant, de andere helft politie, maar bij een sitdown demonstratie was ik verbaasd dat zo’n groot paard, ondanks de rookbommen en het vuurwerk zonder angst voorzichtig over de demonstrant stapte en met een been die demonstrant onder hem vandaag schoof. Uiteraard kreeg de demonstrant daarna een (zachte) tik met de lange lat.

Oefenen deden we ook op de Veluwe, de vooral ook bij militairen bekende Harskamp, op de stormbaan, kropen onder stroomdraden door, waar ook stroom op stond, terwijl er met scherp over je heen geschoten werd (voor je zag je n.l. de inslagen) dus je bleef vanzelf wel laag bij de grond tijgeren.

Maar we schoten daar ook zelf met onze Winchester 7.62 karabijnen. In de houder konden 15 patronen.
Met de productie van deze karabijn werd aan het begin van de Tweede Wereldoorlog begonnen. Ze werden gebruikt door het Amerikaanse leger. Er werden er zo’n 6 miljoen van geproduceerd. Na de oorlog werden ze aan de Nederlandse overheid ter beschikking gesteld. Dus we liepen met 30 jaar oude wapens, die overigens wel nog steeds zuiver schoten.

Op de bekende Waalsdorpervlakte, tussen Wassenaar en Scheveningen, oefenden wij regelmatig op de schietbaan met onze Winchesters. Daarmee kon je echt op 200 meter zuiver schieten. Althans ik wel en baldadig dat ik toen was, schoot ik vaak de houten poot van de schietschijf doormidden in plaats van op de roos. Dat was altijd lachen.

De Winchesters waren ook prima wapens voor het afschieten van traangasgranaten. Die zette je dan op het uiteinde van de loop, laadde je hem door met een losse flodder en schoot je op die manier in een boog de traangasgranaten af in de richting van de rellenden. Het voordeel van deze granaten t.o.v. de metalen, die we weg moesten werpen, was dat deze plastic granaten meteen smolten, direkt na het afvuren.

Registratie

We gingen ook wel op bezoek bij de commando’s in Doorn of Roosendaal om daar van de tokkelbaan af te gaan. 

Die keer moesten wij op onze beurt wachten om de toren in te klimmen totdat een peloton commando’s in opleiding klaar was. Dat was wel lachen. We konden daar de wat bangere commando’s in opleiding, maar vooral hun commandant, snel over de pies krijgen.

Er stond een jonge commando in opleiding op 4 meter hoogte, die niet verder omhoog durfde. Met beide armen omklemde hij krampachtig de metalen binten van de 20 meter hoge klimtoren. Angst in zijn ogen. We kregen medelijden met deze dienstplichtige soldaat van een jaar of 19. Wij vroegen hem: “wat is er aan de hand, joh?”. Hij: “ik wil niet; ik vind er niks aan, ik durf niet”, maar zijn commandant die bovenin de toren zat, schreeuwde zoals een commandant dat kon doen naar die knaap en schold hem verrot, dat hij niet verder wilde. En wij maar wat zachter praten tegen die jongen: “joh, als je niet wil, dan ga je toch niet ?”. “Zo doen wij dat ook, hoor.” Wel, dat kon die officier daar boven helemaal niet waarderen en werd pislink op ons, hetgeen ons niet deerde: wij hadden niks met hem te maken.

Uiteindelijk was het onze beurt. Groep voor groep konden we de toren inklimmen. Dat betrof een soort van electriciteitspaal, met om de 10 meter een plateau, waar je even op kon rusten. Daarna klom je verder richting de “afglijplaats”. Uiteraard ging het allemaal niet erg snel, dus moest je soms minutenlang aan de buitenkant van die toren hangen, totdat je weer verder kon (arbeidsomstandighedenwet was kennelijk niet van toepassing). En dat nu was het meest lastige, niet het naar beneden zoeven: dat was namelijk wél leuk.

Maar dat was voor mij de reden om niet op de uitnodiging in te gaan om nog eens vrijwillig naar boven te gaan, zoals anderen dat wel deden en dit beschouwden als een kermis attractie. Aan één zo’n glijpartijtje had ik wel genoeg.

Tokkeltouw - Scoutpedia.nl

 

Tokkeltouw

De tokkel was in feite niet meer dan een touwtje. OK, een dik touw. Het touw was voorzien van aan het ene eind een splitoog en aan het andere eind een houten plug. Zoiets als wat de sluiting is van zo’n geitenwollen sokken houtje-touwtje jas. Door de plug door het oog te steken ontstond een rond touw dat om de tokkellijn kon worden geslagen en waar de handen door 2 ontstane lussen, na een paar maal die lussen gedraaid te hebben om deze zodanig klein te maken om te voorkomen, dat de handen uit de lussen zouden glijden door heen konden worden gestoken. Zo kon de tokkelaar van grote hoogte betrekkelijk veilig onder een ruime hoek snel afdalen. Onder aan de tokkelbaan was meestal een berg zand gelegd om vlak voor het naderen daar je benen te hoeken om die “glij-val” te breken en een zachte landing te maken.

Maar zowiezo was het tokkelen niet geheel ongevaarlijk.
Enkele maanden na een dergelijke oefening, kregen wij, Rijkspolitie ME-ers te horen, dat een collega uit een tokkeltouw losgeschoten was en 20 meter naar beneden gestort was. Hij overleefde de val wel, maar liep wel een dwarslaesie op. Triest ongeluk. Onder de ME-ers werd een bijdrage gevraagd om hem iets te ondersteunen. Tegenwoordig zou dat een crowdfunding heten.

Wat waren wij blij dat we de 6-wekelijke ME-opleiding in de hete zomer van 1975 mochten volgen. Zo waren de oefeningen met water telkens weer een heerlijke afwisseling, indien je op de een of andere manier ergens koppie onder moest, b.v. bij een hindernisoefening op de nabij gelegen Waal rivier, waar je vanaf een brug moest abseilen een bootje in, waarmee je snel naar de overkant diende te varen tussen drijvende olievaten in. Slalommen dus. En dat ging niet altijd even vlekkeloos. In die zomer was dat een welkome verkoeling.

Of een touw oefening op het complex van de COMÉ zelf. Daar stond een aantal barakken en daartussen lagen best grote rechthoekige vijvers. Aan één kant had men een dik touw vastgebonden aan de metalen brandtrap van zo’n barak. Het andere eind touw was vastgebonden aan de andere kant van de vijver, maar diagonaal gespannen en vastgemaakt aan een ME-bus, een Saviem (Renault), zo eentje met handversnelling en waarmee je heerlijke knallen kon veroorzaken als je door een tunnel reed door even je contactsleutel om te draaien en weer terug. De ontsteking veroorzaakte een enorme knal uit de uitlaat. Met 4 bussen achter elkaar was dat altijd een leuk kabaal in zo’n tunnel. Alsof we dat afgesproken hadden. Veel bekijks mee gehad…. Dat was afgelopen toen we later de Mercedes 408 bussen kregen.

Maar daar zat dus het klimtouw aan vast en wat was er dan leuker, als je je maat een hak kon zetten door tijdens zijn tijgerkruipoefening op zijn buik over dat touw, de ME-bus even van de handrem te halen en in zijn “vrij” te zetten. We moesten dan wel oppassen dat de bus niet langzaam achteruit de plomp inreed. Langzaam zakte de collega op het touw het water in. Midden in de vijver natuurlijk. Maar dat was wel grappig.

De ene keer haalde je zo’n grap bij iemand anders uit, de andere keer was jij de klos. Zo werkte dat, maar “spelenderwijs” hielp dat enorm bij je incasseringsvermogen. Ook dat moest je bij de ME opbouwen. Je dus niet zo snel laten opnaaien.

Na de opleiding van 6 weken werd ik meteen 8 weken gedetacheerd op Schiphol, waar je op het gehele vliegveld en daar rondom beveiligings- en politietaken ging uitvoeren. We meldden ons op het districtsbureau aan de Sarphatistraat in Amsterdam, alwaar we ook 5 dagen per week met 2 man op 1 kamer sliepen. Alleen op je vrije dagen mocht je naar huis en reed ik via Hazerswoude, waar ik collega Bart Zijlstra afzette, terug naar Zoetermeer. Omdat ik in Hillegom mijn korpsrijbewijs al gehaald had, werd ik meteen aangewezen als pendeldienst chauffeur en dat bleek helemaal niet zo’n vervelend baantje te zijn.  Als je tenminste van autorijden hield. Je reed namelijk de hele dag politiemensen met een VW-personenbus op en neer van Schiphol naar de Sarphatistraat. Nou ja, de hele dag. Volgens mij zo’n 3-5x per dag op en neer. De rest was pauze. Telkens 20 minuten heen en 20 terug. Ik leerde Amsterdam wel kennen.

 

Oude Verkeerstoren. Oude situatie. Rechts gebouw RLD en RP Dienst Luchtvaart. Situatie 70-er jaren

Pauze nam ik, als het ging, dan vaak op Schiphol, in de kantine van de Dienst Luchtvaart en Rijks Luchtvaart Dienst. Gebouw stond aan de overkant van de straat van de verkeerstoren. De oude toren, want de nieuwe was toen nog niet gebouwd. Zie foto hierboven.

Maar daar kocht je als lunch gewoon een goede, flinke biefstuk/brood of een grote uitsmijter ham voor resp. fl. 2,50 en fl. 1,50 met je knipkaart. Glas melk voor een kwartje.

In dat gebouw bevond zich ook de Schiphol-meldkamer waar

Rijks- en Luchthavenpolitie op waren aangesloten. De LuPo (luchthavenpolitie) was een korps, met normaal opgeleide politiemensen, bewapend ook, maar slechts bevoegd op Schiphol. (Wij noemden ze vaak onterecht mislukte politiemensen. Net als toendertijd de spoorwegpolitie.)

En net als dat Gemeentepolitie mensen ons vaak boerenpolitie noemden, omdat de RP slechts aanwezig was in gemeenten met minder dan 25.000 inwoners (of , bij uitzondering, in de Politiewet genoemd). Tja, boerenpolitie met Porsches, helikopters en vliegtuigen, zeiden wij dan. Luchthaven- en spoorwegpolitie bestaat inmiddels ook niet meer. Politietaken op Schiphol worden nu volledig uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee, die er een politietaak bijgekregen heeft. Met de Luchthavenpolitie draaiden wij gecombineerd avond- en nachtdiensten rondom Schiphol. In onze, maar ook hun voertuigen (Daf 55).

Doordat we in die maanden intensief met dezelfde collega’s van de LUPO (luchthavenpolitie) dienst deden begonnen we hen ook beter te kennen. Zo kwam het dat ik na een tijdje door een LUPO -collega die een brevet bleek te hebben werd uitgenodigd om samen met nog 2 collega’s, elk tegen betaling van de kosten van het huren van zo’n 4-persoons toestelletje (fl. 25,=)  een vlucht met een Cessna mee te maken. Ik vond dat erg bijzonder en zo gebeurde het, dat ik op een zonnige middag in de zomer van 1975 van Schiphol richting Brabant vloog, een rondje om de mast van Lopik maakte en ik mijn ogen (met mijn camera) uitkeek. Ik moest hem halverwege wel even tot de orde roepen, want ik vond die bijzondere verrichtingen maar niks. Zo schoof hij op een zeker moment de gashandle volledig in (toestelletje had handgas), waardoor ik kort erna de propeller op de neus bijna stil zag staan. Meteen maakt hij een duikvlucht van (naar hij later, toen ik van de schrik bekomen was, vertelde) zo’n 30 meter vrije val was. Hij trok de handle weer naar zich toe en de propeller ging weer volop draaien. Goddank. Ik was toen wel genezen en blij, dat ik weer veilig op Schiphol-Oost stond. Maar zo kwam de piloot aan zijn verplichte vlieguren. Dat was ook meteen mijn laatste vlucht in zo’n toestel.

De specifieke beveiligingstaken werden toen wel door de RP uitgevoerd. We werden voorzien van gepantserde Hanomags, (zie foto, persoon ben ik niet) waar 3 mm dik plaatstaal aan de binnenkant was bevestigd, waardoor het voertuig wel tweemaal zo zwaar werd. Ruiten waren voorzien van 1 cm dik kogelvrij glas. Van airco had de RP in 1975 nog niet gehoord, dus op het moment dat wij een El-Al toestel moesten begeleiden naar de startbaan en wij achter het vliegtuig aan reden en pas weg mochten, als het toestel zo ongeveer uit het zicht was, stikten wij de moord van de hitte in die hete zomer. Ramen konden niet open, dus wij deden dan de zijdeuren maar open en hielden wij, al rijdend, deze  open met onze benen. Zo konden wij nog enigszins het hoofd koel houden.

Met grote regelmaat begeleidde je een vertrekkende vlucht van El-Al en/of KLM die naar Tel Aviv vertrok (toendertijd de meest risicovolle vluchten) vanaf het moment dat de incheckbalie voor die vluchten in de vertrekhal openging, totdat iedereen in het toestel zat. Vaak stonden we in die hal met zo’n man of 6 rondom en boven die balie, voorzien van zo’n 5 kg zware kogelvrije vesten. Best wel zwaar na een tijdje, dus de slimmerikken onder ons zochten altijd even een hekje uit om tegen te leunen en om de onderkant van dat vest daar op te laten rusten.

Bij nieuwe collega’s haalden we wel eens de grap uit om de loden platen uit andere vesten te halen en die in een vest van een nieuwe collega te stoppen. Na een uurtje ging je hem dan toch maar waarschuwen, dat hij met een dubbele of driedubbele portie loden platen liep en 15 kg aan het meesjouwen was.

Nadat alle passagiers waren ingecheckt in de vertrekhal (waar het onder de dienders alom bekend was, dat geheim agenten van de Mossad daar in burger ook gewapend rondliepen), vertrokken de dienstdoende politiemensen naar de gate.

Aldaar werd de bagage van de passagiers gecontroleerd, alvorens deze het vliegtuig in ging. Ook daar hielden we een oogje in het zeil, terwijl beveiligers van Hoogenboom doorzoeking van de bagage deed. Vaak geestdodend werk.

Met afgeschreven GSA’s (Groeps Surveillance Auto) van meer dan 5 jaar oud reden wij ook surveillance op Schiphol. Toen was het makkelijk overal te komen: je reed zo Schiphol zelf op en reed gewoon rond de vliegtuigen. Anderszins reed je ook buiten de luchthaven en dan ook compleet de buitengrens. Er liep een dienstweg naar Schiphol Oost, waar je halverwege een aantal bedrijven tegenkwam. Aan de achterzijde van die bedrijven, waar natuurlijk ook gesurveilleerd moest worden, reed ik eens over een aarden pad. Die lag tussen zo’n bedrijf en een sloot. Het pad lag vol met kuilen en hobbels en ik had door, dat, wanneer je met de bus gas gaf als je uit een kuil kwam en een hobbel opging, de bus een behoorlijk stuk omhoog vloog. Gaaf! Ach ja, je moest wat met die verveling. Lastiger was het, dat ik dit ook deed in een onoverzichtelijk bochtje, waardoor de bus te water raakte. Hij kwam op zijn kant in de ondiepe sloot. Ik riskeerde mijn leven nog even, door vanaf de walkant door een zijraam nog even de bus in te gaan om de portofoon te redden. Mobilofoon zat er niet in.

Ik had mijn camera bij mij en maakte er een paar zwartwit foto’s van (zie hierbij), maar mijn collega had met mijn camera ook een foto gemaakt, waarop te zien was, dat ik op de zijkant van de bus zat. Een paar dagen later had ik de foto’s bij mij, daar mijn vader in zijn Doka mijn rolletje had ontwikkeld en afgedrukt. Ik liet ze onder de collega’s zien.

Op de één of andere manier had de Commandant Dienst Luchtvaart er lucht van gekregen, dat er foto’s van mijn “ongevalletje” waren gemaakt en riep mij bij hem. Met name was hij geinteresseerd in de foto, waarop ik op de zijkant van de GSA zat, omdat hij dat als een soort van overwinningsgebaar beschouwde. Oeps. Ik stond met mijn bruine envelop op zijn kamer en hij vroeg mij de foto’s te overhandigen. Ik trok de stapel foto’s uit de envelop en hij bekeek ze. Hij vroeg zich echter af, waar die onderhavige foto gebleven was. Ik deed alsof mijn neus bloedde en hield mij dom. Ik wist van niks. Meer dan een uitbrander kreeg ik nu niet. Commandant: “Voortaan oppassen”. Ik: “Jawel, overste. Dank u wel.”

Beneden, in de kantine, controleerde ik de foto’s, waarbij bleek dat juist die foto waar hij zo in geinteresseerd was, in de envelop was blijven zitten, toen ik de stapel er uit haalde. Het moest gewoon zo zijn, maar het heeft mij wel gered.

Na 8 weken keerde je terug naar je standplaats, waar je nog een paar dagen moest werken, alvorens je naar je nieuwe standplaats ging. Die standplaats keuze vond plaats op het districtsbureau van de Rijkspolitie Den Haag aan de Koninginnegracht. Dat betrof een groot, statig herenhuis waar op de bovenste verdieping de meldkamer RP District Den Haag was gevestigd.

Maar alle JC-ers, die tegelijk met mij een jaar eerder begonnen waren op hun eerste standplaats, konden daar een beperkte keuze maken voor hun nieuwe, definitieve standplaats. Ik weet dat ik kon kiezen uit ’s Gravenzande, de Lier, Schoonhoven, Lekkerkerk, Nieuwerkerk en Voorschoten. Omdat ik in Zoetermeer woonde, was voor mij Voorschoten de meest logische keuze, waar ik samen met Marius van Meurs dan naar toe ging.

Rijkspolitie Groep Voorschoten

En zo maakten we op 1 oktober 1975 kennis met de groepscommandant adjudant v.d. Vlekkert en plv. groepscommandant Opdam, opperwachtmeesters Bevelander en Imanse. Van de Vlekkert bleek een toffe baas.

En uiteraard maakte ik kennis met mijn nieuwe collega’s, waarbij ik met enkelen echt een goed, soms zelfs vriendschappelijk contact buiten de diensttijd onderhield. Voor jaren. O.a. Frans Rijnbeek, echt mijn maat, een buddy, maar ook de veel te vroeg overleden Fred Duyndam en Bas Bijl waren fijne collega’s, waar ik ook veel bij gelachen heb.

Met Frans zat ik vaak op de surveillance-auto, waarbij ik mij soms rot schaamde voor en met hem: ongeneerd scheten laten midden in het dorp door de megafoon van de auto en dat soort zaken.

Aan de andere kant gingen we wel door het vuur voor elkaar.

Ook met Fred kon ik het erg goed vinden.

 

V/h  Groepsbureau Leidseweg 95         
Thans huisartsenpraktijk

Vanzelfsprekend haalden we de alom bekende flauwe geintjes onder elkaar uit. We zaten een keer met 3 man op het bureau in de avonddienst. Vaste prik. Eén man op het bureau, de andere 2 op surveillance. Maar Frans en ik hadden net koffie gedronken en we stonden op het punt de auto op te gaan. De achterblijver met bureaudienst, Marius van Meurs, vroeg nog heel even te wachten omdat hij nodig naar het toilet moest. Het zou anders nogal lastig worden, als hij in zijn eentje op het toilet van het politiebureau zat en er iemand aan het bureau verscheen of als de alarmlijn ging.

Natuurlijk deden we dat. Collega’s onder elkaar. Je weet toch. Een moment voordat hij klaar was riep hij vanaf het toilet dat we konden gaan omdat hij bijna zover was. Wij: “OK, Marius, tot later”. Marius: “Joo, tot straks”. Wij openden de achterdeur naar het halletje, waar wij altijd doorgingen om achter het pand bij de voertuigen te komen, maar liepen niet naar buiten maar naar de aangrenzende verhoorkamer. Daar belden wij via een andere lijn het alarmnummer van het bureau. Op dat moment zagen wij door de ruit van de kamer de WC-deur openzwaaien en Marius met zijn broek op zijn hielen naar de telefoon op de meldtafel waggelen. We lagen blauw. Hij ook wel. 

Maar ook nieuwe collega’s in Voorschoten waren geheid de sigaar. Vooral in de zomer was het altijd leuk om ze door het bewakingsgebied rond te leiden. Dat liep van de psychiatrische kliniek Schakenbosch (grens met Leidschendam) tot en met de Zilverfabriek, waarachter het gemeente Leiden werd.
Die keer reed ik, hartje zomer, met Bas door dat gebied en wees ik hem op wat “hotspots”. Plekken waar wel eens wat gebeurde en die vaak moeilijk te vinden waren.

Langs ons gebied liep b.v. de spoorlijn Amsterdam – Den Haag. En vlak bij Schakenbosch wilden er wel eens patienten op de rails gaan liggen of voor de trein stappen. Uiteraard vaak op een plek waar je moeilijk bij kon komen (we hadden nog niet het mooie en goede materieel waar de pliesie nu mee is uitgerust).Vooral in het voorjaar en zomer kon je tijdens je werk best genieten van de mooie natuur in je omgeving. Zo hadden we ook kasteel Duivenvoorde. Daarnaast liep een pad verder het bos in en aan het eind daarvan parkeerde ik de politiewagen. Samen stapten we uit en liepen we naar een verderop gelegen treinviaductje, waar je net rechtop onder door kon lopen. Dat deden we. Op het moment, dat we in de buurt kwamen hoorde ik een trein naderen. Ik vroeg Bas even onder het viaduct even te blijven staan en zei hem dat ik er aan kwam omdat ik nog iets uit de auto moest pakken (..). Op het moment dat de trein over het viaduct reed, leek het hem (zoals verwacht) wel interessant en keek naar boven. Juist op het moment (en daar hoopte je altijd op) dat er in de trein iemand een grote boodschap op het open toilet deed. Dat eerst witte overhemd van hem !! Maar ook zijn gezicht, had je moeten zien ! Ik weet dat hij dat geintje daarna ook zelf met andere collega’s heeft uitgehaald.

Overigens rijden de Spoorwegen tegenwoordig niet meer met open toiletten. Mede hierdoor, denk ik 🙂

In die tijd begon er ook net een jonge collega, die juist van de politieschool kwam: Peter T. Peter wilde graag naar de AVD, maar kwam niet door de eerste selectie. Hij moest eerst maar eens zijn burger- en korpsrijbewijs halen. Die had hij nog niet. In de tussentijd wilde hij wel graag alleen de straat op, dus werd hem de eerder geroemde ULM, waar iedere landgroep er één of twee over beschikte, aangeboden. Helm was inmiddels verplicht en in die tijd waren er alleen nog maar die potjes. Niks fancy uitziende helmen en al helemaal niet integraal. Dus Peter zette het potje op, maar niet zoals het hoorde. Hij zette hem andersom op. Natuurlijk zeiden we niks maar moesten wel ons lachen houden. Zijn hele surveillance van twee uur reed hij met de helm achterstevoren op die brommer, met de leren bandjes strak langs zijn ogen. De brommer was al al een dom ding, maar met hem er op…

Hoe dan ook: jaren later kwam ik hem tegen bij een Rijkspolitie Open Dag in Driebruggen. Diverse onderdelen van de rijkspolitie waren daar aanwezig en ik stond er met een ingerichte ME-bus. Peter bleek inmiddels zijn rijbewijs gehaald te hebben en het gered te hebben bij de AVD, de Algemene Verkeers Dienst, uiteraard met een Porsche. Met open dak. Ook hij had veel bekijks natuurlijk, maar in onze pauze, tussen 12 en 1 vroeg hij of ik misschien even een rondje mee wilde rijden.

Dat leek mij wel wat, dus helm (goed !) opgezet en naast Peter plaatsgenomen. Van Driebruggen naar Gouda hield hij zich aardig aan de snelheid en zaten wij gezellig te keuvelen, maar van Gouda richting Utrecht, waar wij naar toe reden, wilde hij blijkbaar iets bewijzen. Bij 255 km/u met open dak en op de linkerrijstrook vroeg ik hem toch maar of hij wat zachter wilde rijden: ik voelde mij niet helemaal op mijn gemak met al die voorbij schietende bomen aan de kant van de weg. Dat deed hij en even later reden we gelukkig weer 190 km/u (…) over de A12…. Op de 3e baan, natuurlijk.

In die tijd, december 1974 en nu ik eenmaal een vaste baan had, kocht ik bij Simca dealer v.d. Velde in Zoetermeer een nieuwe auto: een oranje Simca Rally 1, kenteken 05-EX-37. Prijs standaard: fl. 8400,=, maar met de accessoires die ik er bij kocht, zoals spoiler aan de voorzijde en de licht-aluminium velgen, werd dat fl. 8900,=. Vanwege een tekort aan kentekens bij de RdW werd hij pas in januari 1975 afgeleverd (met ook bouwjaar 1975 op het kentekenbewijs. Prima !) Maar een lekker ding was het !  
Alhoewel het niet de snelste versie van de Simca’s was (dat was toen de 3000 gld duurdere lichtgroene Rally II), was hij lekker sportief, uitgerust met aluminium sportvelgen, sportstuur, een spoiler voorop, kuipstoelen, verstralers, sportuitlaat en een sportstuur. Achterwielaandrijving en motor ook achterin. Vanwege de wegligging, had ik voorin de kofferbak altijd een paar zakken zand liggen.

Korte vakantie Parijs en Londen

Met Hemelvaartsdag 1975 was ik een paar dagen achter elkaar vrij en besloten Pem en ik op de bonnefooi een paar dagen naar Parijs te gaan. ’s Morgens om 04.00 uur vertrokken en om 09.00 uur reden we al over de periferie rondom de Arc de Triomph. Meteen op zoek gegaan naar een hotelletje belandden we al snel in één van de smalle zijstraten van het centrum, totdat ik een flink pand ontwaardde, waarop “HOTEL” gekalkt was. Het bevond zich een paar panden verder dan de Moulin Rouge… Super !

Pem bleef in de geparkeerde auto en ik ging naar binnen om te zien of er een kamer voor minimaal 1 nacht, maar liefst 4 nachten beschikbaar was/waren. Vreemd genoeg zag ik geen receptie, maar er kwam al snel een man op mij af die mij in het Frans aansprak. Dat was lastig: door mijn schoolfrans begreep ik wel iets, maar niet alles, dus antwoordde hem in het Engels dat ik een kamer zocht.

 

De man vroeg mij “voor hoe lang?”. Ik: “liefst 4 nachten”. Ik dacht dat hij ontplofte. “Eh”, antwoordde hij, “dat lukt hier niet. Maar als je hoge nood hebt mag je mijn kamer wel even lenen voor een half uurtje”. Op dat moment besefte ik dat ik in een bordeel zat. Ik bedankte hem hartelijk voor het genereuze aanbod, maar maakte toch, zij het met een flinke lach, dat ik wegkwam en stapte snel weer in de auto. Uiteindelijk vonden we een kamer, maar hooguit voor 1 nacht. Kennelijk hoogseizoen.

Die dag hebben we zo’n beetje alle bezienswaardigheden die Parijs kent, afgelopen: Arc de Triomphe, Eiffeltoren, Notre Dame, Montmartre, Champs-Élysées en noem het maar op. Blaren op de voeten, maar het was het alleszins waard. Schitterende stad.

Op het moment dat we ’s morgens de auto wilden inladen stond er een Franse politieman een prent voor foutparkeren bij mijn auto uit te schrijven. Ik begreep het eerst niet, maar later snapte ik, dat ik op de verkeerde dag aan die kant van de straat geparkeerd stond. De politieman vroeg mijn gegevens en toen hij bij mijn beroep kwam en mijn politie ID zag, hield hij op met schrijven, reikte mij de bon uit en zei: “betaal maar niks, maar houd de bon maar: souvenir de Paris”. Lachend dankte ik hem hartelijk. Het scheelde toch iets van fl. 35,=

Terug bij de auto zei ik als geintje tegen Pem: “OK. Knijp en we gaan nu naar Londen”. Pem meteen: “Knijp !” en dus een uur later zaten we bepakt in de Simca, op weg naar Calais. Via een schitterende, bochtige en heuvelachtige weg bereikten we in iets meer dan 3 uur Calais. Als laatste voertuig konden wij meteen mee met de Hoovercraft en zaten we comfortabel, als in een vliegtuig, in een half uur aan de overkant, in Dover. Dat ging echt snel. Bijzonder. Vandaar was het nog een kleine twee uur rijden, ongeveer 125 km naar Londen. Dat was wel meteen wennen met links rijden. Bij een rotonde ging dat een enkel keertje mis, maar gelukkig werd je dan, waarschijnlijk vanwege je gele Nederlands kenteken, snel door de vriendelijke Engelsen de goede kant op gewezen.

 

In London hadden wij bij het metrostation Kings Cross een hotelletje gevonden. Niet erg duur, maar ook niet erg schoon. En een echt hotelletje, dit keer. We hebben het een paar dagen uitgehouden en ook daar weer van alles genoten wat Londen te bieden had, maar iets eerder dan gepland wilden we toch naar huis. Dat kwam mede doordat de kamer erg smerig was, met o.a. koffiedrap in de wastafel en gescheurde lakens met daarop vogelenpoep en het hotel tegenover het hoofdpostkantoor van Londen was gevestigd, waar iedere morgen vanaf 5 uur de vrachtwagens met draaiende motor stonden en uiteindelijk vertrokken. Wat een pestherrie. Bij de receptie loog ik dat we naar huis teruggeroepen waren. Ik weet dat ik de reden in het midden liet (familie omstandigheden), maar ik kreeg onverwachts mooi mijn reeds betaalde voorschot voor de komende dagen terug.

Na ruim 2 uur rijden bereikten we Dover weer, maar wachten op een beschikbare Hoovercraft zou te lang duren, dus besloten we de boot te nemen. Die deed er dan iets langer over, maar kwam ook nog zo’n 30 km onder Calais aan, in Boulogne. Boeide niet. We wilden naar de overkant en om een uur of 4 in de middag stonden we weer in Frankrijk. Vandaar langs de kust richting België en daar in een wegrestaurant de laatste francs aan wat te eten opgemaakt, waarna we ’s nachts rond 03.00 uur Schokland in Zoetermeer weer opreden.

In datzelfde eerder beschreven bos, waarin kasteel Duyvenvoorde staat, moesten wij (soms met ME, maar ook soms met eigen Voorschotense dienders) de boel bewaken, wanneer een hotemetoot weer eens op het idee was gekomen een diner te geven voor andere hotemetoten (ministers, zakenmensen, ambassadeurs, leden Koninklijk Huis en andere BN-ers.) Ook die keer in de winter dat er weer een feestje was. We stonden daar met een groep ME (10 man) rondom het kasteel. Ik stond met Adri van Wijnen, die ook surveillancehond geleider was van Jimbo, een Duitse herder, aan de achterzijde van het kasteel. Bij de ingang van de keuken, waar constant de catering naar binnen en naar buiten liep. Van al dat eten wat ons telkens passeerde kregen we best trek, maar men vergat de politie gewoon. Maar niet Jimbo, die werd op een gegeven moment voorzien van een enorme biefstuk. Hij wel.

Met Jimbo bemoeide ik mij ook vaak op de Tobias Asserlaan in Den Haag. Wij stonden daar met grote regelmaat de Indonesische ambassade te beveiligen, ook weer in de winter, ook  weer ’s nachts. Story of our life. Jimbo was er altijd bij, maar geen andere collega moest bij hem in de buurt komen. Ik was die uitzondering. Zo’n fijne en lieve hond (voor mij) en ik zat vaak bij hem, als we ’s nachts niet met onze ME-helm aan het voetballen waren vanwege de oersaaie diensten. Wekenlang.

Die saaie diensten golden ook voor het Postendetachement in Den Haag. Eenmaal in de zoveel tijd was iedere collega, dus ook niet-ME-ers de klos en kon je een dag meedraaien met collega’s van de Haagse Politie. Het Postendetachment was een aparte eenheid bij de GP Den Haag, waar alle dienders zo nu en dan bijstand moesten leveren. Niet alleen van de gemeentepolitie zelf, maar ook de omliggende RP-groepen. Als je geluk had had je veel auto-surveillance, waarbij je dan naast een GP agent in de Mercedes kon. Als je pech had, stond je één of twee uur op je voeten voor een ambassade van een buitenlandse mogendheid. Ik herinner mij de Australische ambassade aan de Prinsessegracht waar je dan bij de voordeur stond. Recht tegenover de Boorlaan bij de ingang van het Haagse Bos. Ook wel het zgn homolaantje genaamd. Dat begreep je wel wanneer je op de vrijdag- en zaterdagavonden en nachten daar op je post stond en je veel “beweging” zag aan de overkant.

Legendarisch waren de magnetron-maaltijden op het hoofdbureau aan de Burg. Patijnlaan in Den Haag. Iglo maaltijden, wel te verstaan. Je mocht er 2 uitzoeken en die stonden dan op jouw etenstijd klaar. Het vlees in die maaltijden was prima; de rest niet zo, dus ik at die maaltijden vanwege de karbo’s. En voor de rest had ik brood bij mij. Volgens mij deed iedereen dat, want buiten het vlees waren die maaltijden echt niet te hachelen.

Evenals andere rond Den Haag liggende landgroepen van de RP, zoals Leiderdorp, Wateringen, Naaldwijk, ’s Gravenzande e.d. moesten wij vanuit Voorschoten ook meer dan regelmatig bijstand verlenen voor de bewaking van de (oude) Tweede Kamer en het Ministerie van Algemene Zaken.
Die Tweede Kamer-diensten, voornamelijk op de publieke tribune, vond ik in die tijd, als mid-twintiger, maar verloren tijd en bij met name tijdens de Algemene Beschouwingen, dus daags na Prinsjesdag, waar er oeverloos gedebatteerd werd over begrotingzaken, die ik (toen) totaal oninteressant vond, kon je af en toe zelfs in slaap vallen. Er moeten ergens nog beelden zijn, want in het avondjournaal op TV over die beschouwingen, zag ik mij eens verveeld en kauwgom kauwend, op die tribune staan. Uiteraard had ik er geen erg in, dat de camera op mij gericht stond. Ik schrok mij te pletter. Slechts een handvol mensen hadden dat gelukkig gezien.

Volvo 343, 1981

 

Volvo 343. Opvolger van de blauwe Fiat 127

In de nachten draaiden wij voor een flink gebied met 2 auto’s en 5 mensen, waarvan eentje bureaudienst had. Regionachtdiensten waren dat en die vingen om 23.00 uur aan in het regiobureau, het groepsbureau van de Rijkspolitie in Leiderdorp. Dat bevond zich eerst in een eengezinswoning aan de Acacialaan en een paar jaar later in een nieuwbouwpand om de hoek, aan de Hoogmadeseweg. Dat bureau was ’s nachts dan bemand door 1 collega, terwijl er 2 wagens met ieder 2 man rondreden in heel Hollands Midden, dus van Voorschoten tot en met Nieuwveen/Nieuwkoop en Roelofarendsveen.

Wat wel altijd een fijne onderbreking in de nacht was, was een bezoekje aan Jan Zalm, een visboer in Weteringbrug, aan de rand van ons bewakingsgebied. Jan begon iedere morgen om precies 04.00 uur met het bakken van vis, wat dan vanaf de ochtend vanuit  zijn marktkraam ergens in het land verkocht werd. Iedere politieman uit de wijde omtrek (en dan bedoel ik wijd, als in Amsterdam en Haarlemmermeer, maar ook politie Leiden, Alphen en zelfs Rijswijk pikten regelmatig een visje mee) kende Jan en hij had ’s nachts voor iedereen een praatje. En een visje. Of twee. Vaste prik, dat je bij je bezoek ’s nachts altijd 2 versgebakken wijtinkjes kreeg. Dat ging er in als koek. Politiemensen reden er graag voor om. Zo ik ook. Zowel toen ik in Voorschoten diende, als later ook in Bodegraven, waardoor mijn collega’s uit Nieuwerkerk en Moordrecht daarna ook regelmatig langswipten. En de eerste twee wijtinkjes kreeg je altijd. Daarna betaalde je een gulden per stuk.

Maar, zoals uit het Haarlems Dagblad van 8 januari 2014 blijkt Jan Zalm ook voor anderen goed te doen.

Onze eerste Duitse herder: Amor

Evenals Frans (met zijn herdershond Mora) Fred (met bouvier Brazos) en ikzelf met Duitse herder Amor waren we regelmatig met de vrouwen op het strand van Wassenaar te vinden met onze honden. Ook de honden konden het goed met elkaar vinden. In 1976 kochten wij Amor als 9 weken oude pup van de heer Dros, de brugwachter van de Hooghkamer brug. Dros woonde in de 3-oktoberstraat in Leiden en had daar een Duitse Herder kennel. Met regelmaat nam hij een pup mee naar de brug en ik werd toen verliefd op de Duitse herder.

Amor werd een ongelooflijk lieve en trouwe herder, waar we veel plezier van hadden.

Met Amor liep ik eens alleen op het strand van de Wassenaarse Slag, waar we overigens vaak met de hond kwamen vanuit Leiderdorp. Het was hartje winter, ijskoud op die 23e december. Niemand te zien, dus ik parkeerde mijn auto op de rotonde bij de strandopgang, waar weliswaar een parkeerstrook langs liep maar waar je dus niet mocht parkeren. Logischerwijze was dat ingesteld voor de zomer, maar OK: het gold nu dus ook.

Ik kwam terug van de hond uitlaten toen er een onopvallende politiewagen voor mijn auto stond en de agent, eveneens in burger want hij legitimeerde zich, aanstalte maakte mij te bekeuren. Ik vroeg hem netjes of hij dat in de geest van de wet deed en of hij zich er lekker bij voelde. Ik kreeg meteen een grote schofterige mond terug. Ik stond perplex. Tja, dan word ik ook vervelend. Ik vroeg hem of hij zijn ontheffing van het parkeerverbod aan mij kon tonen, waarop hij natuurlijk zei dat dat niet hoefde. Maar dat gold alleen bij dringende zaken. Ik beloofde hem dat ik een klacht bij zijn baas (en ik noemde de naam van de commissaris van Wassenaar) zou neerleggen als ik hier ook maar iets van in de brievenbus kreeg. Nooit meer iets van gehoord.

Nadat Pem en ik in 1977 getrouwd waren, betrokken we dus met onze herder Amor een ruime 4-kamerflat op de Gerbrandylaan 24 in de nieuwbouwwijk Noord-Hofland in Voorschoten. Veel collega’s woonden in soortgelijke flats in dezelfde wijk, dus ook buiten kwamen we elkaar vaak tegen. Alleen Frans bleef, ook na zijn huwelijk met Evalien, in Voorburg wonen.

Er was eens een voorvalletje, waarbij mijn vrouw ’s avonds, in het donker en rond een uurtje of 11, de hond uitliet. Normaliter deed ik dat ’s avonds, tenzij ik nachtdienst had. Maar het uitlaten gebeurde altijd rondom het plantsoen tegenover de flat, tussen Gerbrandylaan en Alberdaplantsoen.

Die keer werd zij constant hinderlijk gevolgd door een onbekende man terwijl zij met de hond liep. Amor voelde het aan en ging (los) naast het vrouwtje lopen. Man bleef achter haar toespelingen en vervelende opmerkingen maken, totdat Amor dat kennelijk zat was, zich omdraaide en vol tegen de man opsprong. Met beide voorpoten sprong hij tegen ’s mans borst. Dat moest kennelijk een waarschuwing zijn van Amor, maar het werkte. De man maakte zich uit de voeten.

Of de keer, dat we ’s nachts met eigen auto rond een uur of 2 op de Gerbrandylaan aan kwamen rijden van een visite elders. Amor zat thuis. Verderop zag ik 2 mannen, zonder dat ze ons in de gaten hadden, tussen geparkeerde auto’s ergens mee bezig zijn en omdat ik wist dat we in Voorschoten de laatste tijd nogal wat benzinediefstallen ervoeren, liep ik snel naar boven en haalde Amor op, onze hond. Pem zou via de meldkamer mijn collega’s van de nachtdienst op de hoogte brengen.

Ik liep met de hond zachtjes naar beide mannen toe, zag ze bezig met een slang en jerrycan en ook, dat er benzine getapt werd uit de auto van een buurman. De knapen schrokken zich de kolere, toen ze zagen dat ik met zwarte herdershond plotseling achter ze stond. Ik legitimeerde mij als politieman en waarschuwde ze, dat niet moesten proberen om weg te komen, daar ik anders de hond los zou laten. Ik deelde ze mee dat ze allebei terzake diefstal van benzine waren aangehouden. Ik maande ze voor mij uit te lopen richting de ingang van het flatgebouw en liep met Amor achter ze aan naar de 2e verdieping, waar mijn woning was. Ik begreep van mijn vrouw dat de enige wagen die op de weg was nog achter in Roelofarendsveen zat en dat het wel even zou duren voordat die er was. Ik liet de heren plaatsnemen op de bank in mijn huiskamer en vertelde ze dat ze hun mond moesten houden. Amor liet ik pal voor ze zitten en gaf het commando “zit” en “blijf”. Waar hij doorgaans wel eens moeite had om wat langer te blijven zitten dan waar hij zin in had en zijn eigen weg probeerde te gaan, bleef hij nu zitten, pal voor ze. Hij keek ze ook strak aan. Knapen durfden zich niet te bewegen. Pem en ik zaten aan de keukentafel en moesten daar ons lachen proberen in te houden toen wij zagen, dat we ineens een gehoorzame hond hadden.

Hoe dan ook: na een half uur kwamen mijn collega’s en namen de arrestanten mee naar het bureau. De benzinediefstallen in de buurt waren opgelost, mede dankzij Amor.

Helaas kreeg Amor, toen hij 9 was, op een zaterdagavond een maagtorsie. Een kanteling van de maag, waardoor voor- en achterkant werden afgesloten. Hij kroop in de tuin tussen de planten en daarvan wisten we: we moeten snel zijn. Met spoed reed ik met hem naar een bekende dierenarts in Leiden, dr. Muurling, die hem meteen opereerde. Na anderhalf uur kon de dokter mij vertellen, dat hij de operatie overleefd had (iets wat niet zo heel vaak voorkwam) en ik kreeg hem, sterk verzwakt, mee. Ondanks flink vertroetelen thuis en toedienen van medicijnen, bleek het na een week niet beter te zijn. Integendeel. We zagen hem snel achteruit gaan. Wederom met hem naar de dierenarts, maar die kon mij geen beter nieuws brengen, dan dat hij hem uit zijn lijden moest verlossen. Hij had er een ontsteking overheen gekregen, waarvan hij – volgens de dokter – niet kon opknappen. Wat zijn we daar weken kapot van geweest.

Het was op de Gerbrandylaan in juli 1978, dat onze eerste zoon werd geboren. Terwijl mijn vrouw bezig was te bevallen, belden mijn ouders aan voor een koffie-bezoekje en uiteraard kwamen ze even kijken of alles met de zwangere goed ging. Ze hadden juist hun boodschappen in Leidschenhage gedaan. Het zal wel, maar ik moest ze hier echt even de toegang weigeren en te vragen om later terug te komen, daar bezoek nu even niet gewenst was. De huisarts was bij ons en daar waren we blij om. Onze zoon, die rond 21.00 uur geboren werd, moest wel meteen beademd worden, want hij werd geboren met driemaal de navelstreng om zijn nekje en was al aardig blauw aan het worden. Gelukkig had onze huisarts zuurstof bij hem en even later konden we hem, met een normale kleur, in onze armen nemen. Uurtje later heb ik mijn ouders gebeld, die even op bezoek waren gegaan bij een collega van mijn vader, die in Voorschoten woonde. Het behoeft geen betoog dat zij binnen enkele minuten bij ons waren.

De toenmalige burgemeester van Voorschoten, v.d. Haar, vond het in die tijd nodig de politie regelmatig orders te geven. Alhoewel hij volgens de wet slechts hoofd van de plaatselijke politie was op het gebied van Openbare Orde, dacht hij ook voor andere zaken de politie voor zijn karretje te kunnen spannen. Zo ook in ergens 1978. Hij vond op een zeker moment dat de politie verbaliserend moest optreden tegen voertuigen, die voor uitritten geparkeerd stonden. Natuurlijk is dat hinderlijk, maar geef dan het goede voorbeeld. Mij was bekend dat hij zich in een DAF 55 Marathon verplaatste en op de Aert van Neslaan woonde. Op het moment dat wij daar surveilleerden, stond dat DAFje voor een uitrit van een garagebox geparkeerd. Uiteraard voldeed ik aan het verzoek van de burgemeester en plakte een parkeerbon op zijn voorruit, zogenaamd niet wetende dat het zijn eigen uitrit was, maar dat maakte voor de wet niet uit. Ik wist het wel, maar deed alsof en was benieuwd naar zijn reactie.

Wel, de volgende dag moest ik bij de groepscommandant komen, die in het bijzijn van de burgervader mij verzocht de bon te verscheuren. Ik weigerde, vertelde dat ik mij aan de regels zou houden en dat ik gewoon, zoals bij iedere burger, proces-verbaal zou opmaken indien de transactie niet betaald zou worden en dat alleen de Officier van Justitie de bekeuring nog kon vernietigen.

Parkeren voor je eigen uitrit is ook niet toegestaan. Mijn commandant gaf mij daags na dit gesprekje een schouderklop vanwege mijn standvastigheid (of was het toch weer een beetje rebellie ?), maar vertelde ook, dat hij, omwille van de relatie die vraag wel van de burgemeester moest stellen. Hij had zijn best gedaan en ik begreep mijn baas wel.  Bij mijn PV voegde ik een afloop-bericht, hetgeen inhoudt dat je op de hoogte wordt gesteld na het vonnis of beslsissing. Dat bericht kreeg ik en was blij te vernemen, dat de burgemeester na uitspraak ook gewoon moest dokken.

De burgemeester heeft dat trucje van opdracht geven nog eenmaal geprobeerd, toen hij extra aandacht wilde voor groenparkeren. Mijn groepscommandant, Adjudant (Hendrik) v.d. Vlekkert was een enorm sportliefhebber en wist op dat moment dat er een week later een voetbalderby zou plaatsvinden op de velden van voetbal vereniging Randstad Sport, langs de Admiraal de Ruytersingel. Hendrik heeft de burgemeester hierop gewezen en uitgelegd dat er misschien 300 voertuigen op de grasstrook geparkeerd zouden gaan worden, omdat er te weinig parkeerplaatsen waren. Dat ging dus niet door en de burgemeester bemoeide zich er niet meer mee.

Zaken, waar je je zo af en toe flink nijdig over kon maken   deden zich natuurlijk ook wel voor, zoals vernielingen aan   de politievoertuigen als je b.v. voor een hulpverlening   (zoals een reanimatie, hetgeen voorkwam) je voertuig in   een bepaalde straat had geparkeerd en je bij terugkomst   deuken, vernielde spiegels en dergelijke ontwaardde.
Maar ook ander asociaal gedrag, zoals: 

Terugkomend van de dienstsport, bestuurde ik op een zeker moment een GSA (Groeps Surveillance Auto), een opvallende Volkswagenbus. Vanuit Leiden reden we richting Voorschoten en kregen onderweg via de mobilofoon door, dat er een Staat van Politie-alarm was afgeroepen door de Meldkamer. Dat soort meldingen kregen we alleen bij vluchtpogingen na een ernstig misdrijf, zoals berovingen, overvallen, diefstallen e.d. In dit geval betrof het een beroving van een ouder echtpaar in Leiden.

Nieuwere versie GSA (ong. 1980)

 

Oude versie GSA (tot ong. 1980)

Dat hield ook in, dat je als politie-eenheid je gemeentegrenzen nauwkeurig in de gaten  ging houden en daar dan ook ging posten. Omdat Voorschoten aan de gemeente Leiden grensde, namen wij vaak post boven de A4 bij Zoeterwoude (afhankelijk van hoeveel wagens er op de weg waren).

Maar laat daar nu net een Mercedes personenauto aan komen rijden, waarvan het kenteken als betrokken daders nu juist was doorgegeven.
Dus met blauw en tuut (“optische en geluidssignalen) scheurden ik met de bus achter die Mercedes aan, die richting Zoeterwoude Dorp reed.
In die tijd hadden we nog geen transparant (stopbak) voorop het voertuig, dus een stopteken kon niet gegeven worden. Vanwege het zwaailicht en sirene, die we voerden, maakte de Mercedes zich toch uit de voeten. En met een VW-bus maakte je doorgaans niet zoveel kans tegen een snellere personenauto, maar ik zag al snel mogelijkheden, toen wij zagen dat de verdachten een woonwijk van Zoeterwoude inreden en ik daar meer bekend bleek dan zij.
Eén van mijn collega’s verzocht ik achterin te gaan staan om tegengewicht te bieden als ik door bocht ging zodat we niet zouden omslaan (:-)), want die nam ik in die straatjes nogal scherp. Mijn collega Frans ging achterin de bus staan en stond met beide armen aan weerszijden tegen de ramen zich vast te houden en tegen te leunen in de bochten. Dat wierp wel vruchten af en op het juiste moment dwong ik de verdachten een doodlopende straat in te rijden en kon de bus met de voorbumper tegen hun achterbumper zetten, waardoor dat voertuig geen kant meer uit kon.

Beide verdachten, een man en een vrouw, ogenschijnlijk deel uitmakend van een zigeunerfamilie uit het Oostblok, werden aangehouden en overgebracht naar het bureau in Voorschoten. Daar werden ze, onder toezicht, in afzonderlijke verhoorkamers geplaatst.
Wie schetste onze verbazing toen de vrouw, in afwachting van haar verhoor op een gegeven moment, midden in die kamer, haar lange rok optilde, haar benen spreidde en daar schaamteloos in het bijzijn van 2 verbalisanten, waaronder ik, staande haar behoefte deed?
Ik twijfelde niet. Haalde de 3 stoelen meteen uit de kamer zodat ze niet meer op een stoel kon gaan zitten, liet een emmer water met een sopje, borstel en dweil komen en samen met mijn collega zetten we haar op haar knieën vlak voor de door haar gedeponeerde smerigheid. Op mijn “commando” “opruimen, nu ! ” ging ze toch maar aan het werk. We bleven er bij totdat alles opgeruimd was.

Buiten diensttijd trok ik (of trokken mijn vrouw en ik) veel met mijn collega’s op. Het waren vrienden geworden, waar we veel mee samen deden.
Zo was er de maandelijkse klaverjasavond in het Voorschotense Cultureel Centrum, op de eerste maandag van de maand, die door de gemeentelijke personeelsvereniging, waar de pliesie ook aan mocht deelnemen. Dat was altijd gezellig en veel politiemensen kwamen daar ook op af. Zo nu en dan kwam ik ook nog met een origineel prijsje thuis.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image.png

Zoals die keer dat iedereen op de Paasklaverjasavond met een doos eieren naar huis ging. De eerste prijs was een set van 5 dozen eieren. En laat ik die nu winnen, dus kwam ik die avond met 6 dozen eieren thuis.

Gebraden konijn | Vleesrecepten, Konijn, Gebraad

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image-90.png

Maar ik klaag niet: bij een andere keer, waar ik ook de eerste prijs haalde (yep, ik kon/kan best goed klaverjassen, vooral Rotterdams) won ik een konijn. Pem en ik hadden geen idee wat we daar mee aan moesten, maar buurvrouw Ria Koolen wist er wel raad mee en bereidde dit konijn bij een heerlijke maaltijd, dus samen met de buren.

Over sport gesproken: in die jaren (en sinds 1970) honkbalde ik in het 1e team van Birds Zoetermeer, de honkbalvereniging van Zoetermeer. Ik meen, dat we toen in de 1e klasse Rayon Den Haag speelden en afwisselend in de 3e klasse landelijk (ook wel districtsklasse), maar toen de groepscommandant voor een belangrijk honkbalweekend op een vrijdag voor een speelweekend aan mij vroeg, hoe laat die wedstrijd zondag tegen Blue Birds uit Delft begon, moest ik hem antwoorden dat ik niet kon spelen, omdat ik avonddienst had, die om 15.00 uur begon. “Nee, dat gaat niet gebeuren, zei hij. “Jij gaat lekker spelen, je neemt na afloop van de wedstrijd even je colaatje, gaat douchen, doet je uniform aan en kom dan naar het bureau. Tot jij er bent neem ik jouw dienst over.”
Tegen 19.00 uur was ik pas weer op het bureau. Toevallig betrof dat een 9 innings lange thuis wedstrijd. Maar we wonnen, dus iedereen blij. Ook de baas. Maar zo’n collega/baas was hij dus. Fideel ! Hij was vaak zeer goed op de hoogte, want volgde mijn prestaties nauwlettend in de Haagsche Courant en of Het Binnenhof, daags na het sportweekeinde, waar ik regelmatig met naam en toenaam in stond.

 

Ikzelf aan slag in een thuiswedstrijd van Birds Zoetermeer tegen Compri Zwijndrecht 1976

Vakantie rondreis Roemenië, mei 1977

We woonden nog geen half jaar in Voorschoten, toen we met Fred en Ans op een twee weken durende vakantie naar Roemenië gingen. Via een reisbureau hadden we een rondreis Roemenië geboekt. Weliswaar ging dat land toen nog gebukt onder het juk van dictator Ceaușescu, maar dat (toen ietwat geheimzinnige) land intrigeerde ons zeer. En dan voornamelijk natuur en cultuur. Alvorens wij op vakantie gingen, werden Fred en ik even bij de DRID in Den Haag geroepen (Districts Recherche Inlichtingen Dienst, oftewel de BVD van de Rijkspolitie). Of we wel wisten waar we heen gingen en dat we vanaf het moment, dat we de reis geboekt hadden, wel begrepen dat de Roemeense Securitate (Roemeense geheime politie) op de hoogte was van de komst van 2 politiemensen met vrouwen naar Roemenië?

Ja, dat begrepen we, maar rebels als we waren, het weerhield ons er in het geheel niet van om te gaan. Integendeel, het motiveerde ons steeds meer. We lieten ons daardoor niet tegenhouden. Alle vier waren zeer geinteresseerd in het land Roemenië, met name buiten de steden om. Vandaar dat de eerste week een 2000 km lange busreis betrof door het achterland.

Met een tussenstop in Varna, Bulgarije, landden wij op 9 mei 1977 in Constanța, een badplaats aan de Zwarte Zee. Tijdens de landing zagen wij uit de vliegtuigraampjes gewapende militairen langs de kant van de landingsbaan staan, quasi verborgen opgesteld. In de aankomsthal werden mannen en vrouwen meteen gescheiden en moesten ook zonder elkaar de checks ondergaan. Uiteindelijk verliep dat zonder problemen.

 

Afvaart Donau Delta in Tulcea

Vandaar vertrokken wij meteen per touringcar en chauffeur Eugene en Nederlandse gids Gaby richting Tulcea, alwaar wij de volgende dag een boottocht over de Donau-delta zouden krijgen. Vanaf dat moment kregen we er ook een Roemeense reisleidster bij, aangewezen door de overheid. We betrokken onze simpele hotelkamer, waar geen luxe te vinden was, maar ook geen drank te verkrijgen was. Dat zouden we de volgende dag, dachten wij, wel even regelen.

De bus bracht ons de volgende dag naar de boot, alwaar wij zagen dat er slechts 3 kratjes Pepsi Cola aan boord gingen. Fred en Ans, verzot op Cola/Vieux, wilden meteen een paar flesjes cola kopen (de vieux hadden zij zelf bij zich, gekocht in de taxfree shop op Schiphol), maar men weigerde op de boot de flesjes te verkopen. Het was namelijk het rantsoen voor die dag voor de gehele boot, want de cola-fabriek was “kapot” en meer was er niet, zei men. Een andere manier van meedelen dat alles op de bon was in dat land. Met bier ging het wat makkelijker, als je het maar bij lokaal gebrouwen bier hield. Dat deed ik, ondanks dat het bier 13% alcohol bevatte, maar ach. Koud smaakte het best.

Uiteindelijk kwamen Fred en Ans toch aan voldoende cola, daar een aantal (oudere) mede-reizigers geen cola hoefden, dus Fred was meteen weer in zijn hum…

Na een uurtje of 3 gezellig varen over de Donau, waarbij we ook een beetje het leven aan de overkant (Sovjet-Unie) konden aanschouwen, hetgeen niet zoveel verschilde met dat, wat wij inmiddels gezien en meegemaakt hadden) werd er aangemeerd bij een restaurantje. Niet veel keus, was daar. De enige keuze, die we hadden, was of we de kop, het middenstuk of de staart van de rauwe vis in onze soep wilden hebben. Gevieren hebben wij vriendelijk gepast.

Deze keuze van eten was eigenlijk exemplarisch voor wat wij gedurende de reis qua eten hebben moeten verduren. Simpel gezegd: het was geen culinaire trip; verre van dat zelfs, dus de keren dat wij in die week het aangeboden eten, hoe goed bedoeld ook, hebben afgeslagen en daarvoor de “kalte platte” hebben moeten kiezen (dus gewoon brood met kaas en vleeswaren, of wat er voor doorging) was niet te tellen. Jammer maar helaas, maar dat bleek gedurende onze rondreis echt de keerzijde van het arme en uitgebuite land.  

Afijn, het bleek een mooie rondtrip door hjet noordwesten van Roemenië, waar we – naar schatting – minimaal zo’n 10 kloosters bezochten met nog veel meer iconen en wandschilderingen. Mooi, maar als je er eentje gezien hebt…

Af en toe moesten Fred en ik wel even even naar de buschauffeur uitvallen, omdat wij het onverantwoord vonden, dat hij in z’n “vrij” rustig een steile bergafdaling afging, met alleen maar gebruikmaking van de rem. Aan de andere kant hielpen wij hem bij een lekke band van de bus onderweg ook een wiel te verwisselen.

Maar verder veel vriendelijke mensen en allemaal even behulpvaardig. Vanwege overheidsregels moesten wij voor fl. 10,= per dag in dollarshops uitgeven. Dollarshops, het woord zegt het al, kon je alleen met harde valuta betalen, zoals guldens, D-mark en US-dollars. Onbereikbaar voor de lokale bevolking, terwijl juist daar de mooiste dingen waren aan te schaffen. Vandaar dat wij zo nu en dan ook maar eens aan contant geld weggaven of dat wij een artikel voor een Roemeen in die shops kochten. Een Roemeen mocht daar niet naar binnen, op straffe van arrestatie.

Eenmaal, in Poiana Brașov, HET wintersportgebied van Roemenië, waagden wij het eenmaal  om bij een zwartwisselaar guldens te wisselen voor Roemeens geld, de leu. Waar we voorheen bij de banken voor 10 gulden behoorlijk wat lei (meervoud van leu) terugkregen, ontvingen we nu zo’n anderhalf keer. Dat was toch ook weer lastig, want het equivalent van die 10 gulden kregen we al niet op. En bijkomend nadeel was, dat we in de gaten hadden dat we vanaf daar gevolgd werden, want twee zeker manspersonen waarvan wij vonden, dat ze opvallend veel interesse in ons hadden, kwamen wij de volgende dag ook tegen in Boekarest, op weg naar de politie-academie, die we toevalligerwijs gingen bezoeken. Daarna hebben we ze echter niet meer gezien.

Het bezoek aan de politie-academie was wellicht geen toeval, want we hadden er niet om gevraagd, maar beschouwden we als een soort bonus. Voordat we daar waren probeerde men ons wel door straten te laten rijden met de bus, waar geen schade van de recentelijke zware aardbeving te zien was, maar men kon niet voorkomen dat we langs blokken met flats reden, waar we op de hoek van zo’n blok op alle verdiepingen de toiletten nog zagen staan.

De aardbeving had een kracht van 7,3 op de Schaal van Richter. Deze aardbeving vond plaats  in maart 1977, anderhalve maand voordat wij er waren op een diepte van 94 km en was in de hele Balkan voelbaar. In Roemenië kwamen 1570 mensen om het leven, waarvan 1425 in Boekarest. Wij zagen de verschrikkelijke gevolgen.

 

Aardbeving Roemenië, Maart 1977 (wij waren er 2 maanden later)

De beelden, zoals hierboven op de foto, staan nog op ons netvlies. Daar reden wij langs.

Van Boekarest reden we met de bus naar Mamaia. Mamaia is een badplaats aan de Zwarte Zee, ook wel de Roemeense Rivièra genoemd en ligt ten noorden van Constanta, de belangrijkste havenstad van het land. Mamaia ligt op een strook land van 7 km in de lengte en 300 m in de breedte. De plaats is te vergelijken met een badplaats als Benidorm (Spanje).

We hadden daar voor de 2e week een strandvakantie geboekt, dus het was daar fijn vertoeven, ondanks dat de cola-fabriek nog telkens kapot was, maar we maakten er een sport van om zo hier en daar de flesjes cola in ruime mate bijeen te sprokkelen. Dat ging prima.

Na de week aan het strand van de Zwarte Zee vertrokken wij op 23 mei 1077 weer en gingen op weg naar Schiphol. In het vliegtuig vernamen wij, dat er een trein gekaapt was in de Punt en tegelijkertijd een groot aantal kinderen gegijzeld was in Bovensmilde. Beide in Drente.

Gijzeling schoolkinderen door Molukse gijzelnemers – mei/juni 1977

Na een paar uur landden wij in Amsterdam en zagen we, dat er een collega van onze groep Voorschoten aan het einde van de slurf stond. Hij stond ons op te wachten of beter: hij  kwam voor mij, ME-lid van het peloton Mobiele Eenheid RP Den Haag. Ons peloton van 40 man was n.l.  opgeroepen om zich “onverwijld” via de basis, waar verzameld werd, naar Hooghalen te begeven, een dorpje op een steenworp afstand van Bovensmilde. 

 

Eigen foto. Mijn ME-groep 1 Den Haag

Hoe dan ook, per politievoertuig werden wij met spoed naar Voorschoten teruggereden, alwaar ik mij meteen kon omkleden in ME-tenue en mijn (altijd) gereedstaande plunjebaal met ME-spullen (beschermende kleding incl. Winchester karabijn) kon oppakken. Binnen een half uur kon ik na mijn vakantie afscheid nemen van mijn vrouw (stel je voor: 5 maanden getrouwd) om richting de Molukse vrijheidsstrijd te gaan, niet wetende hoe lang ik zou wegblijven en wat ons daar te wachten stond.

Binnen 10 minuten na aankomst en na afscheid te hebben genomen zat ik weer in het politievoertuig, op weg naar het ME-verzamelpunt, vliegbasis Ypenburg (toen Ypenburg nog een vliegveld was).

Korte tijd later reden wij in kolonne richting Drente, waar onderweg ook andere RP-pelotons (o.a. Utrecht, Dordrecht, Den Bosch en Amsterdam) zich bij ons voegden en reden wij met zo’n 24 politievoertuigen in een soort van colonne. Eenmaal in Hooghalen konden wij snel kwartier maken in de plaatselijke gymzaal, onze spullen achterlaten en konden wij meteen onze post betrekken met de wetenschap, dat we een 16-uurs dienst gingen draaien. Onze locatie betrof een in aanbouw zijnde nieuwbouwwijk in de Ambonezenwijk van Bovensmilde.

 

Jan Stappenbeld (Fotograaf Telegraaf), foto RTV Oost

Wij streken neer in de nog niet aangelegde tuinen van deze nieuwe onafgebouwde eengezinswoningen, waar de ruiten nog niet in zaten. Maar vanuit een slaapkamer op de 1e verdieping hadden wij een zeer goed uitzicht op de school, ongeveer 80 meter bij ons vandaan en waar ruim 60 kinderen gegijzeld en onder schot gehouden werden. Naar binnen kijken lukte niet, want men had de ramen van de school rondom geblindeerd met kranten.

Onze opdracht was duidelijk: van de gijzelnemers mocht er onder geen beding iemand uit de school vluchten. Deze(n) moest(en) omherroepelijk aangehouden dan wel uitgeschakeld worden.

Het werd een kwestie van de lange adem. Probleem was, dat wij werkelijk verstoken waren van actueel nieuws. Eenmaal kon ik in die tijd even in het tentje van fotograaf Jan Stappenbeld van de Telegraaf (zie foto hierboven), dat zich binnen de afzetting bevond en waar hij klaar zat met zijn camera en telelens, gericht op de Lagere School. Maar mooier nog: er was een telefoonlijn naar zijn tentje aangelegd, waaraan een toestel gekoppeld was. Op mijn vraag mocht ik van hem daar even gebruik van maken om mijn vrouw na een aantal dagen even te bellen en haar enigszins gerust te stellen. Voorwaarde van Jan was, dat ik mijn mond hield bij mijn collega’s, anders had hij constant ME-ers op bezoek. Wel, daar voldeed ik graag aan.

Wij werden slechts bijgepraat ’s morgens om 07.00 uur, als we ons meldden bij onze legerbedjes, maar zaten daar na 16 uur dienst niet echt op te wachten. Slapen, wilden we, want om 14.00 uur moest je er weer uit. Dagelijks draaiden wij de avond- en nachtdiensten, uiteraard zonder vrije dagen, want het was crisis.

We begonnen onze dienst om 15.00 uur tot de volgende morgen 07.00 uur. Nu niet te bevatten, maar we maakten er wat van en na een week werd het zowat routine.

 

Kinderen verlaten de school

Blij verrast waren we toen we vernamen, dat na 4 dagen, op 27 mei 1977 alle kinderen vrijgelaten waren omdat ze ziek waren geworden van het eten (hoe kon dat nou ??) en dat er nog slechts een viertal docenten met evenzovele gijzelnemers in de school waren. En het leven ging weer verder.

Soms reden wij via de plaatselijke supermarkt, die zich binnen de afzetting van de wijk bevond naar onze post. Bedrijfsleider was al lang blij, dat politie er aankopen kwamen doen. En met 20 pelotons ME en diverse andere bijstandseenheden van Marechaussee, Mariniers en leger, kon hij door die aanwezige 2000 man (zuinig geschat) toch nog wel omzet draaien. En dat gunden wij hem ook wel, natuurlijk.
Regelmatig kochten wij dan houtskool, saté-prikkers en vlees. In die achtertuinen van die woningen hadden we al snel oude ton gescoord en met een driedubbel gevouwen stuk hekwerk als rooster hadden wij een prima BBQ gemaakt en ondanks de rook, die er uit die tuinen omhoog ging en ook vaak een lekkere BBQ-lucht de wijk in ging (uiteraard filosofeerden wij daarover: dat het ook de school zou bereiken)  maakten wij met regelmaat lekkere gebraden vleesdingen op de BBQ klaar. Op die manier maakten wij de eentonige diensten wel ietwat draaglijk.

Met onze groep uit het peloton zaten wij dus t/o die school en telkens zaten er 2 collega’s op wacht (zie hieronder) 2e huis).  

 

Ons peloton had alleen dienst, daar bij de rode pijl. Een 10-tal meter van de school vandaan. (originele schets)

Eenmaal kwam het voor, dat ik mij met een collega op de eerste verdieping bevond, mijn blik op de school richtte en zonder dat ik daar enige beweging zag, hoorde en merkte dat er vanuit de school op ons geschoten werd. Kogel hoorden wij zeer nabij achter ons inslaan, dus dat was even schrikken. Kwaad werden we er van. Onmiddellijk hebben we snel de open ramen met aanwezige planken dicht getimmerd en slechts enkele kijkgaatjes opengelaten, waaruit ook een Winchester-loop gestoken kon worden. Ook kregen wij door de nachtdiensten in de gaten dat het RP-logo op onze helmen in het maanlicht opviel. Vanaf dat moment smeerden wij de emblemen op onze helmen met aarde en later met schoensmeer in.

Twee weken gingen om en we gingen ons vervelen. We wisten amper wat er buiten de afzetting plaatsvond. Zo nu en dan werden we kort gebriefd, maar echt spannend was het allemaal niet. Het was in die tijd lastig om op de hoogte te blijven. ’s Morgens kon je even snel een krantje inkijken, maar verder was er totaal geen communicatie. Geen telefoon, geen TV, geen radio. Niets.

 

Aan belangstelling van de (foto-)pers geen gebrek.

Tot die zaterdagochtend 11 juni 1977. Actie !! Opdracht van hogerhand:

 

Originele notitie van commandant vlak voor de actie !

Uiteraard hadden wij (gelukkig) dienst en hoorden wij rond 04.40 uur een hoop herrie in de buurt. We voelden aan, mede omdat geruchten van een op handen zijnde actie al een tijdje rondgingen en dat er iets stond te gebeuren, maar men had ons natuurlijk niet ingelicht. Bovenstaande (op een velletje geschreven) verstrekte opdracht was slechts in het bezit van de 4 groepscommandanten, waaronder dus ook de onze, Bart Wassenaar, die opdracht had gekregen dat strikt geheim te houden tot aan de actie.

Maar de herrie in de straten (van o.a. ratelende rupswielen op de straatklinkers midden in de nacht) deed ons hart sneller bonken, maar meer omdat we verwachtten eindelijk naar huis te kunnen dan van iets anders.

Maar op 3 leden na (aan onze kant mocht niemand ontsnappen) stormde onze groep de trap op en we namen positie voor de kijkgaten. Even later hadden we goed beeld. Een pantservoertuig van de Koninklijke Marechaussee kwam niet alleen de straat in rijden, maar reed meteen door de school in. Hij ramde de voorpui, waarin ook de voordeur zat, dat wel.

 

Voordeur basisschool na geramd te zijn door pantservoertuig KonMar

De poort werd geramd en we hoorden dat een granaat kwam tot ontploffing kwam.  We zagen het dak van de school iets oplichten en weer op z’n plek terugvallen. Meteen daarna ging de achterkant van het voertuig open en rende er een aantal mariniers de school in. We hoorden dat schoten gelost worden, maar dat bleek achteraf intimidatie. De bestormers hadden met grote waarschijnlijkheid kennis van waar iedereen zich op dat moment bevond. Ik hoorde dat van een collega, die in het commando-voertuig dienst doet. Met hem had ik op de groep Hillegom dienst gedaan. Hij liet mij op een monitor zien, dat men wist dat de enige overgebleven gijzelnemer in de school (de andere 3 hadden zich al meteen overgegeven) zich in het laatste toilet van de vier had verborgen. Een marinier doorzeefde de deur van het eerste toilet, daarna de tweede, waarna de deur van de vierde werd opengegooid en de overgebleven gijzelnemer met zijn handen in de lucht, wapen voor zich op de grond, overgaf. Inval was dus haarscherp op video door een marinier opgenomen.

In de school zijn dus geen slachtoffers gevallen en de ME heeft niet hoeven op te treden.

Leerkrachten zullen er een trauma aan overgehouden hebben, maar ze leefden nog.

In het hiernaast afgebeelde boek “liggen blijven” wordt door o.a. Sylvan Schoonhoven (verslaggever van de Telegraaf) een kijkje achter de schermen gegeven bij o.a. de treinkaping.

Ik bezit het boek en van wat ik er in gelezen heb, is het gedeelte, waar ik zelf bij was overeenkomstig de waarheid geschreven. Bij de treinkaping waren wij niet persoonlijk betrokken. In het boek wordt ook een hoofdstuk gewijd aan de aanwezigheid van 19 pelotons Mobiele Eenheid (plm 800 RP-ers) bij de kaping en gijzeling kinderen en wat zij uitvoerden.

Na de actie kwam de commandant van de mariniers op het verzamelpunt en gaf tekst en uitleg. We waren blij, dat aan de kaping en gijzeling een einde was gekomen, waarbij helaas enkele kapers om het leven zijn gekomen. Zij vonden het nodig weerstand te bieden door gericht op de mariniers te schieten.

Het is ook schandalig dat op de dag van vandaag nabestaanden van betrokken omgekomen Molukse gijzelnemers (die ook in koele bloede treinpassagiers doodgeschoten hadden) betrokken mariniers voor de rechter trachtten te krijgen. Activistische advocate prof. Liesbeth Zegveld verdedigt ze graag onder het mom van mensenrechten en maakt ook graag misbruik van de Vrijheid van Meningsuiting:

Het wachten was nu op de mededeling, dat we onze spullen konden pakken en richting huis konden vertrekken. Dat bericht kwam in de loop van de ochtend en rond het middaguur zaten wij als peloton RP Den Haag in de bussen, op weg naar huis. Dachten wij. En het thuisfront.

Onderweg werden wij door veel toeterende en duim opstekende automobilisten ingehaald, die vermoedelijk ook blij waren met de afloop en ons geluk wensten.

Deceptie volgde snel, toen wij halverwege Assen en Den Haag mobilofonisch op de hoogte werden gesteld, dat wij niet naar huis gingen, maar onmiddellijk geconsigneerd werden in Rotterdam. Onze route moest worden bijgesteld naar de van Gendt marinierskazerne, alwaar wij in ieder geval voor 1 nacht moesten blijven.

De opdracht kwam van de Procureur Generaal, aangezien zich in het district Den Haag diverse Molukse wijken bevonden (o.a. Moordrecht en Capelle a/d IJssel) en berichten waren opgevangen, dat Molukkers wraak wilden nemen en naar het Provinciehuis in Den Haag wilden gaan.

Achteraf viel het allemaal mee: er kwamen geen (althans niet meteen) acties van de Molukkers, dus wij konden heerlijk ontspannen op de kazerne. We gebruikten de tijd om te douchen, op te knappen, wapens schoon te maken en een partijtje te voetballen. Anderen namen de stormbaan als verzetje. ’s Avonds had de kazernekok zich uitgesloofd en tracteerde ons op een uitgebreide nasi-maaltijd. Vanuit de kazerne kon ik mijn vrouw weer eens bellen en haar vertellen dat ik de volgende dag, zondag, eindelijk thuiskwam. En dat gebeurde. En dan: een dagje bijkomen thuis en hup, weer aan het werk op de groep.

Gedurende zo’n 5 jaar woonde en werkte ik in Voorschoten en was ik ingedeeld in groep 1 van het ME-peloton Den Haag (bij de Bollenstreek). Ik ontwikkelde mij als een allround politieman met oog voor de maatschappij en gericht op “hulp verlenen aan hen die dat behoeven” (toen art. 27 Politiewet) en na 5 jaar trouwe dienst bevorderd tot wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse (3 strepen).

Dodelijke aanrijding met

Op de groep: business as usual. Frans en ik hadden die dag avonddienst, die om 15.00 uur aanving. Rond een uur of 6 reden we langs de snackbar in de van Kempenstraat en haalden wij voor 3 personen frites met snacks. Dus ook voor degene, die op dat moment op het bureau zat.

Afgeladen met de warme hap werden wij onderweg opgeroepen voor een “aanrijding met” op de Wijngaardenlaan, nabij de overweg. Oftewel een aanrijding met zeer waarschijnlijk letsel. Balen van ons warme eten, maar het werk ging voor. We wisten wel, dat dat het risico van het vak was, maar hoopten altijd op het beste. Jammer dat die extra kosten nooit te declareren waren. Had ik maar een bammetje mee moeten nemen.

In de bocht van de Wijngaardenlaan naar de overweg op de Papelaan was een cabrio uit de bocht gevlogen. De bestuurder zat er nog in en het eerste wat we deden was een ambulance oproepen via de meldkamer. Die was er ook wel snel. We zagen dat het met de bestuurder niet zo best was: hij had de linkerbovenhoek van zijn voorruit in zijn voorhoofd gekregen. Hij leefde nog wel, maar moest met spoed naar het AZL (Academisch Ziekenhuis Leiden).

We zijn voor de ambulance uitgereden om alle kruisingen voor de ambulance vrij te maken, zodat deze binnen een paar minuten in Leiden kon zijn.

Bij aankomst bleek de bestuurder, een jonge psycholoog van de Kanaalweg uit Leiden, te zijn overleden. Wij kwamen met een portie koud eten terug naar het bureau. Ik durf niet meer te stellen, dat we een nieuw portie eten gehaald hebben. Meestal was na zoiets te hebben behandeld onze eetlust wel vergaan.

Maar waar we met de ME, mijzelf incluis, ook voor werden ingezet, was het aanhouden (arresteren) van de 8 pontbazen van de pontjes op de Kaag op 11 oktober 1977 op verdenking van verduistering van pontgelden.

Op verschillende plekken vond die aanhouding in de ochtend om 06.00 uur plaats. Voor die paar kwartjes had ik met die gasten te doen, maar ja: wet is wet. En zo gebeurde het, dat deze pontbazen die dag kwamen vast te zitten en hun werk meteen werd overgenomen door ambtenaren van de provincie. Recherche nam de zaak over maar ik heb er eigenlijk niks meer over gehoord. Met een sisser afgelopen ? Ik denk het wel.

Eigenlijk worden de pontbazen in dit krantenartikel vrij gepleit en konden zij door onderbezetting op de pontjes jarenlang niet goed afrekenen. Tja.

Op 30 mei 1979 werden we ingezet voor een NAVO Topconferentie in Noordwijkerhout.

De conferentie kwam op een moment, dat er in het land grote demonstraties gehouden werden met opkomsten als 400.000 en in Amsterdam zelfs 550.000 tegenstanders tegen de plaatsing van de SS-20, de (nucleaire) kruisraket. De ME, mijzelf incluis, beveiligde het conferentie-oord de Leeuwenhorst. Het betrof een grote actie, maar actief optreden was niet nodig.

Weekendje Götenborg

Doordat Pem bij de ANWB in Voorschoten werkte, kon zij af en toe goedkoop of gratis aan leuke reisjes komen. B.v. dit lange weekend in Göteborg, Zweden. Wel per boot, maar dat maakte de tocht alleen maar leuker. Beetje schommelen (22 uur !) op weg naar Zweden leek ons wel wat. Samen met onze beste vrienden Frans en Evalien (allemaal nog zonder kinderen) vertrokken wij met Frans’ auto naar Amsterdam, waar ingescheept moest worden.

Met de Tor Scandinavia vertrokken wij voor een lang weekend naar Götenborg in Zweden. De heenreis verliep letterlijk vlekkeloos. Geen golfje gevoeld onderweg en in 22 uur voeren we vanaf het Skagerak de wateren voor Götenborg op.

Maar we amuseerden ons prima in het luxe hotel, waar we 1 nacht in zouden slapen. Dus kozen we een gezellig restaurantje uit, waar we na een dag winkelen in het centrum van Götenborg gezellig met z’n vieren uit eten gingen. Lol hadden we zowiezo al heel veel (met Frans in de buurt liep je te vaak met buikpijn van het lachen), maar het werd nog leuker toen we klaar met eten waren.

Onze jassen werden bij de kapstok naast de voordeur aangereikt en Evalien en Pem liepen naar buiten. Bij de kapstokken stond een soort van portier en terwijl Frans naar buiten liep, maar in de deuropening bleef staan, vermoedde ik dat die portier op zijn fooi stond te wachten. Ruimhartig gaf ik hem (voor die 4 jassen, die aan hun kapstok hingen) het equivalent van fl. 10,= aan Zweedse Kronen. De portier wilde de deur dichthouden en sprak de legendarische woorden: “Dank u, maar dat is voor 1 jas”, waarop ik hem nog legendarischer antwoordde: “hey, ik heb die jassen hier niet gekocht hoor. Ze waren al van ons. “ Ik trok de deur open, duwde hem ietwat opzij en liep bulderend met Frans weg, terwijl we schichtig achterom keken of we niet gevolgd werden, maar dat bleek niet het geval. Hij moest natuurlijk ook op de jassen van andere gasten passen. Schaterend van het lachen haalden we de vrouwen in.

’s Middags moesten wij op tijd weer bij de boot zijn voor de terugreis. Dat waren we. We checkten in en brachten onze spullen naar de respectievelijke hutten om daarna weer samen bij de bar te komen.

Wij bleken op het 7e dek voorop het schip een hut gekregen te hebben en Frans en Evalien eveneens op dek 7, maar midden op de boot. Eenmaal alles te hebben opgeborgen kwamen wij in de grote lobby bij elkaar, dronken wat, genoten van de natuur om ons heen en de rustige vaart naar het Skagerak.

Dat duurde ongeveer anderhalf uur, waarna het kommer en kwel werd gedurende de reis. We troffen het niet: op volle zee bleek windkracht 9 te zijn  hetgeen we goed merkten aan boord. We begrepen nu ook goed waarom er opstaande randen rondom de tafelbladen waren bevestigd. Het zou anders een puinhoop zijn van alles wat er telkens af schoof en op de grond viel. Het schip ging tekeer als een malle. Onze etenslust was meteen verdwenen; niemand had meer ergens trek in. Gelaten lieten we het over ons heen gaan en toen de vrouwen rond 11 uur ’s avonds hun kooi opzochten, verdwenen Frans en ik eventjes het casino in. Ik had mij voorgenomen om met Blackjack eventueel niet meer te verspelen dan Fl. 25,=. Wel, voor dat geld bleek ik 2 ½ uur gespeeld te hebben, waarna ook ik de hut maar opzocht.

Waar we op de heenweg op ieder dek van het schip papieren zakken in houders aan de muur zagen, bleken nu alle houders leeg te zijn en zag ik mensen met een stapeltje van die zakken onder hun arm over het schip lopen.

Uiteindelijk kwam ik na het casinobezoek in onze hut en Pem lag al flink heen en weer te deinen. Wakker natuurlijk. Nou, rustig.. Ik wilde even de veters van mijn schoenen losmaken en viel meteen om. En niet van de drank. In het casino was mij het deinen van het schip niet zo erg opgevallen, maar hier, in die kleine ruimte, leek het wel dubbel zo erg over ons heen te komen. Nog geen 5 minuten later hing ik met mijn hoofd boven de WC-pot en ik was nog niet klaar of Pem riep mij toe: “opzij ! “ Ook zij moest er toen aan geloven. Al die tijd kon zij het binnenhouden, totdat ik het voorbeeld gaf.

Zoiets hadden we nog nooit meegemaakt. We lagen voorop het schip en dat hebben we gemerkt. Het schip voer recht de ong. 10 meter hoge golven in, waardoor het flink op en neer ging. In bed voelde je een flinke kracht op je maag toen de boeg omhoog ging. En toen hij eenmaal boven was en weer naar beneden deinde, kwam je serieus echt even uit je bed getild, tot je met alle kracht beneden weer in je matras gedrukt werd. Voelde niet plezierig.

Uiteindelijk duurde de overtocht naar Amsterdam zo’n 24 uur, waarvan we 20 uur storm op zee hebben gehad. Hoewel de trip “all-in” was, hebben we daar op de terugreis weinig van kunnen genieten. Bijna niks gedronken en gegeten.

Begrijpelijk dat we bij thuiskomst nog steeds het gevoel hadden, dat we heen en weer gingen. Het was heftig, maar achteraf ook een erg leuke ervaring.

Doodgezopen

Terug op de landgroep Voorschoten: die keer had ik met een andere collega, Frans Vink, ochtenddienst en we naar een woning in de arbeiderswijk gestuurd werden.  In de woning troffen wij een enorme smeerboel aan: een vieze woning met veel (lege) flessen over de vloer. Aan een klein vierkant tafeltje zag ik een manspersoon van rond de 30 zitten. Hij lag voorover gebogen met zijn gezicht op tafel. Hij leek zijn roes aan het uitslapen te zijn, maar het bleek anders. Ik zag al snel dat de man was overleden. Hij lag in zijn eigen kots, dus aan zijn (vieze) haren trok ik zijn hoofd overeind en zag dat zijn neus platgedrukt was, kennelijk omdat hij er een tijd opgelegen had.

Hij bleek met zijn oom die avond flink doorgehaald te hebben: 13 flesjes bier en een liter jenever. Dat kon zijn lichaam dus niet aan.

We hebben de begrafenisondernemer moeten helpen hem in een zak te krijgen, waarbij ik op zijn been moest gaan staan, omdat die telkens om hoog kwam. Bij de 3e keer hoorde ik iets kraken, maar hij bleef toen liggen…

Eenmaal aan het bureau had ik zijn vader uitgenodigd. Maar die liet er eigenlijk geen traan om. Het was zijn eigen schuld, vond hij. Ach, een dode meer of minder, in de oorlog reden we er over heen, zo sprak de vader over zijn zoon. Fijne familie. Hij voegde er aan toe, dat deze knaap niet begraven moest worden maar gecremeerd, want vorig jaar was zijn vrouw al begraven en dat geloop naar de begraafplaats was hij onderhand wel beu. Telkens terug naar dat graf.

Was geen fijne zaak, maar hij maakte het mij wel makkelijk om er snel afstand van te nemen.

Mislukt

Maar dan die keer, dat ik bureaudienst had en een melding kreeg dat een persoon voor de trein op het station van Voorschoten gesprongen was. De bemanning van het surveillancevoertuig was toevallig net binnen, dus ik gaf mijn vrouwelijke en mannelijke collega opdracht om zich daarheen te begeven. Mijn vrouwelijke collega wilde niet, durfde niet. Ik nam haar taak over en ging met mijn collega naar het station.

Daar troffen wij een paar honderd meter verderop, voorbij het station, een stilstaande Intercity-trein, die doorgaans station Voorschoten met een snelheid van zo’n 140 km/u voorbij reed.

Op het perron zagen wij een jong meisje van een jaar of 16 staan, met gescheurde kleding. Ter plaatse vertelde het meisje huilend dat zij op de brommer uit Voorburg was gekomen om zich, vanwege liefdesverdriet, hier van het leven te beroven. Ze had haar bromfiets in de stalling gezet en was het perron opgekomen. Vlak voor de aanstormende trein in de richting van Leiden, sprong zij op de rails, kwam daar op die rails ten val en vlak voordat de trein haar zou raken, kwam zij in de lengterichting tussen de rails te liggen, waarna de trein over haar heen denderde. Uiteraard voerde de zeer geschrokken machinist een volremming uit en kwam uiteindelijk een paar honderd meter verder tot stilstand. Uitgezonderd van wat gescheurde kleding op haar rug, mankeerde het meisje verder lichamelijk niets. De machinist zag bleek rond de neus, was dus vreselijk geschrokken maar kreeg onmiddellijk hulp van de NS. We hebben het meisje uiteindelijk afgeleverd bij de psychiatrische afdeling van het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Nu ik er over schrijf: ik ben eigenlijk wel benieuwd wat er van het meisje (nu een vrouw van eind 50) geworden is. Hoop het beste en dat ze de liefde van haar leven en haar levensvreugd alsnog gevonden heeft.

Mijn groot-rijbewijs kon ik ook goed gebruiken, toen ik vriend John, die bloemen reed op Duitsland, een keer een handje kon helpen in mijn vakantie.

Kort daarna zouden hij en ik met onze gezinnen per touringcar naar de Costa Brava gaan om daar 2 weken vakantie te vieren.

Maar eerst nog even een keer naar Duitsland. Mijn assistentie bestond voornamelijk uit het besturen van de bloemenwagen vanaf de veiling in Rijnsburg richting Hamburg, Duitsland. John deed dan naast mij zijn administratie en was met zijn route bezig.

Deze rit ging dus voorbij Hamburg waar we diverse bloemenzaken en handelaren afreden. Uiteindelijk bleven we een nacht slapen bij een zakenrelatie van hem en de volgende dag maakten we de route af en reden we huiswaarts. Onderweg in de buurt van Almere stopten we nog even bij een truckers-restaurant voor een warme hap. Dat betrof uiteraard schnitzel met frites. En de hulp leverde nog een leuk zakcentje op voor de vakantie.

Overigens de busrit naar Blanes met 2 gezinnen was eens maar nooit weer. Zo’n 22 uur in een touringcar met het vooruitzicht van 3 of 4 x een pauze. Voordat je van je verzamelpunt in Leiderdorp (’s ochtends om 07.00 uur) eindelijk het land uit was, was het vanwege alle ophaalpunten her en der in het land rond 6 uur ’s avonds. En was je al gaar natuurlijk, maar moest de reis nog beginnen. Afijn: we hebben het overleefd en de vakantie met de 2 gezinnen in Spanje was top.

De tijd op Voorschoten was een hele fijne tijd. Misschien wel de fijnste van alle jaren, die ik bij de politie gewerkt heb. Een zeer hecht team, waarbij zelfs de verjaardagen van de vrouwen van de collega’s bij elkaar gevierd werden. “Beroemd” waren de oud- en nieuwjaarsfeesten op het bureau. Restaurant v.d. Valk in Voorschoten sponsorde die avonden de politie met flinke salades en (fris)dranken, waarbij veel collega’s met vrouwen zich kort na middernacht meldden op het bureau en aldaar het nieuwjaar werd ingeluid.

Verhuizing Voorschoten –> Nieuwerbrug (Bodegraven)

Na een jaar of 5 vlogen de collega’s uit, mede vanwege hun ambities en mogelijkheden. Fred vertrok naar de groep Alkemade, Frans naar Nieuwveen, groep Nieuwkoop, Bas naar de groep Bodegraven  en uiteindelijk reageerde ook ik op een interne vacature van rayoncommandant in Nieuwerbrug, gemeente en groep Bodegraven. Daar konden we een eengezinswoning met een grote tuin betrekken. Aldus gebeurde per 1 november 1979 en vertrokken wij met z’n drietjes (inmiddels was in 1978 onze eerste zoon geboren). Ik moest dus noodgedwongen de ME verlaten. Maar…

Ook de groep Bodegraven bleek een leuk team collega’s te hebben en ik was al snel opgenomen in de groep. De woning, die wij in Nieuwerbrug betrokken, werd vóór ons bewoond door een collega, die elders in het land zijn heil gevonden had. Hij was echter ook ME-lid, dus mij werd gevraagd om zijn plaats in te nemen. Omdat ik meteen zou worden  aangesteld als buschauffeur bij de ME, accepteerde ik dat aanbod onmiddellijk en werd ik ingedeeld in groep 4 (regio Hollands Midden met Nieuwerkerk, Boskoop, Waddinxveen, Bodegraven en Alkemade).  

 

In Nieuwerbrug op de bank met
de 2 kleintjes (1982)

Nieuwerbrug was een klein dorp, waar iedereen elkaar kende. Er woonden zo’n 1300 inwoners en ogenschijnlijk was iedereen familie van elkaar. Het bleek een gereformeerd dorp te zijn, waar men niet van je verwachtte, dat je op zondag de was buiten hing of je auto op straat ging wassen. Wel, dat deden we toch en hoewel men in het begin daar nogal vijandig tegenaan keek, ging men er aan wennen. Wij hadden dat geloof niet en deden daar ook niet aan. Ik had al grote moeite met de parkeerontheffing die men kreeg als er een kerkdienst was. Voor alle andere momenten gold er n.l. een parkeerverbod op het Weiland (de oude Rijksweg Leiden – Utrecht, die dwars door Bodegraven ging).

We hadden daar wel een hele fijne huisarts: de uit Rijnsburg afkomstige dr. Versteeg. Praktijk en apotheek (achterom) aan huis en hij deed ook de goede nazorg voor Pem na de bevalling van onze 2e zoon, dat plaatsvond in het Hofpoort ziekenhuis in Woerden.

Als je hem dan een keer nodig had, kwam je op zijn spreekkamer en omdat hij wist, dat we toen rokers waren, haalde hij een asbak uit zijn la en stak er zelf ook eentje op.

Het was ook zo’n huisarts, die zonder hem gevraagd te hebben rustig een bakkie bij ons thuis kwam doen en uitgebreid de tijd nam om zich op de hoogte te stellen van al het wel en wee. Het was dan ook een huisarts, afkomstig uit Rijnsburg. We konden het prima vinden. Hij had veel humor.

Nieuwerbrug bezat als één van de weinige dorpen in het land een ophaalbrug, waarvoor toen 10 cent betaald moest worden (inmiddels 50 eurocent), als je er als automobilist over heen wilde. Als je aan kwam rijden kwam de brugwachter uit zijn huisje, hield zijn hand op en na betaling deed hij het hek open. Meerdere malen heb ik daar natuurlijk een aangifte van vernieling moeten opnemen, omdat men dacht in de maling te worden genomen en gewoon het hek kapot reed. Maar het was geen bedrog: het bestond echt.

De straat, waar de brug lag heette de Bruggemeesterstraat, vaak verward met Burgemeesterstraat.

Inwoners mochten er trouwens gratis over.

Ik kon op deze groep best genieten van het grote natuurgebied, wat onder Bodegraven viel. Wij surveilleerden van Bodegraven tot Woerden, inclusief Nieuwerbrug en aan de andere kant van de rijksweg A12 vielen dorpen als Waarder, Driebruggen en Hekendorp onder ons bewakingsgebied. Heerlijk, als je daar op een vroege zondagochtend rustig doorheen kachelde.

Het was natuurlijk niet altijd even rustig. We reden op zekere dag in Hekendorp, tegen de Hollandse IJssel aan en door het gehucht Goejanverwelle. Je weet nog vast wel uit de geschiedenislessen, waar in 1787 prinses Wilhelmina van Pruisen bij de sluis werd opgehouden door de patriotten, toen zij van Nijmegen per koets onderweg was naar Den Haag. Gelukkig stuurde haar broer, de koning van Pruisen daar een leger van 20.000 man op af. Het mocht niet veel baten: in 1794 kwamen de patriotten alsnog aan de macht bij de Bataafse Revolutie. Zomaar even een zijstap.

Wielrenner onder boom

Maar daar reden we dus, toen we met lichtsignalen door een tegenligger werden gevraagd te stoppen. De bestuurder vertelde ons, dat er een ongeval gebeurd was aan de overzijde van de IJssel. Het was ons gebied niet (namelijk Oudewater, district Utrecht), maar de dichtstbijzijnde collega’s bleken na mobilofoon contact met de meldkamer nog ver weg.

Je bent hulpverlener of niet, dus we spoedden ons naar de andere kant. We troffen daar een omgevallen boom aan, die vanaf de hoofdrijbaan in de richting van het naast de weg gelegen weiland lag. Daarmee bestreek hij ook het fietspad tussen weiland en hoofdrijbaan, de provinciale weg Oudewater – Gouda.

Onder de boom zagen wij een manspersoon liggen. Zo te horen had hij veel pijn en dat begrepen wij, wij zagen veel gecompliceerde breuken bij deze man, dus probeerden we zo snel mogelijk hem onder de boom vandaan te krijgen.

Daarbij kregen we hulp van kettingzagen van ambtenaren van Provinciale Waterstaat, die verantwoordelijk bleken voor de omgevallen boom.

Het geval was, dat men de bomen aan het omzagen was, daarbij de hoofdrijbaan keurig afzette, zodra er een boom om ging vallen. Om het gemakkelijk te maken liet men de bomen naar het weiland vallen, waar het dan in alle rust in stukken gezaagd kon worden. Op zich geen probleem, maar men was wel vergeten om ook het fietspad af te sluiten. Dus op het moment dat de boom aan het omvallen was, kwamen twee Goudse broers, die aan het wielrennen waren, met hoge snelheid aanfietsen. De achterste broer zag de boom vallen en kon op tijd stoppen. Zijn broer, die voor hem reed, echter niet. Op het moment dat hij de boom passeerde viel deze vol op hem en verpletterde hem bijna.

Uiteindelijk werd het slachtoffer zwaargewond overgebracht naar het Bleuland ziekenhuis in Gouda, alwaar hij kort na aankomst overleed. Een jonge vader van 2 kleine kindjes. 26 jaar was hij nog maar. Ongeveer mijn leeftijd, toen. Het kwam ook bij mij keihard binnen en hoewel ik wel meer heb meegemaakt in mijn politietijd, denk ik aan dit ongeval nog met regelmaat, temeer, daar het niet nodig was. Omdat men nalatig was in het afzetten van het fietspad. Ik heb dan ook nooit begrepen, waarom het door mij opgemaakte proces-verbaal jegens de verantwoordelijke ambtenaren terzake dood door schuld, uiteindelijk geseponeerd werd.

Maar toen moesten we dat vreselijk pijnlijke bericht overbrengen aan zijn jonge vrouw in Gouda. Merg en been !

Veel optredens met Mobiele Eenheid

Een roerige periode brak aan. De 80-er jaren waren onrustige jaren. Er werd een hoop gedemonstreerd, veel woningkraken in Amsterdam en ook Nijmegen en relletjes. Daarbij nog bewakingen van Europese Topconferenties in b.v. Noordwijkerhout en Maastricht, maakte het voor het ME-peloton een drukke, afwisselende periode.

Nijmegen: Piersonrellen (hieronder graffitie Piersonstraat)

De Piersonrellen is de benaming van de krakersrellen die in februari 1981 rondom de Piersonstraat in Nijmegen werden uitgevochten in het kader van de Zeigelhof-affaire. Zij behoren tot de hevigste krakersrellen van de jaren tachtig. En mijn ME peloton Den Haag was er weer bij.

Overigens hadden de krakers in mijn ogen (toen wel) een punt: Zij vonden hun legitimatie in de voor hen onaanvaardbare situatie dat met 18.000 woningzoekenden in de stad deze (potentiële) woonruimte zou moeten wijken voor een parkeerplek voor 200 auto’s: oplossing van de woningnood diende voorrang te krijgen. Maar mijn mening werd niet gevraagd, zoals bij alle ME-inzetten. Dat botste regelmatig met mijn rechtvaardigheidsgevoel.

Ik kan mij daarom zo goed voorstellen hoe de tegenwoordige politiemensen zich moeten voelen, als zij in omstandigheden terechtkomen, waarover zij – om niet hun baan in gevaar te brengen – moeten zwijgen, terwijl zij daar wel degelijk een mening over hebben. Maar ja, als dat niet strookt met dat wat de overheid wenst, moet je wel je mond houden. Ik ben daar vanaf en kan gelukkig vrijuit mijn mening verkondigen.
Het is te bizar voor woorden. In wat voor land bevind je je dan als dat niet kan ?

Maar het werd een waar slagveld in Nijmegen. Het gemeentebestuur besloot op 23 februari 1981 de krakers te verwijderen. Hiertoe moest eerst een sitdowndemo van honderden geweldloze sympathisanten bij de Bloemerstraat worden opgeruimd – dit geschiedde met vrij veel geweld door RP pelotons en de ingeschakelde marechaussee. Bij twee andere blokkades werd traangas gebruikt om de menigte te verdrijven. Met behulp van 200 ME-bussen, vijf tanks, een helikopter, een pantserwagen, veel traan- en braakgas en circa 2000 man, onder meer bestaande uit (rijks-) politiemensen, militairen, werden de krakers uit de door hen bezette panden verwijderd. Laat in de middag is er nog slag geleverd met de ME in de Indische Buurt, met behulp van twee waterkanonnen en een honderdtal ME’ers zijn sympathisanten hardhandig verwijderd uit de Javastraat en Pontanusstraat.

Aanleg A27 (Amelisweert)

De Slag om Amelisweert in 1982. Het toenmalige ministerie van Verkeer en Waterstaat (inmiddels omgedoopt tot Verkeer en Infrastructuur) wilde een oorspronkelijk plan om de snelweg Madrid – Oslo door de bossen bij Amelisweert te laten lopen. Dat die snelweg eigenlijk door Duitsland liep, deed er kennelijk niet toe. Het bos moest om en de ME werd opgetrommeld, want het bos zat vol met actievoerders die het er niet mee eens waren. Tot in zelfgebouwde boomhutten aan toe. Wat precies het vreemde verhaal hiervan was, is te zien in een reportage van Andere Tijden op:

https://www.anderetijden.nl/aflevering/135/De-slag-om-Amelisweerd 

 

Moment uit de Andere Tijden reportage

                                   

De 600 ME-ers, wij dus ook, hebben het daar flink te verduren gekregen. Maar dankzij de enorme inzet van veel pelotons werd het bos, met uitzondering van de bewoners van de hutten, schoon geveegd en ontruimd. Dat de ME daardoor o.a. een lading verfbommen over zich heen kreeg, mocht niet deren. En aan de bewoners in de boomhutten werd vooralsnog geen aandacht gegeven: die kwamen vanzelf wel uit hun holen gekropen, zodra de kettingzaag in de boom gezet werd.

Vier jaar later zorgde de A27 (tussen de A12 en de A28) voor het verdwijnen van het jarenlange file-leed voor het knooppunt Lunetten. Verkeerstechnisch gezien was het een enorme vooruitgang, natuurlijk gezien een ramp.

Bewaking/beveiliging kerncentrale Dodewaard

Zo stonden wij ook met de ME regelmatig op de dijk bij Dodewaard de kerncentrale te bewaken vanwege vele demonstraties. We sliepen dan in porto cabins op het afgesloten terrein van de centrale. Minder fris was, dat, wanneer onze nachtdienst er op zat en wij de brits opzochten, wij de stapelbedden opzochten, waar de dagdienst juist uit kwam rollen. En zulke warme bedden voelden niet fijn aan.

Overigens waren het veelal vreedzame demonstraties, die daar gehouden werden. Meestal betroffen het sitdown demonstraties waar wij op linie dwars op de dijk voor de mensen stonden en een tiental meters voor de brug over de strang van de Waal, een dode zijarm, zodat niemand de toegangspoort van de centrale kon benaderen.

 

Kerncentrale Dodewaard (1969-1997, sloop gepland in 2045)

Eenmaal moest ik wel optreden: tegen een collega. Onze aflossing naderde over de dijk. Vier ME-bussen die, zoals gewoonlijk, langzaam en voorzichtig door de mensenmenigte moesten rijden om achter onze linie te komen. Met 5 rijen van 8 collega’s stonden wij in vredes-tenue, d.w.z. zonder beschermende kleding en zonder helm, maar met lange wapenstok op linie dwars over de dijk opgesteld, pal voor de demonstranten. Vaak was dat zelfs even gemoedelijk en ontspannen: praatje zus, praatje zo. Via megafoons werden de demonstranten, vaak vaders, moeders en kinderen, maar ook wel activisten, vriendelijk verzocht om even ruimte te maken voor de kleine kolonne. Daar werd bijna altijd meteen gehoor aan gegeven, maar vermoedelijk vond mijn collega naast mij die keer dat het te lang duurde voordat mensen opzij gingen en zonder waarschuwing sloeg hij met zijn lange wapenstok een vrouw op haar schouder die nog op de grond zat, twee meter voor ons. Haar ongeveer 8-jarig dochtertje zat naast haar. Ik zag, dat de vrouw geschrokken was en ook kermde van de pijn. Het was ook totaal onnodig. Ik keek hem aan, trok hem aan zijn jas naar achteren door ons 4 rijen dikke peloton naar de commandant, die achteraan stond. Woest gaf ik aan, dat ik nooit meer naast deze knaap wenste te staan en als hij het peloton in zou komen, ik er uit zou stappen. Wijselijk werd hij in de achterste linie geplaatst. Overigens heeft hij niet erg lang bij de ME gezeten want bij een volgend optreden verscheen zijn opvolger. Waarschijnlijk had hij in de gaten, dat hij anders in het vervolg de CADI-wagen (cantine-dienst) mocht bedienen.

Eenmaal binnen de poort op het terrein van de centrale, was je betrekkelijk vrij om je te bewegen. Zo kwam het voor, dat ik buiten de centrale, maar wel op het terrein in gesprek raakte met een werknemer van de centrale. Ik vroeg hem of er geen mogelijkheid bestond, dat er voor een aantal ME-ers een kleine tour georganiseerd kon worden, nu wij er toch waren en moesten blijven. En zo kwam het dat we een paar minuten later, in onze schaarse vrije tijd maar waar we daar toch niks mee konden, met vijf man naar binnen mochten en werd ons het indrukwekkende binnenste van de centrale getoond, inclusief de ruimte waar staven in gezet werden. Geen idee waarom. Ons werd verteld, dat het hoofddoel van de centrale was het opdoen van ervaring met het opwekken van elektriciteit door middel van kernsplijting. Dat ging prima en Dodewaard kon een stad met de grootte van Arnhem voorzien van stroom. En met schone energie. De rondleiding was in ieder geval een leuke afleiding.

 

 

Kernreactor Petten (1961 – ) Productie van radioactieve isotopen voor ziekenhuizen

Ook bij de kernreactor in de duinen van Petten (NH) zijn wij meermaals voor beveiliging aanwezig geweest. Daarvan zijn, buiten het feit, dat deze reactor op een mooie locatie lag, n.l. de Noord-Hollandse duinen, geen bijzonderheden te melden, behoudens de latere bekendmaking dat een Pakistaanse atoomgeleerde, Khan, o.a. hier kennis vergaard had en die gebruikt heeft voor de fabricage van een atoombom in Pakistan.

Krakersrellen Amsterdam

Anders was het toen krakers in de 80er jaren het voor het zeggen kregen in Amsterdam. Na aanzegging weigerde men de vele gekraakte panden te verlaten. Gemeente was (toen ook al) te laf om adequaat in te grijpen en liet het langdurig op z’n beloop. Uiteindelijk kon men niet anders en in maart 1980 waren de eerste ontruimingen met schandalige vernielingen en grote weerstand. Rellen braken los en hevig ook. Zodanig, dat de Amsterdamse politie het niet meer alleen aankon en een beroep deed aan de ME van andere korpsen.

 

N.a.v. de krakersrellen bij “De Groote Keyser”

En omdat ME-peloton RP Den Haag het eerste bijstandsverlenende peloton van Nederland was, konden wij direct weer in Amsterdam opdraven. Onder andere bij krakersrellen Vondelstraat, Jan Luykenstraat (Lucky Luyk), Stadhouderskade en Weteringschans waren wij ter assistentie van de gemeentepolitie Amsterdam aanwezig en traden wij op. Met name op de Stadhouderskade was het soms behoorlijk heftig. Gelukkig had de Amsterdamse Politie verkenners op de daken rondom de kraakpanden geposteerd en wij hadden al begrepen, dat we commando’s van hen via de porto’s onmiddellijk moesten opvolgen. Zonder te twijfelen.

Op linie op de Stadhouderskade waar we oog in oog met de krakers kwamen te staan, werd plotseling het commando “poloton Den Haag, 5 passen achteruit. NU!!”
Door de verschillende porto’s in ons peloton schalde die oproep, dus wij deden onmiddellijk wat werd opgedragen. Dat was maar goed ook: enkele tellen later kwam er een koelkast van het dak naar beneden zeilen….Nu op straat, waar wij enkele minuten er voor op linie stonden. Dat was serious shit, maar het deed de krakersgroep geen goed. Binnen het bereik van de lange lat of zelfs iets verder weg waren de relschoppers echt de klos. De blauwe plekken zouden nog lang gevoeld worden. Er werd niet ingehouden. Nadat zij verder waren teruggedreven en weigerden om achteruit te gaan, werden de karabijnschutters (waaronder ik) gevraagd de Winchester alsmede de traangasgranaten binnen handbereik te houden.

 

Traangasgranaat op de loop

Na een paar minuten kregen we de opdracht de granaten op de karabijn te zetten, de losse flodder (voor de vuurkracht) in het wapen te plaatsen, door te laden en te vuren. Dat deed je in een elevatiehoek van zo’n 30 graden, zodat de granaat in een boog afgeschoten werd en het verst kwam, vaak achter de voorste rij raddraaiers. Als honkballer gooide ik de handgranaten in die tijd net zo ver, als dat de geweergranaten kwamen. Maar anders dan bij de metalen traangashandgranaten, die wij ook wel bij ons droegen en die relschoppers ook wel eens wilden teruggooien, waren de geweer granaten van plastic. Althans, het omhulsel. En dat was een groot voordeel en zeker in ons voordeel.

Na het afschieten van de granaten probeerden de krakers vaak ook deze terug te gooien naar de politie. Dat deed men echter maar 1 keer. Deze granaat, die door het afvuren vanaf de  karabijn meteen tot ontsteking kwam, werd zo heet, dat deze bij veel relschoppers aan de hand smolt toen zij deze probeerden terug te gooien. Een (schater)lachje konden wij dan uiteraard niet onderdrukken.

 

Militairen veegden met tanks voor ons de barricades weg.

Heel wat krakersrellen hebben we in Amsterdam mee mogen/moeten maken en bij de vele rellen hebben we ook daadwerkelijk opgetreden. Altijd met een Amsterdamse diender voor in de ME-bus als gids, daar wij (boerenpolitie) natuurlijk de weg in Amsterdam niet zo goed kenden.
De CP (Commando-Post) stuurde ons een keer naar een bepaalde kruising, maar gaf wel aan, dat we bij die kruising rechtsaf moesten rijden, daar de relschoppers links bezig waren. We moesten daar verdere berichten afwachten. Achterin, bij de mannen, werd het schild dat als tafel gebruikt werd bij het klaverjassen, weer opgeborgen. Beschermende kleding, zoals legguards (been bescherming) toque, bodyprotector (als bij honkbalcatchers) onder de jas en helm werden weer aangedaan en we reden door de Amsterdamse straten met 4 bussen. Bij betreffende kruising sloegen wij dus ook rechtsaf, waarna bleek, dat de CP het juist verkeerd had doorgegeven. We reden rechtstreeks op de krakers af. We konden moeilijk keren of achteruit rijden, dus besloten wij zelf die straat maar schoon te vegen. Dat ging eigenlijk prima, zonder verdere bijstand. Wel kan ik zeggen, dat het werkelijk een vreemd gewaarwording was, als je voor het eerst tegen het traliewerk van je voor- en zijruiten constant stenen ziet komen, die vanuit de relschoppers gegooid werden. Maar iedereen uit de 4 bussen en met 40 man met de lange lat er over heen. Dat zou ze leren.

Dezelfde soort ellende ervoeren we ook bij andere acties, b.v. bij de kroning van Beatrix in 1980 en het bouwterrein van de geplande Stopera.

“Geen woning, geen kroning” scandeerde men toen. De raddraaiers hadden het mis: stevig ingrijpen en aan het eind van de dag was Bea gekroond tot nieuwe koningin en de raddraaiers hadden nog steeds geen woning.
Uiteraard hebben wij niet veel meegekregen van die kroning, maar voor stad en land was het belangrijk dat die kroning zonder problemen kon doorgaan. En dat was met een stevig potje optreden, prima gelukt. Eindelijk kon je, waarvoor je zo vaak getraind had, eens in de praktijk brengen. Bea heeft er niet zoveel van gemerkt, begrepen wij.

De komst van de Stopera (geen samenvoeging van Stadhuis en Opera, maar in de volksmond zo benoemd omdat men Stop Opera samenvoegde) leidde tot nogal wat ophef.  In Wikipedia wordt het als volgt omschreven:
De eerste paal werd op 5 juli 1982 geslagen, wat onder andere leidde tot een protestactie van tegenstanders van de bouw. Verschillende machines en bouwmaterialen werden gesloopt en in brand gestoken. Daarop werd het bouwterrein omheind met een hek en kwam de ME, ook peloton Den Haag, het terrein bewaken.

Dan stonden wij per plek met een mannetje of 10 (1 groep ME) bij elkaar en was het peloton in dat soort groepjes verdeeld langs de hekken van het terrein. Veel joviale Amsterdammers, die niets moesten hebben van die rellen, brachten ons regelmatig broodjes en koffie e.d.

Maar ook had men gewoon het lef om van een aan het hek vastgezette fiets onder onze ogen, op 10 meter afstand, het slot te verbreken om er met die fiets vandoor te gaan. Dat konden wij niet toestaan natuurlijk en hielden de dader, een blanke Amsterdammer daar aan. We riepen de lokale “wouten” op, die met hun Golfje aan kwamen racen.
Ze namen de arrestant over, zetten hem op de achterbank en waarschuwde hem, dat hij niets moest uithalen. Wel, met zijn grote bek probeerde hij onder de aanhouding te komen en zetten zijn ene been buiten het dienstvoertuig op de grond, kennelijk om daar uit te stappen. De potige agente bekeek dat en met een stevige zwaai gooide zij die achterdeur hard dicht. Arrestant kermde het uit. “Je was gewaarschuwd, kerel”.

 

Rellen en vernielingen bij het terrein waar de bouw van het Muziektheater (Stopera) gepland was.

In die tijd beveiligden wij ook vaak zogenaamde Eurotops of Euroconferenties, waar presidenten of andere regeringsleiders of ministers regelmatig vergaderden. Zo zijn wij aanwezig geweest bij zo’n “top” in Noordwijkerhout (eerder beschreven), maar ook in Maastricht. En daar heb ik geluk gehad:

Bij deze conferentie waren wij met ons peloton aanwezig. Met 2 collega’s stond ik op post bij de in- en uitgang van het perscentrum, uiteraard in de nachtdienst. Rond 02.00 uur werden wij uitgenodigd om binnen een hapje te komen eten en drinken. Omdat wij niet gedrieën onze post konden verlaten liet ik mijn beide collega’s weten, dat zij eerst maar even konden gaan. Ik bleef dan op post en zou na hun even naar binnen gaan.

Beide collega’s gingen naar binnen en kwamen na zo’n 3 kwartier terug. Schaamteloos vertelden zij wel, dat de haringen op waren. Zij hadden de laatste gekregen. Balen, maar ik vond vast wel iets anders. En inderdaad: ik deed mij tegoed aan lekker verse broodjes met andere lekkernijen en een tappie Brandbier. Dat smaakte prima, zo rond een uur of 3 in de nacht.

Volgende middag waren wij klaar met de beveiliging en ik stuurde onze ME-bus met de 10 man van mijn groep weer van Maastricht richting Ypenburg. Maar achterin, op de vloer van de bus en halverwege Limburg, lagen 2 collega’s ietwat met pijn in hun buik te kronkelen. Ze hadden ook allebei een papieren zak in hun hand. Inmiddels volgespuugd.

Het bleek dat zij dus wel de haring gegeten hadden en ik niet, omdat die op was. Later bleek ook inderdaad dat de haring besmet geweest is met salmonella en dus niet de salade, waarover de media berichtte. Wij wisten beter: het was wel degelijk de haring …

 

Uit de krant in maart 1981

Onbetrouwbare achterbuurman

In Nieuwerbrug bewoonden wij een hoekwoning met zeer ruime tuin. Zo ruim, dat we met gemak een kippenhok konden plaatsen en daar wij toch in een boerendorp terecht waren gekomen, bouwde ik een ongeveer 8 meter lang kippenhok, met 3 compartimenten en een nachthok. Bij een boer in Driebruggen kochten we 5 Barnevelders en een haan. Die leken het in dat hok prima naar de zin te hebben en al snel leverden zij ons gratis eieren. Zoveel zelfs, dat ik ze kon gaan verkopen. In Woerden kochten we bij de groothandel het kippenvoer in zakken van 40 kg.

Doordat we een haan hadden, kregen we al snel in de gaten dat de kippen gingen broeden. Natuurlijk, you can’t stop nature. Hoe leuk was het dan ook voor onze kleine kinderen om een zwik kuikens er bij te hebben lopen. En verder moesten we de eieren, die onze kippen fabriceerden verkopen en/of weggeven. Zoveel brachten ze op. In die tijd verhuisden mijn broer met zijn gezin voor zijn werk als luchtverkeersleider (ik meen) 2 jaar naar Jeddah in Saoedie Arabië. Maar in Limburg, waar zij woonden, hadden een Vlaamse Reus, Alex. Een goot en lief konijn en we boden aan om gedurende hun afwezigheid op hem te passen. Ik had aan het kippenhok een ruim, 3e afgescheiden compartiment getimmerd en hij leek het daar prima te doen, todat hij na enige tijd dood in zijn hok lag. We waren er ondersteboven van, temeer, daar het niet ons eigen konijn was. Pas veel later begrepen we dat de grond onder de hokken door de kippen konden zijn aangetast, waar een konijn het niet goed op doet. Zuur of zo.  We woonden er echt wel een paar jaar leuk. Gelukkig namen Ed en Gabriëlle het luchtig op.

Voor het kippenhok lag een beetje blubberzooi. We hadden contact met onze achterbuurman, Ton van Steenderen. Dat was een klusjesman die ons ooit aanbood een stenen terras voor het kippenhok te leggen voor fl. 75,- , alles inclusief: dus zand, tegels en arbeidsloon. Omdat hij al eens een biertje bij ons gedronken had en het ook een vriendendienst noemde ging ik akkoord.

En zo stond hij een paar dagen later met een lading zand en stoeptegels in zijn aanhangwagen en ging hij aan de slag. Bestraten moest hij vaker gedaan hebben. Het lag er na 2 dagen strak bij en wij waren er blij mee.

Ik merkte, dat ik de diensten op straat, dus de patrouilles en surveillances steeds minder leuk begon te vinden na 13 jaar. Gezeur met burenruzies, overlast en dergelijke flutmeldingen was nu niet het meest aantrekkelijke van mijn politiebaan.
Alhoewel resoluut optreden ook altijd wel iets bracht.

Zo was er een avond een melding van de meldkamer, dat zij daar een beetje moe werden van een beller uit Bodegraven, die een keer of 15 per uur naar de meldkamer belde met onzinnige meldingen. Hem was door de meldkamer al gewaarschuwd daar mee op te houden en ook wij hadden hem kort er voor nog gewaarschuwd. Hij trok zich daar niks van aan en bleef bellen, kennelijk ergens door gedrustreerd maar waardoor hij lijnen bezet hield, die de meldkamer (alarmcentrale) broodnodig vrij wilde houden. Bij de zoveelste telefoontje van die “melder” verzocht de meldkamer om nu rigoreus in te grijpen. Op ons aanbellen werd opengedaan, zonder tegengehouden te worden liep ik naar de huiskamer en zag zijn telefoontoestel staan. Deze was echter rechtstreeks met een kabel in de muur verbonden, maar één harde ruk, waarbij de kabel brak kon ik het toestel in beslag nemen en mee naar het bureau brengen. Overlast was subiet afgelopen; meldkamer blij.

De volgende dag had ik nog wel de PTT (toen) aan de lijn, die mij vertelde, dat ik buiten mijn boekje was gegaan en dat ik dat niet had mogen doen. Toen ik die ambtenaar vroeg of hij wel wist wat er aan de hand was en hem daarop vroeg zich niet met mijn werk te bemoeien heb ik gewoon opgehangen. Niks meer van gehoord. Logisch, want ik had gedaan wat ik moest doen: overtreding doen ophouden.

Inmiddels was ik vrijwillig gedetacheerd voor 4 maanden op de meldkamer van de Rijkspolitie in Leiderdorp.

Men had daar tekorten en mij leek het wel wat, dus daar reed ik dagelijks met mijn Renault 16 naar het districtsbureau in Leiderdorp, alwaar de meldkamer gevestigd was.

Althans, op de momenten dat de auto het deed, want toen ik op een gegeven moment een andere auto moest hebben, wist van Steenderen, zo heette de buurman/stratenmaker, wel een goed adres. Voor 1200 gulden, die ik hem gaf, kwam hij later die dag met de auto aan. Ik moet zeggen: de auto reed op zich prima en ik was er toen (even) blij mee, totdat ik na 2 dagen met een kokende motor stond.

Ik bracht de auto naar Kempenaer, de Renault garage in Bodegraven en daar bleek de koppakking kapot te zijn. Reparatie kostte fl. 1600,=. Volgens de garage had de verkoper dit moeten weten.

Ik kon niet anders: moest hem wel laten repareren, maar niet nadat ik mijn beklag bij van Steenderen gedaan had. Die wist natuurlijk van niks, maar via het kentekenregister kwam ik achter de vorige eigenaar (wilde van Steenderen niet zeggen) en die bleek in Utrecht te wonen. Nadat ik hem opgezocht had, bleek ik gewoon bedonderd te zijn geweest door die achterbuurman. Die knaap had de auto aan hem verkocht voor slechts fl. 300,- omdat de auto een kapotte koppaking had, terwijl ik aan van Steenderen Fl. 1200 gulden moest betalen. Hij stak dus zo 900 gld in zijn zak en wilde niets terugbetalen.

Vanaf die dag was het “oorlog”. Althans, ik moest niks meer van hem hebben en al helemaal niet toen ik hem natrok bij de politie in Woerden. Daar kwam hij n.l. vandaan en was daar goed bekend als vechtersbaas, oplichter, steuntrekker en fraudeur. Lekker dan. Had ik weer, maar ik zinde op wraak, zonder misbruik maar evt. wel gebruik van mijn beroep te maken.

Op een bepaald moment had ik het kenteken van zijn grote oranje Opel Record genoteerd en toen ik weer op de meldkamer kwam, heb ik uit nieuwsgierigheid dat kenteken eens opgevraagd. Vreemd: dat stond op naam van iemand uit Dordrecht.

De volgende dag heb ik die Dordtenaar gebeld en gevraagd wat hij voor auto bezat. Dat bleek uiteraard eenzelfde auto te zijn als die mijn achterbuurman, zelfde bouwjaar en zelfde kleur. Ik vroeg hem of hij wel eens bekeuringen binnenkreeg, die met zijn auto gemaakt zouden moeten zijn maar niet door hem. “Ach meneer, bijna wekelijks. Van verkeersovertredingen, wegenbelasting, verzekering enz. Ik word er gek van en politie kan niks doen, zeggen ze, want de auto staat op mijn naam”.

Eerlijk is eerlijk: dit vond ik heerlijk ! Van Steenderen reed dus gewoon met een vals kenteken: een misdrijf ! Dat ging ik natuurlijk gebruiken.

Ik heb die meneer beloofd, dat daar nu een einde aan gekomen is en dat ik maatregelen ga nemen. Nadat ik hem alles uitgelegd had, dat een ander met zijn (dus vals) kenteken reed en dat hij waarschijnlijk verantwoordelijk was voor al die boetes, was de Dordtenaar natuurlijk blij en opgelucht. Dat was niet het einde van het verhaal. Ik hoefde niet, maar zou er ook voor zorgen, dat alle onterechte boetes naar die van Steenderen zou gaan en dat de rechtmatige eigenaar van dat kenteken, die in Dordrecht woonde, alles wat hij voor zijn auto heeft moeten betalen terugbetaald zou krijgen. Ik bracht hem daarvoor in contact met een civiel-rechtelijke advocaat.

 

Onze hoekwoning in Nieuwerbrug

Ik lichtte mijn collega’s op bureau Bodegraven in en verzocht hen met tact een onderzoek in te stellen naar zijn voertuig, maar vroeg ze wel de nodige voorzichtigheid te betrachten en te proberen dat onderzoek niet in Nieuwerbrug te laten plaatsvinden. Ik wilde niet de kat op het spek binden, maar helaas. Erg slimme collega’s had ik niet.

Kort na mijn melding op mijn vrije dag, terwijl ik dus thuis zat, zag ik een politievoertuig mijn straat in komen rijden, maar zag ook dat van Steenderen juist van af zijn huis wegreed en bij mijn huiskamer, die aan de voorkant aan de straat lag, voorbij kwam rijden. Zoals te zien is bij de rode pijl was de straat te smal voor 2 voertuigen en moest hij wel stoppen voor de politiewagen. Recht voor mijn huiskamerraam werd van Steenderen gecontroleerd. Uiteraard klopte er allemaal geen bal van zijn papieren en werd hij aangehouden. Geboeid werd hij naar het bureau overgebracht en zijn voertuig werd in beslag genomen en weggetakeld. Hij ging voor 5 dagen in voorlopige hechtenis.

Na een paar dagen was hij weer vrij, maar het onderzoek liep natuurlijk nog. In die dagen deed ik nog steeds dienst op de meldkamer in Leiderdorp. Ik had die komende nacht dienst en lag op bed om voor te slapen, zoals ik wel vaker deed als ik de nachtdienst in moest. Mijn slaapkamer lag aan de tuinzijde.

Het was een winteravond, dus vroeg donker en ik lag lekker te slapen, totdat ik in de tuin een enorme klap hoorde, meteen gevolgd door glasgerinkel. Ik schoot mijn bed uit en liep naar de tuin. In de hoek van keuken en huiskamer zag ik allemaal glas op de grond liggen. Er was zojuist een lege fles wijn tegen de muur kapotgegooid. De fles had op een paar centimeter na het huiskamerraam gemist, waarachter de box van onze jongste stond. Maar duidelijk was dat de fles door het raam gegooid had moeten worden.

Dat kon er maar eentje gedaan hebben en ik ben meteen op mijn achterbuurman van Steenderen afgelopen, die thuis was. Ik vroeg hem of hij degene was, die zojuist die fles had gegooid, waarop hij bevestigend antwoordde. En meteen daarop: “Je hebt mij genaaid, dus ik ben nog niet klaar met jou. Ik kom je wel tegen als je je hond uitlaat”.

Ik antwoordde: “Graag ! Maar goed dat je dit nu even meedeelt. Houd er rekening mee, dat ik vanaf vandaag hier niet meer ongewapend de hond uitlaat. En ik waarschuw je: waag het niet om dichterbij dan 20 meter komen. Dan voel ik mij namelijk bedreigd. Mogelijk zelfs al iets eerder, dat kan ook.”. “Wat zou je doen dan? ”, vroeg hij. “Niet zoveel, zei ik. Alleen schiet ik je dan door je knieën.”

Ik wachtte geen antwoord af en liep weg. Het bleef stil. Ik had inmiddels al geleerd, dat je echt niet tegen dit soort gasten moest zeggen dat ze een proces-verbaal of bekeuring zouden krijgen. Ik sprak hem aan in de taal, die hij wel goed kende en dat werkte, had ik de indruk. Ik geloofde ook wel, dat hij aannam dat ik niet zomaar aan het bluffen was omdat ik woest was. Wel, dat was de bedoeling.

Maar echt, ik heb weken gewapend met mijn dienstwapen de hond uitgelaten. In uniform, maar ook in burger. Vanzelfsprekend heb ik aangifte van deze poging tot vernieling gedaan. Vanaf dat moment werd hij totaal genegeerd. Ik had op een sarcastische manier met hem te doen: om de wijk uit te rijden of er in te komen moest hij altijd langs mijn woning. Als ik thuis was, keek ik hem wel altijd indringend aan als hij voorbij reed. Met voldoening, maar vond het zielig voor zijn vrouw, dat echt een heel lief mens was, maar nu ook op afstand gehouden werd, als ook zijn zoontje, waar onze oudste regelmatig in de buurt speelde. Dat was ook over.

En je moest eens weten: het was echt een beer van een vent. In een vechtpartij zou ik dus echt het onderspit gedolven hebben, dus ik moest hem wel anders aanpakken. Na een paar maanden sprak hij mij op straat aan.

Hij wilde zijn excuses aanbieden, terwijl ik hem verweet dat mijn vrouw en kind doodsbang van hem waren, maar dat ik alles zou doen om hen te beschermen. Hij verzekerde mij daar dat hij mijn vrouw en kinderen echt nooit iets zou doen en dat hij het heel vervelend vond, dat niemand van ons meer zwaaide naar hem. Tja, jammer dan. Hij heeft ons de stuipen op het lijf gejaagd.

 

Voormalig districtsbureau RP Den Haag, v.d. Valk Boumanweg 180, Leiderdorp

Verhuizing Nieuwerbrug – Leiderdorp

Het geluk was met ons: niet lang erna, in 1982, kon ik wederom intern solliciteren op een functie: nu als centralist/telexist/mobilofonist op de meldkamer. Ik werd aangenomen. Nog meer geluk: we konden meteen een nieuwbouwwoning (Rijksvoorkeurwoning) betrekken in de Hendrik Andriessenstraat in Leiderdorp. Dat was zowat een steenworp afstand van mijn werkplek: het districtsbureau van de Rijkspolitie Den Haag aan de van de Valk Boumanweg 180. 

Daar had ik het enorm naar de zin. Ik vond het erg leuk werk en was er goed in, mede doordat ik een zeer grote plaatselijke bekendheid in het district had. Ik kende alle provincale- en rijkwegen uit mijn hoofd, maar ook verder in het district wist ik aardig de weg: van Hillegom tot ’s Gravenzande en van Voorschoten via Nieuwkoop naar Schoonhoven en Lekkerkerk. En verder was ik aardig bekend in de grotere plaatsen (met gemeentepolitie) in ons gebied (Den Haag, Rotterdam, Delft, Leiden, Alphen, Zoetermeer). Dat hielp enorm.

Eén van de taken, die je daar had was die van telexist. Als beheerder van het telex hoofdaccount RPLR102 van de RP Den Haag diende je bij aanvang van iedere dienst alle binnenkomende telexen nagekeken te kijken en wat voor hen van belang was, door te sturen naar de telex van betreffende land- of verkeersgroepen. Per dienst was je daar wel een half uurtje mee bezig, maar was geen vervelend werk.

Werkzaamheden werden verricht in full continue ploegendienst, tesamen met enkele (4) burger ambtenaren. De rest van het personeel, mannetje of 20, was geuniformeerd. Je had de beschikking over 4 mobilofoonkanalen, die het gehele district bestreken. Doorgaans waren die in 2 delen afgeschermd om niet teveel drukte over de radio te krijgen. In nachtdiensten koppelden wij alle kanalen aan elkaar (en had je achter de meldtafel ook maar 1 collega nodig die de mobilofoon bediende) maar naar believen (b.v. bij een grote actie op een groep of wanneer een Staat van Politie Alarm afgeroepen werd als er ergens in de provincie/district een ernstig delict was gepleegd, (b.v. overval) kon je één of meerdere kanalen afschermen.

Natuurlijk waren het voornamelijk serieuze meldingen, die over de mobilofoon gingen, maar er was soms ook wel tijd voor een grapje, hoewel wij, ver voordat Ellie Lust het bracht alsof zij het verzonnen had, het al regelmatig over ether-discipline hadden. Het was dus niet iets wat zij uitgevonden had wat kennelijk veel mensen denken, maar wat al erg lang bestond. De oudere centralisten kunnen dat zeker beamen, maar gunnen haar de lol.
Succes had je b.v. wel als je collega’s ’s nachts voor een inbraakalarm b.v. stuurde naar Bergschenhoek, Kleuterschool het Kuitfleteltje. Hilariteit gegarandeerd over het (mobilofoon-)net. Geintje op z’n tijd moest kunnen. Hield de lol er in.

Maar je schakelde vaak via de “INRAP” (het mobilofoonkanaal, waar gemeentepolitie- en rijkspolitiekorpsen uit de hele provincie of een gedeelte daarvan rechtstreeks met elkaar konden communiceren, als je hulp nodig had of wanneer achtervolgingen van het RP-gebied en GP-gebied ingingen, dus van de kleinere gemeenten een grotere in. Of andersom. De kanalen konden naar believen steeds verder gekoppeld worden. Maandelijks werden er testen gedaan, waar kanalen met elkaar gekoppeld werden en waardoor korpsen in Groningen b.v. even konden communiceren met korpsen in Limburg, terwijl Zuid-Holland meeluisterde. Dat was dus nog niet zo slecht, in die tijd.

Tegenslagen waren er natuurlijk ook wel. Niet onoverkomelijk, maar wel heel vervelend en balen van de dag, die zo leuk begonnen was. Want nadat we die dag in de zomervakantie besloten om met z’n viertjes naar het Tikibad in Duinrell, Wassenaar te gaan kwamen we later toch van een kouwe kermis thuis.
In twee kluisjes hadden wij onze kleding, sleutels, portemonnee opgeborgen en dachten wij werkelijk dat het daar in dat zwembad wel veilig was.

 

Tikibad Duinrell Wassenaar

Niet echt, ontdekten wij tot onze schrik. Na een paar uur plezier in het bad, kwamen we terug bij de kluisjes en bleek de mijne opengemaakt te zijn met een “valse sleutel” (dus een reserve- of copie sleutel) terwijl je er van uitgaat, dat buiten de beheerder van het bad, jij de enige bent die in die kluis kan. Wel, bij Duinrell was dat dus niet zo.
Mijn nieuwe Voetbal International sporttas (die ik daags ervoor gekregen had omdat ik een abonnement op de VI genomen had) was verdwenen, waarin kleding van Maarten en mij, Pem’s tas en van beiden de huis- en autosleutels, portemonnee met mijn rijbewijs. Allemaal weg. Ellendiger hebben wij ons niet eerder zo gevoeld en als je dat dan rapporteert bij de leiding van het Tiki-bad en je je schade meldt, krijg je alleen de opmerking:

Even heb ik overwogen om vanaf dat moment met zo’n sticker op mijn auto gaan rijden….

Uiteindelijk heb ik het contactslot van onze Ford Taunus open moeten breken (reservesleutel zat in Pem’s tas, die ook gestolen was) en moest vanaf dat moment dan ook de auto starten met een schroevedraaier in het contact. Omdat niet alleen dat van mij maar ook de kleding van de jongste weg was (zat in de sporttas) moesten wij beiden uiteindelijk in zwembroek op het bureau bij de politie in Wassenaar aangifte doen. Nooit meer iets van gehoord, natuurlijk.
Betekende wel, dat we thuis eerst via een raampje en de hark de tuindeur konden openen en dat we meteen daarna alle sloten hebben laten vervangen.

Vanzelfsprekend heb ik daarna toch het Tikibad aansprakelijk gesteld, maar dat weigerde Duinrell, als verwacht, te accepteren. Wel had men het gore lef om ons als “troost” vier vrijkaarten te sturen. Wel, je zult begrijpen dat we die, onder vermelding dat we het risico daar nooit meer zouden durven nemen, onmiddellijk hebben terug gestuurd.

 

Mobilofoon gebruikt in de RP-voer- en vaartuigen

Als ME-buschauffeur was ik door mijn vertrek uit Bodegraven/Nieuwerbrug ook vertrokken bij het peloton RP Den Haag. Maar bij mijn aanstelling als centralist op de meldkamer werd ik ook meteen weer aangesteld als chauffeur- mobilofonist van de commandobus, die in de garage van het districsbureau in Leiderdorp zijn standplaats had. Ik bleef dus min of meer betrokken. Deze ME-bus was volgestopt met communicatie apparatuur en een electrische, uitschuifbare antenne voor een goed bereik in de omgeving van de bus. Met die bus ben ik regelmatig bij de grotere incidenten of calamiteiten in het district geweest (branden, grote ongelukken, ernstige misdrijven e.d.) en  was ik ter plaatse verantwoordelijk voor het gesloten portofoon- en mobilofoon netwerk.

Inmiddels raakte ik steeds meer geintrigeerd door de wereld van computers. Op de meldkamer stond een simpele PC, waar we een direkte verbinding met de Rijksdienst voor het Wegverkeer hadden voor kenteken tenaamstellingen. Moest je tenaamstellingen voorheen via een briefje aan de RDW op de Fruitweg in Den Haag sturen en dan een dag of 8 op de schriftelijke tenaamstelling wachten, kon dat nu binnen enkele seconden via die computer.

Maar doordat ik, autodidactisch als ik was, er steeds meer te weten over kwam, wist ik op diezelfde computer een databaseprogramma (Superbase) om te bouwen tot een criminelenbestand met aandachtvestigingen, die normaliter waren opgeborgen in multomappen. Wanneer m.n. in de nachtdienst een (verdacht) kenteken werd opgevraagd en wij meteen de tenaamstelling voor ons hadden, zochten wij datzelfde kenteken ook op in de database van aandacht-vestigingen. Dat leverde toch regelmatig leuke hits op, die je anders nooit gevonden had, omdat je gewoon niet zo snel door de multomap kon bladeren.

Ook mijn Commodore-64 thuiscomputer gebruikte ik met regelmaat op de meldkamer voor dat soort doeleinden. In de zelf aangeleerde eenvoudige programmeertaal BASIC programmeerde ik databases, waar we op de meldkamer veel successen mee behaalden. Het zoeken ging natuurlijk veel sneller, dan bladeren in een multomap.
Het was pionieren in die tijd, maar dat maakte het werk leuk. Thuis was het veelal Boulderdash, PacMan, tennissen en honkbal op de Commodore en op het zwartwit portable tv-tje, maar op het districtsbureau was het serious business. En aangesloten op de kleuren TV.

Na 5 jaar gewerkt te hebben op de meldkamer en ik inzag, dat ik qua promoties niet snel in aanmerking zou komen (bij de RP ging dat op volgorde en niet op kwaliteiten en die volgorde kon je prima volgen in de politie-almanak) en ik meer en meer geinteresseerd raakte in de opkomende automatisering, greep ik een kans aan toen een vriend aankwam met een vacature, waar 17 mensen gezocht werden om computer operator te worden bij SWIFT in Zoeterwoude. We solliciteerden allebei, ik werd aangenomen maar hij zelf niet. Nog niet.

Bij politie ontslag genomen – begonnen bij SWIFT

Op 1 mei 1987 begon ik bij SWIFT (van de bank-codes) en kreeg daar meteen gedurende twee weken een opleiding en werd ik ingedeeld in één van de teams met operators.

SWIFT, opgezet door zo’n 7000 banken over de hele wereld, onderhield een wereldwijd financieel computer-netwerk (soort voorloper van het Internet, maar dan alleen voor banken en voor het verzenden van berichten), met in ieder land RPC’s (regional processors) en hubs. Deze werden in het operating centre in Zoeterwoude (met een exacte copie in Culpeper (USA) bewaakt en beheerd. In totaal deden vier maninframes het werk, maar was er altijd één actief.

Mocht b.v. in Zoeterwoude, het immer leidende Operating Centre voor het wereldwijde netwerk een calamiteit plaatsvinden, b.v. een bom op het dak, dan zou het computercenter in Culpeper naadloos de werkzaamheden kunnen overnemen, dus zou het financiële netwerk niet beïnvloed worden en trad er geen “downtime” op (De tijd, waar een computer niet zijn werk kan doen). Deze disaster test werd meerdere malen per jaar gehouden, waarbij de downtime zo kort mogelijk gehouden moest worden. Je werd daar ook op getrained om zodanig te handelen, dat die downtime zo kort mogelijk was. Testen werden aangekondigd en onaangekondigd gehouden.

In de beide vestigingen stonden in het begin Burroughs B4800 mainframes (nog watergekoeld met V-riemen en iedere machine zo groot als een huiskamer), die het netwerk draaiende hielden. Later werden die vervangen voor Unisys A-series mainframes. Deze machines waren zo groot als een forse PC, maar vele malen sneller en krachtiger dan hun voorganger. Banken waren met het netwerk verbonden via leased lijnen (vaste lijnen) of PSTN (inbellijnen) en via hun plaatselijke hub met de servers.
Maar het Operating Centre was wel heel goed beveiligd en beschermd. De muren van het gebouw waren op anti-tank kwaliteit gebouwd en in de kelder stonden op grote rubbers knappe scheepsmotoren als generatoren klaar om bij stroomuitval meteen op te starten. Iedere scheepsmotor had iets van 300 accu’s tot zijn beschikking, om de eerste 7 minuten te kunnen overbruggen bij het opstarten van de generatoren. Ieder jaar werd de diesel uit de tanks gepompt en vervangen voor nieuwe brandstof. De oude zou eens vuil kunnen worden. Het was dus een gigantisch beveiligd bedrijf.

 

Vestiging (of vesting ?) van SWIFT in Zoeterwoude-Rijndijk – Still: Google Earth 2020

Daarbij zorgde de werkgever ook voor goede werkomstandigheden. In Zoeterwoude had SWIFT de beschikking over twee gebouwen. In het bijgebouw, ook wel Rembrandtgebouw genoemd, was een compleet fitness-centrum met de beste apparatuur ingericht. Vrijelijk te gebruiken. Sportuitgaven tot een bedrag van Fl. 1250,= mocht ieder jaar gedeclareerd worden en het maakte niet uit of je campingspullen, je contributie of een motorpak declareerde. Werd allemaal goedgekeurd.

De kantine was luxe ingericht en diverse eet- en drinkwaren waren vrij te verkrijgen. Verder waren er door het jaar heen activiteiten waar je aan kon deelnemen, zoals de jaarlijkse voetbalwedstrijd tussen personeel uit Zoeterwoude en personeel uit Brussel en zaalvoetbaltoernooien in de eigen sporthal in Ter Hulpe, naast de tennisbanen en het zwembad, alle op het terrein van het hoofdkantoor. Het ene jaar was het voetbalfeest in Nederland, het jaar daarop in Brussel, altijd gevolgd door een feestavond. En ook daar werd altijd groots uitgepakt met b.v. buffetten. Ook werden dagtochten naar de Ardennen georganiseerd: op zaterdagmorgen rond 7 uur met de luxe touringcar vertrokken en dan gaan mountainbiken in de heuvels en daarna kayakken op de Ourthe. Bij terugkomst een gezamenlijke BBQ en je was ’s avonds om 23.00 uur weer thuis. Op dezelfde basis werden bustochten naar kerstmarkten georganiseerd of weekendjes skieën in Winterberg. Echtgenoten mochten altijd, ook gratis, mee. Geweldig.

Na een aantal jaar bemoeide ik mij ook met randzaken. Ik hielp mee met het oragiseren van voetbal- en honkbalwedstrijden, zorgde voor behoorlijk sportkleding via Wout Bergers in Leiden en deed steeds meer op dat gebied. Toen er een fotograaf gezocht werd om foto’s op een personeelsavond te maken, schoof ik mijn vader (al tig jaar amateurfotograaf) naar voren en heeft hij op een behoorlijk aantal van dat soort avonden, leuk verdiend. Betalingen gingen dan in de vorm van uitgaven aan papier, camera of wat dies meer zij. Hij had daardoor altijd een leuk saldo ter beschikking bij Foto Linthout in de Dorpsstraat in Zoetermeer. En het leuke voor hem was, dat zijn vrouw, mijn moeder, altijd mee mocht naar deze feesten.
Toen ik op een gegeven moment aan het hoofd personeelszaken vroeg, waarom mijn vriend, die 2 jaar eerder tegelijk met mij solliciteerde, afgewezen werd en ik niet, antwoordde zij: “geen idee, misschien vanwege zijn foto?”… Ik vroeg haar of hij nog eens een poging mocht wagen op het moment dat hij nog steeds agent was bij de politie om te solliciteren. Dat mocht en hij werd aangenomen en heeft sindsdien ook daar gewerkt. Langer dan ik zelfs.

Maar ook op de gezondheid werd gelet. Op het hoofdkantoor hadden we de beschikking over een eigen tandarts, een eigen huisarts en een verpleegster, die fulltime aanwezig waren. Eenmaal kwam ik ’s morgens gebroken op het werk daar in La Hulpe, terwijl ik in de middagpauze had willen zaalvoetballen. Ik had een ongelooflijke rugpijn en besloot langs de dokter te gaan. Volgens mij was dat een chiropractor, want hij liet mij zitten, pakte mijn hoofd tussen zijn handen en met een schok draaide hij mijn hoofd met kracht snel naar links en terug. Daarna moest ik even blijven zitten vanwege de duizeligheid, maar daarna kon ik opstaan. Mijn rugpijn was weg en ik mocht 2 uur later zelfs gewoon gaan zaalvoetballen !

Ik kwam in wisseldiensten te werken, wat ik wel prettig vond: met je ploeg van zo’n 12 man had je een week dagdienst, een week avonddienst en een week nachtdienst. En na die nachtdienst had je altijd een week vrij. De onregelmatigheidstoeslag bij SWIFT was 32%. Op je basissalaris. Dat was ook structureel wat je binnen het bedrijf hoorde: je durfde gewoon niet (vrijwillig) naar een andere baan te gaan, want het salaris was te goed om dat te doen.

Na twee weken intern opgeleid te zijn voor computer operator, kwam ik in een team met operators en een shiftleader te werken. Met dit team werkte ik al die tijd samen en deden wij backup taken en hielden wij het netwerk via tally’s (grote printers) in de gaten. Die ratelden de hele dag, 24/24. Zodra er ergens een Hub of RPC plat ging, verscheen die melding op de printer en konden wij meteen omleidingen leggen en het financiële verkeer via andere tussenstops laten lopen.

Zo ook op 2 augustus 1990. Ik had nachtdienst. Het begin van de eerste Golfoorlog. Vanuit Koeweit kregen wij op het Operating Centre in Zoeterwoude berichten van o.a. de lokale SWIFT Regional Manager binnen dat Irak Koeweit binnen was gevallen. Niet lang daarna kreeg ik de opdracht van hogerhand om alle telefoonlijnen, dus zowel de  Leased als PSTN lijnen waarover het financieel dataverkeer plaatsvond af te sluiten, zodat er vanaf dat moment geen betalingsverkeer meer naar en van Koeweit kon plaatsvinden en daardoor Koeweitse bezittingen veilig gesteld werden.
Met één simpele commando sloot ik Koeweit van de financiële buitenwereld af. Let wel, het staat hier simpeler beschreven dan dat het in het echie was: er was in die nacht wel wat communicatie binnen SWIFT voordat ik dat commando uiteindelijk moest uitvoeren. Maar ik voelde de “ingreep” wel en realiseerde mij dat er vanaf dat moment geen Koeweitse Dinar (of andere munteenheid) het land in- of uitging en ik denk dat de sheik wel blij was..

Vakantie Benalmadena, Spanje

Het was oktober 1987. In de herfstvakantie hadden wij 2 weken Benalmadena geboekt, een (toen) klein dorpje gelegen tussen de andere opkomend toeristische plaatsen aan de Costa del Sol in Spanje.

Voordat wij op vakantie gingen, had Pem al eens gegrapt dat er dit jaar niemand op haar verjaardag zal zijn. De reden was dat wij natuurlijk met haar verjaardag in Spanje verbleven.

Maar dat had ze beter niet kunnen zeggen. Wij zaten al een paar dagen in ons appartement, toen er ’s avonds rond een uur of 10 beneden gebeld werd. Door de intercom vertelde een Nederlands sprekende man, dat hij een pakketje kwam afleveren en of hij daarmee boven mocht komen. Uiteraard mocht dat: we hadden geen enkele verdenking en waren natuurlijk benieuwd.
Niemand zag onze gezichten, toen wij mijn ouders uit de lift zagen stappen. Op goed geluk hadden zij, via Ed, 2 tickets geboekt bij Iberia, de Spaanse luchtvaartmaatschappij en waren daarmee naar Malaga gevlogen. Mijn vader had een kennis vlakbij wonen en die had hen van het vliegveld opgehaald en bij ons afgeleverd.

Nadat iedereen een beetje bijgekomen was, wilden de ouders een onderkomen in de buurt zoeken om daar een weekje te kunnen verblijven. Dat konden we natuurlijk niet toestaan, dus iedereen schikte een beetje in en mijn ouders hadden die week een eigen kamer met 2 bedden. De jongens, resp. 9 en 5 jaar sliepen in de huiskamer. Het werd een gezellige week, maar het weer was niet om over naar huis te schrijven. Dat deden we dan ook maar niet, maar buiten de enkele zonnige dag die we dan nog wel hadden waren we al snel op het strand te vinden en gebruikten we de overige tijd door veel te wandelen. Na een week moesten mijn ouders weer op huis aan en hadden wij na hun vertrek nog een paar dagen met z’n vieren.

Bijbaan bij WestNederland

Op enig moment in 1989 kwam ik Gijs van Laviere tegen, een ex-collega van de Rijkspolitie groep Waddinxveen, met wie ik buschauffeur bij de Mobiele Eenheid peloton Den Haag geweest was. We vertrokken ongeveer gelijktijdig bij de politie: ik naar SWIFT en hij werd regiomanager bij het Openbaar Vervoer-bedrijf WestNederland, gevestigd in Boskoop.

Historische Vereniging Boskoop

 

Oude Stalling WestNederland in Boskoop, waar ik in 1989 parttime werkzaam was. Nu verdwenen.

Hij vertelde mij, dat ze veel parttime chauffeurs tekort kwamen en vroeg mij of ik interesse had om zo nu en dan korte diensten te rijden. Dat leek mij wel wat en ik vroeg toestemming aan SWIFT. Men vond het prima.

Dus vanaf 1 januari 1988 was ik ook in dienst bij WestNederland. Na een week lijnverkenning en een bezoek aan de maatkleermaker in Delfshaven voor het opmeten van 2 complete maatkostuums ging ik zelfstandig aan de slag. Ik reed vaak enkele lijnen, zoals Leiden-Zoetermeer-Rotterdam, R’dam–Gouda, Leiden-Alphen a/d Rijn en dan was ik klaar. Of ik haalde ’s morgens vroeg een bus op in Boskoop, reed er leeg mee naar station Woerden en begon de spitsrit via Harmelen en Vleuten de Meern naar Utrecht CS. Aldaar reed ik weer terug naar Woerden en was ik weer klaar. Altijd volle bussen, weet ik nog. En met de fijne degelijke bussen, semi-automatisch, dus wel schakelen, maar niet (ont)koppelen. Geen stuur- en rembekrachtiging, maar dat deerde niet. Ze reden heerlijk.
Boordcomputer bestond toen nog niet, dus ik had voor mijzelf op papier een heel tijdschema gemaakt hoe laat ik bij welke halte moest zijn. Honderd keer per dag keek je dan op je horloge.

Soms gebeurde het dat ik (iets te vroeg) na mijn werk bij Swift een bus in Boskoop ophaalde, omdat ik moest beginnen in Leiden voor een rit naar Rotterdam. Doordat ik veel te vroeg was, parkeerde ik de bus rustig op de parkeerstrook aan de Alphons Diepenbrocksingel in Leiderdorp, op een paar meter afstand van de Hendrik Andriessenstraat, waar we toen woonden en reed er dan op tijd mee naar station Leiden. Dat heb ik een jaartje gedaan, totdat WestNederland verlangde dat ik ook in de weekenden ging rijden. Maar omdat ik nog veel te fanatiek honkbalde in het eerste team voelde ik daar niets voor en stopte de overeenkomst. Maar dat dat besturen van een bus leuk was, “toys for boys’, zeg maar, heb ik toen ontdekt en altijd onthouden.

In 1989 kochten we een nieuwe eengezinswoning op de Molentocht, eveneens in Leiderdorp (houtskelet, hetgeen toen best al  experimenteel genoemd kon worden) met o.a. houten vloeren op de verdiepingen. Voor die woning kochten wij plavuizen bij een tegelhandel op de Rijndijk in Leiden en dat moest 2 dagen later contant worden afgerekend. Vanwege de opkomende verhuizing hadden we dus fl. 3000,- contant in huis, maar waar moesten we dat laten? Op de slaapkamer in het oude huis stonden de verhuisdozen met o.a. boeken, tegen de muur opgestapeld, dus het geld in een envelop tussen 2 dozen geschoven, boven ooghoogte. Wij moesten n.l. iets uitvoeren in de nieuwe woning.

Inbraak woning

Toen wij die middag terugkeerden, zagen wij aan de tuinzijde dat het raam van onze woning opengebroken was. Een snelle speurtocht leerde, dat de videorecorder meegenomen was en een blauw colbertjasje, dat aan de kapstok hing. (Waarschijnlijk videorecorder onder het colbert mee naar buiten genomen). Natuurlijk dachten wij aan het geld op de slaapkamer, maar ondanks dat de nachtkastjes overhoop waren gegooid op bed, bleek het geld niet gevonden. We hebben aangifte gedaan en de schade aan het raam en de videorecorder bij de verzekering geclaimed. Wij hebben het altijd vreemd gevonden, dat ineens op dat specifieke moment bij ons werd ingebroken en we hebben ook altijd 2 partijen verdacht: een directe buurman, gescheiden met 2 jongens) maar ook de tegelhandel, die wist dat wij zoveel geld in huis hadden.

In die tijd ging WestNederland ook eisen dat ik in de weekenden zou gaan rijden. Dat wilde ik niet en ik ben toen gestopt bij de bus. Ik honkbalde nog te fanatiek in het 1e team van Birds en wilde dat niet opgeven. Na een jaartje stopte dat busrijden toen helaas.

De verhuizing ging wel door. Onze premie-C hoekwoning aan de Molentocht konden wij eind november 1989 betrekken, waarvoor we een eenmalige subsidie kregen.

Na 5 jaar operator en senior-operator te zijn geweest, solliciteerde ik binnen SWIFT naar een functie op de ST200 afdeling in La Hulpe, een dorp onder Brussel in België, alwaar ik aangesteld werd als:

Ik werd specialist op de ST200 machines. Soort van Burroughs (later na overname: Unisys) personal computer (en voor de techneuten onder ons)  modulair opgebouwd. Met andere woorden, alles was een aparte unit, wat in de volgende klikte en dan ook meteen aangesloten was op elkaar. Dus b.v. floppydrive, harddisk, tapestreamer, processor: alles klikte als modules in elkaar. Het geheel draaide onder een eigen operating systeem, genaamd CTOS en speciaal voor de banken ontworpen en gefabriceerd.

Hoewel we in Leiderdorp slechts 3 jaar in onze koopwoning aan de Molentocht hadden gewoond, waagden we de stap en zetten we de woning in de verkoop via een Leiderdorpse makelaar. Later bemerkten wij, dat we door hem flink bedonderd waren, omdat hij in 3 maanden tijd op de redelijke krappe woningmarkt slechts 3 bezichtigingen wist te organiseren en uiteindelijk bij ons aandrong de woning te verkopen voor een veel lagere prijs dan wij in gedachten hadden. Een paar maanden later bleek de woning aan een kennis van die makelaar te zijn verkocht. Een brandweerman uit Leidschendam. Smerig, maar we stonden onder druk en moesten wel akkoord gaan.

Verhuizing Leiderdorp – Rotselaar (België)

 

Entree met dubbele garage

 

Achterzijde, serre met tuin

We verhuisden naar Rotselaar, een rustig, landelijk gelegen dorp tussen Leuven en Mechelen op Vlaamstalig gebied en 200 km van Leiderdorp. We emigreerden dus. Er waren niet veel woningen te huur in de omgeving van La Hulpe, dus het gebied werd al vrij snel groter en dan kwam je vanzelf in de omgeving waar ik uiteindelijk, na 4 maanden dagelijks zoeken, een mooie woning vond. Een prijzige, dat wel, want met een huur van 30.000 Bfr per maand (toen zo’n fl. 1600,=) was het geen goedkope. We hadden daarentegen wel de ruimte: 9 kamers, een dubbele garage waar ik de Opel Omega Station kon keren en een tuin, zo groot als een voetbalveld. Als honkballers konden we daar gewoon voluit ballen slaan zonder ergens schade aan te richten.

 

Atheneum Keerbergen, België

Onze beide jongens, toen 11 en 15 jaar oud, schreven we in op het Koninklijk Atheneum in Keerbergen. Zij maakten lange dagen en werden dagelijks met de schoolbus gehaald en gebracht. Keerbergen was een soort van Nederlandse enclave en lag niet al te ver van Rotselaar. Ze zaten met Nederlandse en Belgische kinderen in de klas. Het kostte de jongens best wat aanpassingsvermogen. Maarten begon daar het voorlaatste jaar van de basisschool (groep 7) en kreeg daar meteen Franse les, maar liep daarmee wel een jaartje of 4 achter. Toch ging het prima en ging hij over. Jelte had het wat lastiger. Vooral met wiskunde liep hij een stuk achter in de 3e van de middelbare maar als hij zijn leraar dan om nadere uitleg vroeg (na de les), kreeg hij steevast te horen: “Hoezo?  Je bent Nederlander. Jullie weten toch alles beter?”. Leraar met minderwaardigheids- complex, dus. Daar moest hij het niet van hebben.

Wel van zijn mede-leerlingen: die boden aan na schooltijd gewoon bij ons thuis te komen en daar kreeg hij bijles van. Die (Belgische) kinderen waren een stuk leuker dan de Belgische leraar. Het waren zware schooljaren daar. Op de middelbare school kreeg Jelte les in 13 vakken en alles moest minimaal een voldoende zijn om over te gaan. Zelfs als je voor godsdienst of tekenen een onvoldoende haalde ging je niet over.

Boodschappen in België deden we vaak bij de Delhaize, Carrefour, Colruyt of Albert Heyn in Nederland. Eenmaal per 3-4 weken reden we naar de Miro of Albert Heyn in Beek, Limburg. Dat was slechts 80 km, 45 minuten rijden. En in België reed Pem dan. Kon ze mooi oefenen voor haar rijbewijs. Dat mocht daar met iemand met rijbewijs naast je en blauwe L op de auto. We vonden het Nederlandse brood en de Douwe Egberts koffie en de kaas een stuk lekkerder uit Nederland. Volle melk (van Danone) kochten wij gewoon in de supermarkt in Rotselaar, maar moest wel wekelijks besteld worden: iedere dinsdag 2 pakken, iedere vrijdag 3. En als de bedrijfsleider dat doorgaf aan zijn leverancier kreeg hij meteen te horen: “o, heb je weer Nederlanders in het dorp?”.

In het begin moesten wij toch soms naar IKEA in Brussel en daar kwam het eens voor, dat de 16 jaar oude VW Golf II, die we daar in het begin nog hadden, niet wilde starten. Daarop de pechdienst (via de ANWB) naar het parkeerterrein van IKEA laten komen, die uiteindelijk besloot de auto naar Rotselaar te vervoeren. Dat gebeurde op zijn Belgisch: Pem kon nog net mee in de cabine van de oprijwagen, maar de beide kinderen en ik niet. En zo gebeurde het dat de auto, met ons er drieën erin, gewoon de oprijwagen in ging en wij op die manier naar huis gingen. Zou in Nederland niet voorgekomen zijn.

Randy, hier 10 weken oud

 

Voor mijn werk moest ik veel gaan reizen en omdat Pem geen werkvergunning kreeg, was zij alle dagen en soms weken alleen thuis overdag. En toen kwam Randy in beeld. Een Duitse Herder, die we op advies van de plaatselijke dierenarts in Tongeren gingen halen. Dat ging niet zomaar. Drie gesprekken tussen de fokker en ons (hele gezin) gingen daar aan vooraf, voordat hij ons “goedkeurde” en een pup aan ons wilde verkopen.
Een soort van ballotage-commissie, dus. Wel goed, trouwens ! Dat gaf ook wel vertrouwen.
Uitzoeken uit het nest was er niet bij: de fokker wist precies welke pup qua karakter bij ons paste, zei hij. Achteraf heeft hij geen ongelijk gekregen. Wat hebben we een lieve hond gehad en wat zijn we bijna 9 jaar lang blij met hem geweest. Hij wordt nog steeds gemist, terwijl hij al 18 jaar niet meer onder ons is.

We huurden onze woning particulier, van de directeur van Ooms, een fabriek in broodsnij-machines (je ziet die machines ook in Nederland bij bakkers). De showroom en fabriekshal van dat bedrijf grensde aan ons huis (Torenstraat 126, Rotselaar).

Het was een hete zomer, waar wij veel in het plaatselijke “Meer van Rotselaar” te vinden waren. Als we daar al niet omheen liepen, maakten we, samen met Randy, daar geregeld een duik. Ook Randy genoot daar met volle teugen van. (Later daar meer over). Maar het meest bijzonder daar was dat we life Pink Floyd hebben meegemaakt. Onze woning lag aan de buitengrens van Rotselaar, dichtbij de weilanden van Werchter, alwaar in 1993 Pink Floyd o.a. optrad. De organisatie had dat voor elkaar gekregen, omdat men jarenlang de podia bouwde voor hen. Dat werd beloond met een optreden op Rock-Werchter, een soort van Pinkpop in België. We zaten die zomeravond op zolder van ons huis in een groot openstaand raam en konden live heerlijk genieten van hits als “Another brick in the wall, Money, Wish you were here” en andere. Was wel heel bijzonder. Kortgeleden kwam ik er achter, dat de Belgische zanger Milow (You don’t know) toendertijd bij ons in de buurt woonde.

Als ik niet op reis was, zat ik op kantoor of op de ST200-desk in La Hulpe.  Vanuit Rotselaar reed ik altijd naar Swift via de Druivenroute. Een mooi, snelle, heuvelachtige binnendoor route van zo’n 50 km, waardoor ik in 3 kwartier op de zaak was. Als ik de rijksweg nam, was ik door de files vaak pas na anderhalf uur op de zaak.
Maar het hoofdkantoor van SWIFT (eigenlijk 2 grote panden die aan weerszijden van een groot park waren gevestigd, met in dat park een eigen openlucht zwembad, tennisbaan en wandeladen) had voorzieningen, die je ergens anders niet trof.

Zo maakte ik op een ochtend kennis met de bedrijfs-huisarts, die een (gratis) praktijk had in het hoofdgebouw. Iedere dag. Dat kwam die keer goed uit: ik kwam die ochtend met een enorme rugpijn op de zaak en kon amper zitten. Dat was wel jammer, want in de lunchpauze zou ik met mijn afdelingsteam een zaalvoetbalwedstrijd spelen in SWIFT’s eigen sporthal, waar Pem, de kinderen en ik iedere zondagmorgen tennisles hadden.
Ik ging bij de huisarts op visite, hij onderzocht mij, liet mij even in een stoel zitten, nam mijn hoofd tussen beide handen en gaf er een flinke draai aan. Naar links en terug. Ik moest even blijven zitten, maar ik begreep waarom: wat werd ik duizelig. Na 5 minuten was dat over en verzekerde hij mij dat ik nog gewoon kon voetballen. En dat klopte: nergens en nooit meer last van gehad en ik heb toen lekker gespeeld.
Maar ook een tandarts en een verpleegster hielden praktijk in het gebouw. Wanneer ik naar landen moest waar je voor ingeënt moest worden (Ghana, b.v.) kreeg ik die bij deze arts. Medicijnen (b.v. malaria-pillen) en een medical kit, met zelfs hechtdraad, werden door hem gecontroleerd voor vertrek. Moest op orde zijn.

En toen kwam de verschrikkelijke sneeuwstorm van 30 november 1993 over het centrum van het land. Dus zowel mijn werk, ons huis als de school van de jongens werden getroffen. Dat hebben we geweten. Van het werk mocht iedereen om 4 uur ’s middags vertrekken omdat de vooruitzichtzichten niet goed waren. Ik had telefonisch wel aan Pem doorgegeven, dat ik toen ging vertrekken, maar meer kon ook niet. Er waren toen nog geen GSM’s.

Met mij reed collega Paul Settels mee, een collega, die een dorpje verder woonde, in Tremelo. We reden altijd samen, om en om. Zijn auto stond die dag bij ons.

We besloten om nu, vanwege de heuvels die af en toe best steil waren, niet de Druivenroute te nemen, maar de rijkswegen. Dat betekende, dat we al snel vanaf de N275 via de N227 zaten en probeerden via die “grote” weg naar de A40 te gaan (in feite de RW Brussel – Luik) maar ook daar liepen we tegen beperkingen aan, doordat m.n. vrachtwagens door de dikke sneeuw niet omhoog kwamen. Op zeker moment lag er een pak sneeuw van 18 cm dik. Meter voor meter gingen we vooruit, maar al met al kostte ons dit tripje van pakweg 50 km ongeveer 4 uur. Paul moest naar Tremelo door de sneeuw: dat kostte nog eens een uur. De jongens bleken vlak voor mij met de bus zijn thuisgekomen, maar voor Pem was het allemaal grote onzekerheid. Wel bijzonder en zeldzaam. Dat wel.

Ik ging reizen, in mijn eentje:

MOSKOU EN SAMARA (RUSLAND)

Mijn eerste grote buitenlandse reis (mijn vuurdoop voor SWIFT was een verder niet noemenswaardig reisje naar Londen) was er meteen eentje om nooit meer te vergeten. Door het recentelijk uiteenvallen van de Sovjet Unie in 1990 en er 15 onafhankelijke republieken bijkwamen, verdween ook het monopolie van de staat op financieel en bank gebied. Voorheen was er één staatsbank in de Sovjetunie, maar er kwamen nu in een rap tempo commerciële banken bij, zowel in Rusland als in die republieken en zowel lokale als internationale banken. En deze moesten allemaal snel op het SWIFT-netwerk worden aangesloten.

In 10 dagen tijd moest ik vanaf 12 december 1993 drie Russische banken installeren. Achtereenvolgens in Moskou, Samara en weer in Moskou. In alle banken moest een ST-200 computer geplaatst en geïnstalleerd worden. Daarbij moest het personeel, dat er mee aan de slag ging, getrained worden. Piece of cake. Alle computers plus onderdelen waren vanuit België ruim van tevoren per koerier reeds naar de respectievelijke banken gestuurd. Voor elke bank een 2 dozen met elk 50 floppydisks (toen nog 5,25”) met banksoftware bij mij.  

Ik was op kantoor reeds geïnstrueerd dat ik mij moest laten ophalen door mensen van de bank(en), die ik ging bezoeken op het vliegveld van Moskou, daar je anders wel eens gedwongen zou worden met illegale taxichauffeurs mee te gaan en ergens buiten Moskou beroofd achtergelaten te worden. Die verhalen kenden we. En zo had ik geregeld met de eerste bank, die ik ging bezoeken, dat zij mij ophaalden. Maar deze verliep niet helemaal als gepland.

Maar eerst vloog ik met de SAS naar Helsinki, waar een tussenlanding was gepland om vandaar met hetzelfde toestel door te vliegen naar Moskou, maar aangezien er een vrachtwagen tegen een vrachtluik van het toestel was gebotst terwijl de passagiers er in zaten, moest dat eerst gerepareerd worden en kostte dat zo’n 2 uur vertraging, die we in het toestel moesten doorbrengen.

Bij mijn aankomst op het vliegveld Sheremetyevo, het grootste van de 4 vliegvelden van Moskou, werd ik verwelkomd door 2 mensen van de eerste bank. Onderweg naar Moskou vroegen zij mij meteen of ik het bezoek,  werkzaam- heden en training kon uitstellen naar een later tijdstip.

De reden van hun verzoek was n.l. dat hun hoogste baas een dag eerder voor mijn bezoek door de Russische maffia was doodgeschoten in zijn kantoor in Moskou. Men was nu druk bezig zijn begrafenis te regelen.

In mijn hotel nam ik meteen contact met mijn chef in België en legde de situatie voor. Hij beloofde dat zij de afspraak met de 3e bank zouden regelen, maar dat ik vandaag nog maar moest proberen om in Samara te komen. Dat was een vlucht van zo’n 2 uur. Dat gesprekje vanaf mijn hotelkamer naar mijn werk in België en niet langer dan een minuut of 10, kostte USD 190,=.  (…)

Door de bankmensen liet ik mij, na uitgechecked te hebben in mijn hotel, naar een ander vliegveld van Moskou brengen. Die voor binnenlandse vluchten. Gelukkig stuurde SWIFT mij met 2 creditcards op pad, want American Express werd daar toen niet geaccepteerd. VISA wel.

Terwijl ik gewoon mijn beurt voor het loket daar stond af te wachten, kocht een Rus voor mij ook een kaartje naar Samara: prijs omgerekend USD 35,=. Ik bestelde eveneens een kaartje naar Samara maar ik moest USD 75,= betalen. Ik probeerde te achterhalen waarom ik ruim 2x zoveel moest betalen dan de persoon voor mij. Dat kwam dus omdat hij een Rus was en ik niet. Ik wist meteen hoe het daar aan toe ging.

Aan boord vond ik het in het oude toestel van Aeroflot nu niet bepaald gezellig en veilig. Ik mocht van geluk spreken dat ik nog een zitplaats had, want men stond ook staanplaatsen toe. In het vliegtuig van Aeroflot stonden ongeveer 15 mensen als in de tram of bus in het gangpad, zowel bij het opstijgen als landen en hielden zich vast aan de bagagerekken boven de stoelen. Bizar ! En toen de trolley langskwam, met werkelijk slechts 1 pakje pepermunt kauwgom daarop, moest iedereen die in het pad stond even opzij. Ik weet het wel: in die periode was er grote armoede onder de bevolking in Rusland, maar als je niets meer te bieden hebt dan een pakje kauwgum, laat het dan achterwege. Of het moest een boodschap aan de meereizende passagiers zijn geweest. Dat kon ook.

Maar ook het toestel was nu niet echt van een recente datum. Het toestel rammelde behoorlijk en ik was blij uiteindelijk veilig geland te zijn in het dik besneeuwde landschap, zo’n 2 uur rijden van Samara.

 

Wolga

In een ruime, warme Wolga brachten een vrouw (tolk) en een man van de bank mij naar Samara. Een rit, die voornamelijk door de Russische bossen leidde en waarbij de chauffeur niet schroomde om met een gangetje van zo’n 120 km/uur over die dik besneeuwde wegen te rijden.

Meerdere malen dat ik de achterkant van het voertuig voelde wegglijden, maar de andere passagiers maakten zich zichtbaar niet druk en keuvelden rustig en op hun gemak verder, dus waarschijnlijk was dit wel gebruikelijk daar. Niettemin brak het angstzweet mij uit, temeer daar het ondertussen zo’n 8 uur ’s avonds was en pikkedonker in die bossen.

Eindelijk zag en voelde ik het voertuig vaart minderen en kwamen wij bij een groot hek aan, midden in de bossen. De tolk legde mij uit, dat we zijn aangekomen bij een buitenhuis net buiten de stad Samara, waar voorheen veel Sovjet hooggeplaatste staatslieden kwamen. Als laatste scheen Brezjnev er gelogeerd te hebben.

De man stapte uit, ontsloot het slot en duwde handmatig het hek open en toen wij er doorheen gereden waren, deed hij het hek achter ons weer dicht. We reden 20 meter waar hetzelfde ritueel plaatsvond. Uitstappende passagiers, hek open, auto er door en hek weer dicht en snel de  passagiers weer in de auto, want, zo vertelde de tolk, er liep een aantal niet zo vriendelijke honden in deze strook van het bos. Extra bewaking. Wel, dat was nogal een veilig gevoel. Niet dus. Als ik had willen ontsnappen dan was dat zeker niet hier.

De auto reed een minuut of 10 verder door het donkere bos en kwamen we bij een grote witte villa. Ik begreep een beetje, wat de tolk bedoelde met de staatslieden die hier kwamen. Je kunt hier schaamteloos aan de wodka je feestjes vieren.

Ik betrad het pand en merkte in de ruime hal een klein bureautje met een telefoontoestel er op. Meer niet. Het was nu niet echt een gesofistikeerde entree van een luxueus hotel. Integendeel. Ik werd wel hartelijk ontvangen (dat begreep ik wel: ik bracht harde dollars mee) en de dienstdoende receptioniste wees mij mijn kamer. Een meer dan eenvoudige kamer, meteen om de hoek van de receptie. Alsof ik dan wat makkelijker in de gaten gehouden kon worden.

De kamer had alles wat je maar kon bedenken. In Rusland dan. Een gemiddelde cel in de EBI in Vught had meer luxe. Een bruin, houten bed met zowaar een deken en kussen, een oude zwart-tv met een spriet als antenne op de TV. Maar zowaar, ik kon daarop, weliswaar met besneeuwd beeld terwijl het op dat moment echt niet sneeuwde, een voetbalwedstrijd volgen. Het duurde wel een tijdje voordat ik de antenne goed gedraaid had. Maar geen telefoon en ik wilde toch echt even aan Pem doorgeven, dat ik “veilig” aangekomen was.

Ik liep even naar de receptie en vroeg of ik mijn vrouw kon bellen. Dat zou eventueel kunnen, maar dan moest zij wel even de telefoniste/centraliste van huis bellen, die naar de centrale moest. Dat kon even duren, maar ik gaf het nummer en wachtte rustig af op mijn kamer. Nou ja, rustig. Het duurde best wel lang, maar na iets meer dan een uur (even na 11 uur in België) werd er op mijn kamerdeur gebonkt en na opengedaan te hebben werd mij triomfantelijk meegedeeld, dat het gelukt was en dat mijn vrouw aan de lijn was. En ja hoor: dat klopte. Met nog een goede verbinding ook. Pem dacht vanzelfsprekend dat ik nog in Moskou was. Ik heb even rustig alles uit kunnen leggen en ook wat de verdere plannen waren. Na ongeveer een minuut of 20 gebeld te hebben legde ik de hoorn er op. Meteen ging de telefoon en kreeg ik even later wat de schade was. Door mijn eerdere ervaring in Moskou was ik op alles voorbereid. Receptioniste durfde het bijna niet te vertellen, maar schreef het voor mij op. De kosten waren, schrik niet, USD 9,90.  Ik vroeg haar een bonnetje van USD 20,= uit te schrijven en betaalde dat. Vermoedelijk had ik daarmee zojuist haar 13e maand betaald, zo keek ze.

Volgende ochtend kreeg ik ontbijt op mijn kamer, was mij de avond er voor beloofd. Ik stelde mij er niet zoveel bij voor en gelukkig maar: dat bleek terecht. Ik kreeg een bordje met een handvol lauwwarme witte rijst met een kippenvlerk. Dat was het. Echt. Als ontbijt.

Mijn spullen waren ingepakt, ik rekende af en stapte weer in de Wolga, die mij naar de bank zou brengen. Ik zou niet meer naar dit “hotel” terugkeren, aangezien ik later op de dag terug moest vliegen naar Moskou, omdat de laatste bank vanaf morgen op mij rekende. Die bank had n.l. alles aangepast en mijn bezoek nu voor het weekend gepland in plaats van het originele plan na dit weekend. Maar door het afzeggen van de eerste bank was het aldus geregeld. Ik nam afscheid van de receptioniste en de rondlopende honden en na 2 poorten gepasseerd te zijn, kwamen we eindelijk weer in de bewoonde wereld, hetgeen een stuk prettiger voelde.

In 20 minuten waren we bij de bank. Door allerhartelijkste mensen werd ik ontvangen en men had op mijn eerder gegeven advies alle apparatuur al uitgepakt en uitgestald. Was een kwestie van aansluiten en installeren. Dat ging toen nog met 5.25” floppydisks en in dit geval waren het er ongeveer 40 die geladen moesten  worden. Daar ging wel wat tijd overheen.

En als je dan toch naar het toilet moet, dan kijk je even rond en verbaast het je, dat je SWIFT krantjes en folders daar aantreft, dat als toiletpapier gebruikt werd. Het kan verkeren.

Maar terwijl ik daar dus als een diskjockey de floppies één voor één in de ST200 computer aan het laden was (vergeet niet: het was 1994 en de floppies hadden toen een capaciteit van 360 KB en nog geen 1.2 MB !) en hoopte dat je halverwege die 40 floppies of nog verder geen schrijffout of andere foutmelding kreeg (dat gelukkig niet zo vaak gebeurde), legde ik al heel veel procedures en handelingen uit. Halve werk. En rond een uur of drie was het de mensen dan echt allemaal duidelijk, draaide de computer en hadden we met succes een verplicht testbericht naar SWIFT in België gezonden en terugontvangen via hun leased lijn (vaste verbinding).

Na ook weer een hartelijk afscheid te hebben genomen en de vanzelfsprekende plichtplegingen als het uitwisselen van visitekaartjes en telefoonnummers gedaan te hebben, bracht bankpersoneel mij weer naar het vliegveld om terug naar Moskou te keren.

“Moe maar voldaan” kwam ik ’s avonds om een uurtje of 10 weer in het President Hotel in Moskou aan. Ik bereidde daar mijn werkzaamheden voor de volgende dagen voor. Dat kon iets minder snel en zeker wat meer op gemak. Voor wat ik deze dag in Samara had uitgevoerd, had ik nu 2 dagen de tijd, donderdag en vrijdag, terwijl ik op zaterdag naar huis zou vliegen.

De volgende twee dagen bij de laatste bank werd er gewerkt, zoals gepland. Hard- en software geinstalleerd en een uitgebreide training van Swift-messages gegeven.

Alleen maar vriendelijke en tevreden mensen toen ik op vrijdagmiddag, tegen 5 uur, ook hier afscheid nam en mij ging voorbereiden op mijn vlucht huiswaarts de volgende dag. Die zou met een Air France vlucht via een overstap in Parijs naar Brussel ’s middags plaatsvinden.

Na de volgende ochtend alvast uitgecheckt te hebben, maar mijn bagage nog wel in de luggage-room van het hotel te hebben opgeborgen, ging ik de straat op voor een kleine sight-seeing, waar ik nog niet eerder de tijd voor gehad had. Ik kwam in een soort van passage terecht, grenzend aan het Rode Plein. Ik kocht daar een authentieke Russische winterbontmus voor mijn vader. Zomaar. Kadootje uit Rusland. (Inmiddels bezit ik hem weer…)

 

Lenins Mausoleum op het Rode Plein

 

Bolsjoi theater

Via het Rode Plein en voorlangs het Lenin Mausoleum wandelde ik met mijn camera in de richting van het beroemde Bolsjoi theater. Ik liep in een parkje, tegenover het theater, gescheiden door een brede weg.

 

Op dat moment die zaterdagmorgen, liep er een knaap op mij af met een zeer klein kindje op zijn arm en bedelde om geld. Ik schatte hem een jaar of 17-18 en hij had een Oost Russisch, Mongolisch uiterlijk. Men had mij al eerder geadviseerd om losse dollarbiljetten in je zak te doen als je in Moskou verbleef, zodat je af en toe een dollar kon weggeven. Mijn    1-dollar biljetten waren op, dus ik gaf hem een biljet van 5 dollar. Hij bleek oprecht dankbaar en liep door, maar tegelijkertijd zag ik een groep van zo’n 20 jonge gasten op mij afkomen en begreep ik dat dit niet goed was en dat ik bedonderd was. Op klaarlichte dag hielden ze mijn armen en benen vast en plunderden ze mijn zakken. Ik kon niet veel uitrichten, behalve bij 1 knaap met een flinke trap een mes uit zijn hand schoppen. Geen idee of hij mij wilde gaan steken, maar ik nam het risico niet. 

Maar in mijn binnenzak zaten traveller cheques met een waarde van zo’n 500 dollar en ook zo’n 800 dollar en voor 60 gld aan Belgische Francs in contanten. Dat kon niet anders, want bijna alles moest ik contant in buitenlandse valuta afrekenen. Zoals b.v. mijn vlucht naar Samara: ook contant betalen. American Express credit card werd niet geaccepteerd. Alleen VISA. In die dagen dan.

Uiteindelijk bleken mijn vliegtickets en de traveller cheques (waar ze waarschijnlijk niks aan hadden) nog in mijn binnenzak te zitten. Mijn (lege) portemonee, maar met rijbewijs, bleek nu in een andere zak te zitten, dan waar ik deze normaliter had.

In eerste instantie een moment verstijfd, totdat de woede zich in mij meester maakte. De groep maakte zich uit de voeten en ik zag dat ze richting de markt liepen. Ik liep snel naar een Moskouse politieman, die bij het theater verkeer stond te regelen. Met handen en voeten maakte ik hem duidelijk dat ik zojuist beroofd was door de groep die richting markt liep. Hij blies meteen op zijn fluit en waar hij vandaan kwam, heb ik nooit geweten maar een onopvallende zwarte politiewagen stopte bij zijn collega en hij gebaarde mij de auto in te gaan. Even twijfelde ik, maar ik had niets te verliezen en ging zitten. Chauffeur vroeg in het Russisch waar hij heen moest en ik wees in alle talen richting de markt. Voor de markt stopte de auto en de verkeersagent maakte mij duidelijk dat ik die rechterstraat in moest lopen en moest proberen er eentje in zijn kraag te grijpen. Hij zou de linkerstraat ingaan. De auto zou blijven wachten daar op straat.

Ik vond het maar raar, dat ik, als slachtoffer achter mijn berovers aan moest. Maar ik deed het en ik meende er eentje in het vizier te hebben gekregen. Ik probeerde eerst onopvallend mijn pas te versnellen, maar toen hij mij in de gaten kreeg nam hij een spurt. Ik wist toen zeker, dat hij bij die groep hoorde en toen ik snel rondkeek of er niemand anders in de buurt liep, die bij hem zou horen en ik zag niemand, ging ik er dan ook achter aan. Mijn conditie was nog steeds goed, alhoewel het hier heuvelopwaarts liep. Op het moment dat hij de deurknop van een winkeltje beet had om naar binnen te vluchten schopte ik hem vanuit een sprong met een doodschop daar weg, waarna hij op de grond viel. Uiteraard kon ik mijn woede op hem koelen met een paar ferme vuistslagen in zijn smoelwerk. Een beetje zich verzetten probeerde hij nog wel, maar het was meer jammeren. Verder kon hij niet tegen mijn (politie-)armklem op en bracht ik hem op die manier in een opbrenggreep met mij mee naar de politiewagen. Hij merkte wel, dat als hij één poging zou wagen los te komen, hij zijn  arm zelf zou breken. Ik voelde mij op dat moment erg goed, waarschijnlijk mede door de adrenaline die door mijn lichaam stroomde. Achteraf gezien begreep ik niet wat mij bezield had en overviel mij de gedachten wat er allemaal met mij had kunnen gebeuren, daar in het centrum van Moskou. Het was onverantwoord, ik had dit natuurlijk nooit moeten doen, maar ja, da’s achteraf.

De andere politieman stond daar ook al, maar had niemand bij zich. Hij wees op die knaap’s gezicht en gebaarde de vraag wat er met hem gebeurd was en ik beduidde hem dat de knaap gevallen was. Lachend. Politieman ook lachen. Gevieren reden we naar een gebouwtje wat als politiebureau moest doorgaan (meer een kelder), waar de knaap hardhandig in een cel gegooid werd. Men toonde daar niet echt medelijden met hem, wat ik ook niet had eigenlijk. Ik begreep later dat men in Moskou snapte, dat dit soort volk nu niet de beste reclame voor de stad was en dat men er graag werk van maakte om dat uit te roeien. Ze waren duidelijk blij met deze hulp.

Kort nadat die knaap in de cel gezet werd, brachten 2 politiemensen mij daarna naar een ander politiebureau, waar een Russische rechercheur zat, die ook Engels sprak en mijn aangifte opnam die ik meteen mee moest nemen vanwege de verzekering, natuurlijk. Tijd begon te dringen, want ik moest onderhand naar het vliegveld om mijn vlucht te halen.

Op de afgesproken tijd stonden de mensen van de laatste bank met auto bij mijn hotel klaar en brachten mij naar het vliegveld. Zij hielpen mijn grote Samsonite koffer en grote sporttas, die ik middels een hangslot had afgesloten en liepen met mij mee naar de Air France balie. Daar checkte ik keurig alles in en nam afscheid.

Bij de tax-free shops zag ik een fraai dameshorloge, die ik voor Pem aanschafte. Betrof een horloge van fl. 139,= maar de verkoopster was een beetje kippig, vermoed ik, want ik bleek fl. 29,= afgerekend te hebben. Ik heb niets meer gezegd. Kleine revanche dus, zeg maar.

Aangekomen in Brussel pakte ik mijn koffer en tas van de bagageband, merkte er op dat moment niet iets vreemds aan en haalde mijn auto uit de door Swift gereserveerde garagekooi op Zaventem (slechts voor 1 auto) en reed naar huis in Rotselaar.

Eenmaal thuis bleek er iets toch iets met de sporttas aan de hand te zijn. Men had (vermoedelijk in Moskou) de plastic oogjes van de ritssluiting, waardoorheen het slotje was bevestigd, doorgeknipt om op die manier mijn tas te kunnen openen.

Na mijn tas doorgespit te hebben constateerde ik dat ze mijn Canon EOS 550D analoge (uiteraard!) uit de tas hadden geroofd. Jammer, want ik weet zeker, dat daar veel leuke foto’s uit Moskou op stonden. Buiten de camera kon ik ook daar naar fluiten.

Vanzelfsprekend nam ik kort na mijn reis zelf contact op met Air France en claimde daar mijn camera. Het enige wat ik te horen kreeg was dat ze wilden horen hoeveel de camera woog. Ze betaalden namelijk missende bagage per gewicht uit. Ik gaf aan dat ik dat een belachelijk statement vond, maar men hield voet bij stuk, waarna ik antwoordde dat de camera in dat geval 40 kg woog. Men wilde  echter niet meer uitbetalen dan fl. 25,= hetgeen ik weigerde.

Ik nam contact op met de afdeling HR van Swift, die voor mij contact zou opnemen met Air France. Twee dagen later kreeg ik te horen dat AF vanwege commerciële belangen een uitzondering zou maken en vergoedde de camera tot fl. 300,=. Het kon dus wel. Begrijpelijk, want vanuit Ter Hulpen vlogen dagelijks vele medewerkers (o.a. met Air France) de hele wereld over. Maar goed, ik had er geen nieuwe voor, maar dat hoefde ook niet. De camera was al een paar jaar oud, dus ik had weer een aardig begin voor een nieuwe, die er ook snel kwam.

BOEKAREST EN CLUJ-NAPOCA (ROEMENIë)

 

Kasteel Dracula

Eigenlijk was mijn reis naar Roemenië, waar ik een bank in Boekarest en eentje in Cluj-Napoca moest installeren ook wel eentje, die nog in mijn geheugen gegrift staat. Van tevoren had ik natuurlijk geen idee waar Cluj in Roemenië lag, maar dat bleek al snel duidelijk:  in Transylvanië, alwaar Graaf Dracula ooit een kasteel zou hebben gehad, gelegen tussen Hongarije en Moldavië.

Ik zou vanuit Brussel vliegen op Boekarest en vandaar meteen doorvliegen naar Cluj. Op het Roemeense vliegveld was er vanwege de weersomstandigheden (dikke mist) lange tijd onduidelijkheid of het (armetierige) kleine propellervliegtuig voor zo’n 80 passagiers wel zou kunnen vertrekken.

Maar het ging – met vertraging – toch door. Ik wist niet of ik blij moest zijn, maar hé,  God zegene de greep.  Mannen werden van de vrouwen gescheiden en vreemd genoeg moesten de mannen dan ook eerst aan boord. Daarna mochten de vrouwen en kinderen. Geen staanplaatsen dit keer. Ik hoopte niet dat dat voortekenen waren.

De vlucht leek wel uren te duren. Door de aanhoudende mist en de ingevallen avond was naar buiten kijken, ondanks dat ik bij het raampje zat, er niet bij. Je zag gewoon niks, maar aan de motoren te horen leek het alsof hij niet hoger vloog dan 60 meter en niet harder dan 100 km/u, wat natuurlijk niet klopte. Toch ? Hoe dan ook, de 500 km vlucht leek uren te duren, maar na zo’n  1 ½ uur landde hij dan toch veilig in Cluj-Napoca.

Bij daglicht de volgende dag zag Cluj er best alleraardigst uit. Midden in de bergen gelegen met prachtige vergezichten, maar ja, ik moest daar werken en had niet veel tijd. Ook daar moest ik aan het einde van de dag weer terugvliegen naar Boekarest om de volgende dag daar in de hoofdstad aan het werk te gaan in een Roemeense bank.

De werkzaamheden verliepen prima en dankzij Engelstalige medewerksters en medewerkers (waar ik b.v.in Russische banken veelal met tolken moest werken) kon de training moeiteloos en goed afgewerkt worden. Mijn vlucht zou om 20.00 uur vanuit Cluj weer terug gaan naar Boekarest, maar ik kreeg nu tijdig een telefoontje van bankmensen, dat de vlucht nu echt afgelast was vanwege de nog dikkere mist als de dag er voor. Ik wist niet of ik hiervan moest balen, maar er was één andere oplossing: met de nachttrein, die om 21 uur zou vertrekken. Dat was een treinrit van ong. 12 uur.

 

 

De (nacht-)treinreis van Cluj naar Boekarest

Personeel van de bank bracht mij naar het treinstation, waar ik met hulp van hen een kaartje naar Boekarest kocht. Prijs omgerekend: fl. 2,50. In Nederland kon je daarvoor 2 haltes met de tram mee. De slaapplaatsen waren uitverkocht volgens de lokettiste, dus ik was gedoemd om met mijn koffer 12 uur ergens een zitplaats op te zoeken en daar maar de nacht door te gaan brengen. Dat ging ook al niet zo makkelijk: zitplaatsen waren alle bezet en ik kon alleen nog in het halletje op een houten klapbankje gaan zitten. Dat zag er eigenlijk niet zo aantrekkelijk uit.

Achteraf kwam ik te weten, dat er in Roemenië nog veel met oud, in Nederland afgeschreven treinmaterieel gereden wordt. Op diverse lijnen heeft men de oude “Wadloper” uit Nederland ingezet (met name jarenlang het boegbeeld van de Groningse en Friese Spoorwegen), maar dat waren geen nachttreinen met slaapcoupés, dus die trof ik nu helaas niet. Maar ze rijden nog steeds rond.

Mijn hoop was gevestigd op de conducteur, die ik al rond zag lopen. Hij sprak zowaar een paar woordjes Engels en controleerde mijn kaartje. Dat was in orde. Ik vroeg hem of er werkelijk nergens meer een slaapplaats in de trein te vinden was. Maar hij was er duidelijk over. Die waren er niet, maar zijn gezicht veranderde toen ik hem een 10-dollar biljet gaf. “One moment”, zei hij en weg was hij. Ik vreesde dat ik mijn geld kwijt was, maar dat bleek niet het geval. Na een minuut of 10 kwam hij terug en wenkte mij hem te volgen. Dat deed ik natuurlijk en we kwamen bij een slaapwagon aan.

Hij opende de schuifdeur en ik zag een coupé met links een fonteintje, maar rechts een stapelbed, waar in het onderste bed een enorme Roemeense vrouw lag (te snurken). De conducteur wees mij het bovenste bed aan en nodigde mij uit daar de nacht door te brengen. Tot slot vroeg hij hoe laat ik gewekt moest worden (??). Wel, dat was mijn 10-dollar dan allemaal wel weer waard en ik kroop lekker, in mijn kleren, in het bovenste echt schone bed. Ondanks Roemeens gesnurk, geschommel van de trein, gepiep en geschraap in de bochten en het fluiten van de trein in de diverse stations, bleek ik heerlijk geslapen te hebben, totdat de controleur mij om half 8 wakker maakte. Een half uur eerder dan ik hem gevraagd had, maar op die manier kon ik rustig aan doen, zei hij. Fijne vent !

 

 

Centraal Station Boekarest

Maar inderdaad, na mij opgefrist te hebben en tandjes gepoetst liep ik bijna fris en fruitig op een winterse ochtend tegen 09.00 uur op het perron van een station in Boekarest. Het geluk was met mij: de bank was op ongeveer 10 minuten lopen. Bij de bank verliep het perfect en de werkzaamheden werden in 2 dagen afgerond en zonder verdere bijzonderheden vloog ik de volgende dag weer naar Zaventem.

Istanbul (Turkije) – Lissabon (Portugal)

Ik moest in een week tijd een bank installeren in Istanbul en eentje in Lissabon. Mij was toegestaan daar in totaal 5 dagen over te doen. Als je 40% van je werktijd besteedde aan werkzaamheden in het buitenland, mocht je eenmaal per jaar op kosten van Swift je vrouw meenemen op een reis naar keuze. Dit leek mij een mooie gelegenheid, daar we ook nog wat tijd overhielden voor sightseeing. De baas ging akkoord.

Pa en Ma kwamen weer een week over naar België om op de kinderen te passen, daar zij gewoon naar school moesten. Dat was makkelijk en handig en bovendien vonden de ouders het daar ook wel fijn. Ze genoten altijd van de dagen dat ze bij ons logeerden. Lekker klussen in de immense tuin en luieren op het grote terras. En Randy vond het ook fijn bij ze.

Op die zondagavond vertrokken wij met Turkish Airlines naar Istanbul. Ik vloog altijd graag met hen, want hoewel ik bij Swift (als gebruikelijk) altijd wel businessclass vloog, was het bij Turkish altijd extra verwennerij. In deze ruimte voor ongeveer 20 mensen, zaten we met z’n tweeën. Met hapjes, drankjes (eerst champagne), warme doekjes, extra brede, ruime (lig)stoelen. Dus die vlucht was wederom zeer aangenaam en nu ook nog samen met Pem.

Ook de hotels waren altijd super. SWIFT boekte altijd, waar mogelijk, 5-sterren hotels voor hun medewerkers en ook dit keer: het rose Hyatt in Istanbul met  uitzicht op de Bosporus.

 

Hyatt Istanbul

Pem kon eigenlijk de hele week lekker freewheelen, want terwijl ik aan het werk was, kon zij op haar gemak in de stad struinen. Maar wij maakten wel afspraken waar en wanneer we elkaar die dag zouden gaan zien.

Die maandag was het wat eerder dan gewoonlijk. Ik was door de bankdirecteur uitgenodigd om met Pem in een speciaal door hem uitgezocht restaurant te gaan eten. Dus na de werkzaamheden in de bank, togen wij naar het hotel, trokken iets officieels aan (moest daar altijd op berekend zijn) en lieten ons rond een uurtje of 8 ophalen bij het hotel. Niet door een taxi, maar door de chauffeur van de bankdirecteur.

Deze bracht ons naar een grote, witte villa in een moderne villawijk en wij werden daar ontvangen als waren wij koninklijke gasten. Gewoon eng. We werden een niet eens zo grote kamer ingeleid, waar een ronde tafel stond en waar wij werden voorgesteld aan de burgemeester van Istanbul, een voor ons onbekende vrouw (mogelijk zijn echtgenote). Oef, zou men geweten hebben dat ik slechts een “techneut” was, die wat software kwam installeren en een training kwam geven ? We zeiden maar niets, maar namen plaats.

Achter iedere stoel stond een in zwart geklede ober met witte handschoenen, dus erg op ons gemak voelden wij ons niet. We kregen typisch Turkse gerechtjes en gerechten voorgeschoteld, die wij uiteraard niet kenden en we herinneren er ons nog van dat sommige ons wel konden bekoren, maar andere zeker niet. Maar ja, beleefdheidsvormen hè?

Pas kortgeleden ben ik eens op gaan zoeken, wie toen die burgemeester was, waarmee wij in 1995 chique gedineerd hebben. Tot onze grote schrik bleek dat Recep Tayyip Erdoğan te zijn. De huidige president van Turkije. Jammer dat we ons niet meer kunnen herinneren, waar de gesprekken over gingen, maar dat zal voornamelijk met mijn werk en Swift te maken hebben gehad. Hoop ik.

De volgende dag was ik op tijd klaar met de werkzaamheden in de bank en omdat onze  vlucht naar Lissabon pas op woensdag was gepland, hadden Pem en ik deze middag en ook gedeeltelijk de volgende dag de tijd om de stad te bezoeken. En dat deden we. Pem had buiten de geijkte bezienswaardigheden als de Blauwe Moskee, Hagia Sophia, Topkapi en het  Hippodrome ook een bezoek aan de bijzondere Basilica Cisterne uitgezocht. De Cisterne was een door de Byzantijnse keizer Justinianus aangelegde wateropslagplaats onder het centrum van Istanbul. Toendertijd bedoeld voor zijn paleis, maar het is een schitterend verlicht geheel.

 

 

Basilica Cisterne

Verder mocht natuurlijk een bezoek aan de Grand Bazaar (Kapali Çarsi, letterlijk

 

Kruidenmarkt Istanbul

Overdekte Markt) niet ontbreken net als de kleur- en reukrijke Misir Carsisi (Egyptische of Kruiden bazaar).

Na 3 volle en lange dagen, was er, ondanks mijn verplichte werkzaamheden, genoeg tijd over om intensief de tourist uit te hangen in Istanbul met veel mooie en leuke indrukken. Het was tevens mijn enige SWIFT-bezoek aan de Turkse stad.

In die week stonden op de woensdagmiddag respectievelijk onze Turkish Airlines en Lufthansa vluchten via München naar Lissabon op het programma. Vluchten waren, zoals we die inmiddels gewend waren, compleet en relaxed maar in Lissabon kon kennelijk een kamer in een 5-sterren hotel niet gevonden worden en bleek een kamer in het Holiday Inn gereserveerd te zijn. Op zich geen probleem, uiteraard.

Ik weet niet meer precies hoe lang ik werk heb gehad in de bank, maar wel day we weer ontzettend veel gezien hebben, met name in de bovenstad (Bairro Alto) waar men nog steeds met opgravingen bezig was.

Met de karakteristieke 32 meter hoge en nu 118 jaar oude Santa Justa-lift werd de Santa Justa-straat in het centrum van Lissabon verbonden met het hoger gelegen  Carmoplein.  Velen dachten (ook ik nog in 1995) dat de ontwerper van deze lift dezelfde was die ook de Eifeltoren ontworpen had. Dat werd mij toen verteld, maar bleek dus niet te kloppen.

Niettemin inmiddels een icoon in de binnenstad van Portugal.

We hebben daar ’s avonds in LEAO d’Ouro, een beroemd restaurant, ons tegoed gedaan aan een heerlijk diner.

Met de tram, soortgelijk als hier links naast staat afgebeeld, maar dan zonder ramen, reden we de volgende dag naar de wijk Belem, naar het Padrão dos Descobrimentos of het Monument der Ontdekkingen, aan de oevers van de Taag in Belém. Dit betreft een imposant monument ter ere van de zeevaarders met o.a. Vasco di Gama, maar ook met 32 andere helden uit die tijd. Voor op de plecht staat Hendrik de Zeevaarder, uitkijkend over de rivier. Henk was de inspirator van de Portugese ontdekkingsreizen.

Almaty (Kazakhstan)

Mijn chef had mij een installatie en training toebedeeld in Almaty (voorheen Alma Ata, je weet wel, van de schaatstrainingen op hoogte) in Kazakhstan. In die tijd slechts bereikbaar met een Lufthansa vlucht vanaf Frankfurt op maandag heen en op vrijdag terug. Dat was dus een verplicht verblijf van 5 dagen terwijl ik slechts 2-3 dagen werk had.

Maar het bleek de ABN Amrobank in Almaty te zijn, die geinstalleerd moest worden. De bankdirecteur, een Nederlander, zou mij ter plaatse begeleiden.

Vanaf Zaventem ging de reis dus via Frankfurt naar Kazakhstan, een comfortabele (dankzij de Miles en More-kaart geupgrade naar 1e klas, dus languit!) vlucht van 7 ½ uur. Bij aankomst werd ik naar mijn hotel gebracht, maar in dit geval niet te vergelijken met de hotels, waar ik de laatste maanden veelal verbleef. Het was hoegenaamd wel het beste waarover Almaty, wat men toen (nog) had in Almaty.

 

Hotel Almaty

Het bleek een soort van barak te zijn waar wat kamers in gemaakt waren. Wel de noodzakelijke voorzieningen en een gemeenschappelijke ruimte in het midden van het gebouw zonder verdiepingen, moest de lobby, receptie en bar voorstellen.

’s Avonds bezocht ik die ruimte daar om een biertje drinken en raakte in gesprek met mensen van de Europese Gemeenschap. Zij bleken daar aanwezig te zijn om te bepalen of Kazakhstan tot derde wereldland moest gaan worden aangemerkt (want: meer subsidie). Kazachstan wilde dat wel.

Maar bijzonder was de gebeurtenis op het vliegveld van Almaty, daags tevoren. Ik kwam daarvoor een dag te laat aan, maar kreeg wel het hele verhaal van de drie aanwezige EEG-ambtenaren te horen. In geuren en kleuren.

Kazakhstan Airlines - Wikipedia

Op het moment dat een Kazachstans toestel zijn landing had ingezet op het vliegveld van Almaty en al behoorlijk dichtbij een touchdown was, kreeg een vertrekkend Lufthansa toestel vanuit de toren toestemming te vertrekken…. op dezelfde baan als waarop het Kazakhse toestel aan het landen was. Het scheelde enkele meters, maar het was te danken aan de oplettendheid van piloot van het Duitse toestel, die tijdens de start uit zijn raampje het tot op enkele meters naderende landende toestel bijna op het dak van zijn toestel zag landen, waarop hij snoeihard ingreep, door vol op de remmen te gaan. Naar wat de ambtenaren mij meedeelden, ontweek het remmende toestel juist het landende toestel op enkele luttele meters, waarvan de Kazakhse piloot nog steeds niets in de gaten had en zijn toestel verderop aan de grond zette. Het Duitse toestel bleek behoorlijk wat schade te hebben opgelopen aan kapot geknalde banden maar ook was de baan beschadigd.

Korte tijd later na dit incident zou, volgens de ambtenaren, de Kazahkse politie de toren zijn opgegaan en alle dienstdoende verkeersleiders hebben gearresteerd en meegenomen. Volgens de ambtenaren namen defensie verkeersleiders (voorlopig) de taken op de toren over. Wat er van de aangehouden verkeersleiders geworden is, vertelt het verhaal niet.

 

Met de Nederlandse bankdirecteur voor de bank

De eerste kennismaking met de bank was vreemd. Het was alsof ik in Nederland een willekeurige ABNAmro- bank binnenliep. Tot en met de vloerbedekking en nog meer kleine details had men vanuit Nederland laten overkomen. Zelfs de DE-koffieautomaat was aanwezig, dus dat zat wel goed, die week.

Tussendoor liet de directeur mij in de ruime vrije tijd de omgeving en een stuk steppe van Kazakhstan zien, waar je meteen kwam als je de stad uitreed. Ook had hij mij uitgenodigd voor een etentje bij hem en zijn vrouw thuis. Anders dan je zou verwachten, kon het daar dus ook 25 graden worden, ondanks de 800 meter hoogte waar Almaty is gelegen. Althans, toen ik er was.

Accra (Ghana)

Met weinig rust tussen de trips (hooguit een weekend of een weekenddag) moest ik kort na deze trip, eind april 1995, een bank installeren in de hoofdstad van Ghana, Accra. Vanuit België werd niet op Ghana gevlogen, dus ik vloog op zondagmorgen eerst van Brussel naar Amsterdam en stapte daar op tijd over op een machtige KLM DC-10. Op tijd in het vliegtuig, maar niet op tijd vertrokken. Er bleek iets mis te zijn met een motor. Vliegtuig werd met passagiers en al naar Schiphol-Oost getrokken, alwaar men buiten op een platform aan de reparatie begon. Nog steeds met iedereen aan boord. Bizarre situatie.

 

KLM DC 10 naar Ghana

Na ong. twee uur kwam het verlossende woord: het was gerepareerd en we konden vertrekken. Ik zat bij de voordeur met niemand naast mij, maar daar werd toen wel één of ander onderdeel onder de stoel geschoven, voor het geval het vliegtuig in Ghana weer problemen kreeg. Fijn en relaxed. Maar na 7 uur vliegen en met een tussenlanding in Kano, Nigeria (waar gewapende soldaten rondom het toestel stonden) plus een uurtje op het bloedhete platform gestaan te hebben, gingen we verder, naar Accra. Ongeveer 1½ uur vliegen. Maar in de opening van de voordeur voelde je de typisch Afrikaanse warmte al en ging ik mij voorbereiden op wat mij te wachten stond.

Bij aankomst in Accra bleken er wel veel mensen bereid te zijn om mijn bagage te dragen en wel zodanig, dat zij er onderling ruzie door kregen. Toen ik vlakbij de uitgang was, wilde men gewoon mijn koffer van mij afnemen. Dat lukte dus niet en ik liep met mijn eigen koffer gewoon naar de uitgang, achtervolgd door 3, 4 Ghanezen. Bij de uitgang stonden mensen van de bank met een bordje met mijn naam al te wachten en na kennismaking, namen zij mijn koffer over en liepen we naar hun auto, een fonkelnieuwe Landrover. De 4 mensen die mij kwamen ophalen, waren geen bankmensen, maar beveiligers in dienst van de bank. Ik vroeg of dat nodig was en zij antwoordden: “niet echt, maar we staan in voor de veiligheid van onze gasten”. Natuurlijk. Maar ik moest wel achterin tussen hen in plaatsnemen en eigenlijk gaf dat best een veilig gevoel.

 

Labadi Beach Hotel, Accra Ghana

Onderweg naar het Labadi Beach hotel (inderdaad, zoals de folder aangeeft, aan het afgesloten en beveiligde strand) werd mij van alles over Ghana bijgebracht. Het was een interessante rit, waar ik veel van de stad te zien kreeg. Uiteraard ook de vele bedelaars op de kruispunten, maar vanwege de airco in de auto waren de ramen gesloten en dat bleek wel handig. Via verschillende monumenten en het voetbalstadion kwamen we bij mijn hotel aan en spraken af, dat ik de volgende morgen om 08.30 uur zou worden opgehaald.
Na mijn prima diner en uitstekende koffie op het hotelterras aan het strand bevond ik mij op de kamer toen om 20.00 uur op de deur geklopt werd en vriendelijk gevraagd werd of ik de kamer even wilde verlaten. Het bleek, dat ik er een uur uit moest blijven, zodat zij deze volledig onder konden spuiten van anti insecten spray.

 

Labadi Beach Hotelzwembad Accra

Ik heb de rest van de avond maar een paar heerlijke, Ghanese biertjes op het terras gedronken.

Zoals te doen gebruikelijk ging werk zonder problemen. De installatie verliep goed en ik had iedereen tijdens de theorie bij de les. Ik zou die week 5 dagen werken, maar nadat ik op de voorlaatste dag de middag voor een Q&A had ingeruimd, had ik dus slechts 4 dagen nodig, dus de voorlaatste dag was een bankmedewerker zo vriendelijk mij (per auto en 2 beveiligers) rond te leiden door de stad en het achterland.

 

Souvenir uit Accra, Ghana

En juist in dat (voor toeristen onbekende) achterland, in de heuvels achter de hoofdstad, was veel authentieks te zien. Ik bezocht o.a. een houtsnij-atelier, waar een stuk of 20 Ghanezen bezig waren om uit boomstammen beeldjes te snijden. Deze mensen bleken allen, volgens mijn begeleider, een redelijk inkomen te hebben door hun werkzaamheden. De beeldjes worden over de gehele wereld verkocht.

Als souvenir werd mij er eentje geschonken, dat volgens de handwerkers een speciale betekenis scheen te hebben: het maakt je omgeving vruchtbaarder met betrekking tot het krijgen van kinderen. Dat werd oppassen dus: we hadden er al twee en dat is, van vandaag ondanks het aanwezige beeldje, tot op de dag altijd zo gebleven.                                    

Na de tour was het uitchecken geblazen, in de hoteltaxi naar het vliegveld om daar weer aan boord te kunnen van de KLM-vlucht naar Schiphol. Maar pech, de vlucht was uitgesteld, daar het toestel in Amsterdam vanwege pech aan de grond was gebleven. De volgende dag, zaterdag, zou een vervangend (maar kleiner) toestel worden gestuurd, dus ik moest zorgen dat ik aan boord kwam, aangezien Pem en ik op zondagavond per auto naar St. Malo in Frankrijk zouden rijden, omdat ik de week er na in St. Helier (Jersey, Kanaaleiland) aan de slag moest bij Banque Paribas.

Ik toog weer terug naar het Lambadi Beach hotel om voor de nacht nog een kamer te boeken, maar helaas: alles was volgeboekt. Er scheen een conferentie in de stad te zijn, dus alles kamers waren reeds bezet. Oeps, wat was nu wijsheid? Ander hotel gaan zoeken (met de wetenschap dat er een conferentie in de stad zou worden gehouden en het risico om dakloos in Accra te raken of te luisteren naar de receptioniste van het huidige hotel ?)

Op aanwijzingen van de dienstdoende receptiemedewerker kon ik de comfortabele bank in de lobby van het hotel in gebruik nemen als slaapplaats. Waarom niet? Bagage in de hotelkluis en mij, na een paar drankjes, geinstalleerd op de bank. Ik sliep zo en op afspraak wekte men mij om 07.00 uur. En niet afgesproken, maar wel met koffie.

Ik was op tijd op het vliegveld van Accra en kon ook een plaats claimen. Maar ik had mij onterecht zorgen gemaakt: vanwege de businessclass ticket had KLM zelf al een plaats gereserveerd voor mij en kon er weer een KLM-huisje aan de verzameling worden gevoegd.

Via Schiphol arriveerde ik uiteindelijk, zonder verder oponthoud op Zaventem en was ik zaterdagavond thuis.

St. Helier, Jersey (Kanaaleiland)

Speciale toestemming had ik van de baas gekregen om mijn vrouw nog eens op een trip mee te nemen, aangezien dit redelijk kort na de vorige was. Maar toen ik aangaf dat we niet per vliegtuig maar per auto en boot naar Jersey zouden gaan en dus zouden besparen op de vluchten, was het akkoord. Voor de rest (o.a. hotel, lunch, diners) werden wel vergoed.

Op zondagavond om 21.00 uur vertrokken wij uit Rotselaar, richting St. Malo, een rit van bijna 700 km. We besloten niet de tol-, maar B-wegen te nemen, omdat we 1) tijd genoeg hadden om de volgende morgen de boot naar Jersey te halen (hadden we berekend) en 2) loyaal te zijn en kosten voor de baas te besparen.

Iets langer dan gepland, omdat we geen rekening hadden gehouden met de vrachtwagens die die nacht ook via B-wegen richting kust reden, maar toch op tijd voor de geboekte veerboot arriveerden wij ’s morgens vroeg in de haven van St. Malo. De auto ging op de boot en na een leuke, bijna 3 uur durende overtocht kwamen wij aan in de hoofdstad van Jersey, het grootste kanaaleiland. Overigens dichterbij Frankrijk gelegen dan bij het Verenigd Koninkrijk en die Franse invloeden overheersen het schitterende eiland. Het doet dus meer Frans dan Engels aan.

Ons hotel, the Grand Hotel, was aan de boulevard gevestigd met uitzicht op de haven. Een mooie plek om de komende 5 dagen te verblijven.

Grappig om vanuit de hotelkamer de bewegingen op het strand gade te slaan.  Vooral het amfibisch vaar/voertuig, wat je daar ziet varen en rijden baart opzien. Op die manier is het Elisabeth Castle, dat op een rotseiland in de baai van St. Helier ligt altijd te bereiken. Bij eb is het kasteel gemakkelijk over de droge zeebodem te bereiken. Daartoe is er zelfs een pad van 800 meter lang aangelegd. Bij vloed stroomt dit pad geheel onder. Het kasteel is dan alleen bereikbaar met een speciaal toeristisch amfibisch schip (naar militair voorbeeld) dat zowel op het strand kan rijden als in de ondiepe zee kan varen.

 

Ondergronds Duits
Hospitaal

 

Amfibisch schip in de oorlog.
Voorbeeld voor Jersey.

Terwijl Pem de hele dag overdag de toerist uithing, met succes het Openbaar Vervoer testte en allerlei leuke bezienswaardigheden bezocht, zoals de dierentuin en het Duitse ondergrondse ziekenhuis uit de 2e Wereld Oorlog, zat ik bij de bank in de hoofdstad en deed daar mijn dingen. Maar na werktijd stapten wij in de auto en reden we het hele eiland af. Dat was soms best een uitdaging, aangezien men daar nooit gehoord had van tweebaanswegen en al helemaal niet in de heuvels van het eiland. Daar komt nog bij, dat op de bredere wegen natuurlijks links gereden wordt. Desalniettemin kwamen we op plekken, waar we anders nooit zouden zijn gekomen.  

O.a. de alleraardigste restaurantjes, ergens boven op een rots waar (toen) nog niet zoveel toeristen te vinden waren, zoals “the Lobster Pot”. Dat bevond zich in L’Etaque, St Ouen’s Bay. Mooi gelegen met een schitterend uitzicht over het Kanaal. Heerlijk gegeten onder het genot van passende live folkloristische muziek. Het maakte wel indruk, kan ik mij herinneren. Helaas schijnt dit restaurant mid 90-er jaren plaats gemaakt te hebben voor een blok flats. Bewoners moeten daar nu schitterend wonen.

Aan het einde van de week was de pret op het Kanaaleiland over. Werkzaamheden waren succesvol afgerond, Pem had het hele eiland doorkruist en samen hebben we het hele eiland langs de kust afgereden, maar ook wel de idylische binnenstraatjes met hun hoge heggen.
Maar we konden dus terug naar België.  Met dezelfde ferrie als waarmee we gekomen waren, voeren we terug naar St. Malo en reden vandaar via Rennes, Le Mans (je weet wel) en Parijs door naar Rotselaar, een afstand van 763 km. In één ruk doorgereden binnen zo’n 6.5 uur. Dat ging toch een stuk sneller dan de heenreis.

45-JARIG HUWELIJKSFEEST OUDERS

In de hete maand juli van 1994 bezorgden wij in Rotselaar mijn/onze (schoon)ouders nog een onvergeeflijk hoogtepuntje. Ouders waren 45 jaar getrouwd, maar wilden er, vanwege familie-omstandigheden, niks aan doen. Vonden wij erg jammer, dus wij nodigden ooms en tantes (hun broers en zussen) in het geheim uit om die zaterdag de 14e juli om ong. 12.00 uur bij ons te zijn. Mijn ouders werden “gelokt” om Jelte’s verjaardag te komen vieren en dat ze vanaf 14.00 uur welkom waren. Uiteraard deden ze dat. Ze waren sowiezo graag in Rotselaar en wij hadden ze daar graag: vooral op momenten dat Pem en ik samen konden reizen, maar op de jongens gepast moest worden, hetgeen regelmatig gebeurde. Maar dus niet uitsluitend bij onze reizen.
Pa leefde zich graag uit in de grote tuin en kon zijn lol op met de kettingzaag en hakbijl, terwijl Ma zich graag bezighield met de planten, die er volop rondom de vlinderstruik stonden.

 

Uitnodiging voor ooms en tantes

Alles verliep op rolletjes: iedereen had toegezegd te komen, was ook op tijd en we hadden dus geen afzeggingen. De voorpret, een paar weken van tevoren, was al erg leuk, zowel voor de ooms en tantes die strikte geheimhouding waren opgelegd, als bij ons zelf.

Pem had een koud buffet voorbereid en ook gedurende enkele maanden een doos met 45 kleine cadeautjes verzameld. Eentje voor ieder getrouwd jaar. Het uitpakken zou een tijdje gaan kosten, maar daar hadden wij op gerekend.

Rond 12.00 uur had ook iedereen vanuit Nederland Rotselaar bereikt en vanwege het schitterende weer kon iedereen in de tuin plaatsnemen. Zonder mijn ouders was het al een gezellige boel. Op het moment dat ze aan kwamen rijden (Maarten stond op de oprit op de uitkijk) verstopten hun broers en zussen zich in de tuin, zodat ze niet meteen zichtbaar werden, maar toen de ouders in de serre stonden en naar buiten keken, zagen zij toch de feestopstelling van de tafels en stoelen, ballonnen en slingers en hun familie. Een traantje kon niet ingehouden worden. Van beiden.

Tijdens het uitpakken van de 45 kadootjes, mochten ze natuurlijk ook de cadeaus uitpakken van de rest van de familie. Natuurlijk werd er door iedereen gedurende de koffie en daarna de borrel genoten. Door iedereen.

Het werd een supergeslaagde dag, waar nog lang over nagepraat en geschreven werd. Ook toen iedereen weer thuis was. We kregen naderhand leuke, schriftelijke reacties. Deed ons goed. We hebben het niet voor niets gedaan, wel met veel liefde.

 

Foto H.W. Snijders †
vlnr: Jelte, Maarten, Ma, Oom Harry, Oom Aad, Tante Yvon, Pem, Tante Truus, Tante Miep, Oom Gerard

 

Foto H.W. Snijders †
Oom Gerard, Oom Fred, Tante Truus, Tante Yvon, Ma, Maarten, Jelte

Athene (Griekenland)

Een korte trip naar Athene. Wat ik mij er van herinner: niet heel veel werk, maar toch een paar zaken te installeren. Ik was er nooit eerder geweest. Met (toen nog) Sabena arriveerde ik vroeg in Athene en na ingecheckt te hebben in mijn hotel, ging ik de straat op. Omdat ik de dag voordat ik zou werken al was aangekomen, besloot ik een taxi-chauffeur bij het hotel aan te spreken en vroeg hem of hij mij voor 50 dollar de belangrijkste en leukste hotspots van Athene wilde laten zien.

Dat wilde hij wel: hij vond het zelfs leuk en met veel enthousiasme leidde hij mij, met Engelstalige uitleg, rond door de stad.

 

Wisseling van de wacht

Zo kreeg ik als eerste de wisseling van de wacht te zien door in karakteristieke klederdracht gestoken soldaten op het Grondwetsplein (Grieks: Πλατεία Συντάγματος) voor het parlementsgebouw. Deze mannen moeten in hun 48 uurs-dienst driemaal een uur wacht draaien. Ik heb andere wachten gedraaid.

De bezoekjes duurden overigens nergens (te) lang; ik had het idee dat de chauffeur mij wel het een en ander wilde laten zien. Aardige kerel.

Vervolgens reed hij namelijk de berg de Akropolis op, waarop het Parthenon is gebouwd, dé meest bezochte toeristische plek in Athene. Op fotoos al mooi om te zien, maar zeker nog indrukwekkender als je er zelf staat.

En meteen door naar het het allereerste Olympisch Stadion van de moderne Olympische spelen, 1896  in Athene.

Na 2 dagen vloog ik met Sabena weer van Athene terug naar Brussel. Ik zat in een nagenoeg leeg toestel: slechts 3 andere mensen in deze Boeiing 737 en als enige businessclass, dus voorin, toen ik door de captain via een stewardess werd uitgenodigd om een kijkje in de cockpit te komen nemen. Het betrof een onverwachte uitnodiging van de captain.
Graag ging ik daar op in en mocht iets achter maar tussen beide piloten op een soort van bankje plaatsnemen. We waren gezellig aan het keuvelen, naderden op een gegeven moment de Alpen toen de captain aangaf dat hij even contact met de luchtverkeersleiding moest opnemen. Ik vroeg hem: “bij Eurocontrol” ? Maar het betrof verkeersleiding in, ik dacht, Wenen, maar hij keek wel erg verbaasd.

Nadat hij zelf zijn gesprekje afgerond had met die verkeersleiding, vroeg hij mij of ik een speciaal iemand kende bij Eurocontrol in NL. Ik vertelde hem dat mijn broer daar al jaren als verkeersleider werkzaam was, waarna hij meteen Ed’s naam wilde weten. Die gaf ik hem en hij zegde mij toe, dat ie mij zou roepen als hij contact met Eurocontrol had. Ik nam weer plaats in het toestel, niet beseffende wat er ging gebeuren.

Na ongeveer 3 kwartier kwam de stewardess mij weer roepen en zei mij, dat de captain contact had met Eurocontrol en vroeg of ik weer even binnen kon komen. Daar gaf hij mij een microfoon in mijn handen en zei: “nou, praat maar. Je broer is beneden aan de lijn”. Dus ik ietwat beschaamd: “eh.. Ed, jij daar ?” en uiteraard hoorde ik Ed daarop antwoorden. Je beseft dan dat je op zo’n 11 km hoogte boven Duitsland of Luxemburg vliegt en je broer in Beek, Limburg aan het werk is. Even wat heen en weer gekletst, waarop Ed beloofde dit toestel voorrang te geven bij het aanvliegen op Brussel, waarop de piloot hartelijk moest lachen.

 

Eurocontrol Beek (L)

Later hoorde ik, dat Ed door zijn collega’s achter zijn scherm vandaan gehaald was, omdat hij op dat moment een ander gebied (ik dacht Scandinavië) onder zijn beheer had. Ook voor hem bleek het een verrassing te zijn. Bijzonder was het zeker en zal nooit meer voorkomen. Ed is namelijk al 15 jaar met pensioen, ik sinds augustus 2020…. We kregen voorrang, althans, we stonden op Zaventem zo op de grond.

Het grappige was, dat wanneer ik op Zaventem aanvloog uit het oosten, ik meestal redelijk laag over onze woning in Rotselaar vloog en ik soms de familie en hond in de tuin zag staan. Geen wonder: hemelsbreed lag Rotselaar 20 km van Zaventem.

Chelyabinsk/Jekaterinenburg (Rusland)

Waarom ik mij nu zo speciaal verheugde op mijn volgende trip naar Rusland, weet ik eigenlijk niet meer, maar wellicht kwam dat door eerdere leuke ervaringen, die ik op diverse plekken in Rusland had opgedaan en met name op plekken waar je gewoonlijk niet zo snel komt.

Een vlucht Brussel – Helsinki – Jekaterinenburg stond op het programma. Uiteindelijk zou ik daar op het vliegveld weer opgehaald worden door bankpersoneel en een aantal dagen doorbrengen bij een bank in Chelyabinsk, zo’n 200 km zuidelijker.

 

Hier sta ik op de grens
Europa/Azië in Rusland

De stad is gelegen aan de rand van de Oeral, een gebergte dat zich van noord naar zuid uitstrekt over ruim 2000 kilometer. Al jaren wordt dit gebergte beschouwd als de grens van Europees Rusland en Aziatisch Rusland. Er zijn over die afstand diverse monumenten geplaatst om de grens te duiden en uiteraard heb ik bij één zo’n monument tegelijkertijd mijn voeten op 2 werelddelen gezet. Zie foto hier links.

Ik was benieuwd wat mij nu weer te wachten stond in dat ontzettend grote, maar arme land, met – ondanks een eerdere opgedane nare ervaring van de beroving in Moskou – zoveel vriendelijke en behulpzame mensen. Het zou mij, naar later bleek, wederom verrassen.

Over de werkzaamheden hoef ik niet zo veel te vertellen: je treft altijd leergierige mensen (en dat kon je merken: altijd blij met hun baan bij de bank), die vaak in gebrekkig Engels blijk gaven over de minimale kennis te beschikken van het niet zo simpele ST200 systeem en met name het gedeelte dat over de SWIFT-berichten ging (dus internationale betalingen). Ik zal mij meer houden met de bezigheden buiten werktijd.

De eerste de beste avond wilden 2 mannelijke bankmedewerkers na het werk mij mee nemen naar een typisch Russische sauna. Ik had en heb nog steeds een bloedhekel aan sauna’s, maar ja, je bent te gast, dus hop, zwembroek en handdoek mee en op naar de winkel. Winkel? Yep, als je daar naar de sauna gaat neemt iedereen iets te eten en of te drinken mee, dus in dat geval bleek bier zeer welkom te zijn en schafte ik een treetje Russisch bier aan. De anderen namen brood en o.a. tomaten mee.

In het donker kwamen wij ’s avonds eop een verlaten fabrieksterrein aan bij een in erbarmelijke staat verkerend fabriekspand. Maar zo zagen fabrieken en bedrijven er al snel uit in die tijd in Rusland. Werknemers van dat bedrijf hadden bedongen dat zij in dat bedrijfspand een sauna mochten bouwen voor eigen personeel. Dat was kennelijk jaren geleden gebeurd. Nadat we het pand waren binnengegaan werden we allerhartelijkst begroet door een aantal andere mannen. Er was geen vrouw te bekennen. Ik begon argwaan te krijgen en was op mijn hoede. Maar al snel bleek, dat dat eigenlijk niet nodig was. In een soort gymzaal kleedlokaal konden we ons omkleden, maar zwembroek was er niet bij. Oeps, wat nu ? Het zou volledig misstaan hebben, als ik daar als een preutse Nederlander (of Belg) in mijn zwembroek die sauna binnen was gegaan, dus gène maar opzij gezet en de centrale ruimte met mijn tijdelijke vrienden binnengegaan.

Dat overtrof wel een beetje mijn stoutste verwachtingen. Ik zag in die ruimte een paar lange tafels staan, geheel gevuld met eten en drinken. Dus niet alleen het meegenomen brood en tomaten, maar ook andere eetwaren, zoals vis, veel vis (ook rauw, maar geen haring) en andere groenten. Aan weerszijden van de lange tafels stonden oude, ooit ergens gebruikte bankstellen, waar we op plaats konden nemen. Ik vond het niet zo fris om daar met mijn blote kont op te gaan zitten, dus mijn handdoek diende als bescherming.

Er werd dus door iedereen eerst gegeten waarbij ik het verstandig vond, om het alleen bij brood en tomaten te houden. Ik waagde mij daar echt niet aan de (rauwe) vis (geen haring) en andere onbekende, maar vast wel smakelijke lekkernijen, waarvan ik bang was dat ik (daar) ook nog aan de dunne zou gaan. Moest er niet aan denken…

Na het eten was het de beurt voor de typische Russische sauna, ook wel Banja genaamd. Deze Russen vonden het wel mooi om een wetserling hun zelfgebouwde sauna te laten bewonderen, maar bovendien, een vriend van hun vriend is ook hun vriend, merkte ik.

En zo was het hier ook eigenlijk: één grote (mannelijke) vriendenclub, kennelijk om saaie door-de-weekse avonden gezamenlijk op deze manier te verslaan. Meesten waren getrouwd, begreep ik, maar hier werden geen vrouwen toegelaten.

Ik werd vriendelijk uitgenodigd mee te komen naar een kleine ruimte, waar een deurtje met een ondoorzichtig, wellicht beslagen raampje toegang tot die sauna gaf. Rondom houten banken en in het midden een flink vuur, met gloeiende stenen. Als op een soort van tribune nam ik plaats, tweehoog. Maar al snel, en met snel bedoel ik echt binnen een minuut, stapte ik als de sodemieter dat hok uit. Er zaten drie andere mannen mij verbaasd aan te kijken, maar dat maakte mij niet zoveel uit. Ik stikte de moord en wist al meteen weer, waarom ik zo’n hekel aan sauna’s had. Kolere, wat een hitte. Niet normaal.

Buiten stonden mijn gastheren zich rot te lachen, maar hadden een oplossing voor mijn probleem. Eén van de bankmensen, manager Andrej, toverde een soort van vierkante juten lap tevoorschijn en dompelde die onder in een emmer met ijskoud water.

Hij legde mij uit, dat het heel simpel was: je hersenen reageren als eerste op de temperatuur, dus als je kort in de sauna zit en niks gewend bent, vinden je hersenen het al snel te heet. Maar wat nu als de hersenen meteen gekoeld worden door koud water. Je houdt het dan vanzelf langer uit, aldus Andrej.

Ik was zo overrompeld dat ik het mij maar liet gebeuren. Je had mij moeten zien: een natte juten lap over mijn hoofd en ik de sauna weer in. Ik moet zeggen: ik kon het warempel inderdaad op dat moment beter uithouden. Toen men dat opmerkte, vroeg men mij toen op mijn buik te gaan liggen. 

Gelaten deed ik dat maar. Op die manier kon ik dan ook makkelijk mijn hoofd wegdraaien van lichaamsdelen, waar ik op dat moment echt geen behoefte aan had om naar te kijken. What could possibly go wrong. De badmeester (zo noem ik de leidinggevende in de Banja dan maar even) had een emmer water bij zijn voeten staan, waarin omgekeerd een bos, naar later bleek, berkentakken stond.

Hij pakte er een klein, gebundeld bosje berkentakken uit en sloeg mij zachtjes over mijn rug met die takken. Afwisselend wrijvend met die takken over mijn rug en schouders, in het koude water dopend en dan weer zachtjes slaan op mijn rug herhaalde zich dat een aantal maal. Je zult het niet geloven, maar waar ik bij het binnengaan van die Banja nog last van mijn rug had, was ik dat nu totaal kwijt. Ik begreep er niks van, want met die zeurderige rugpijn liep ik al een aantal dagen. En nu: na dat bizarre saunabezoek was ik echt verlost van die rugpijn.

Ik verliet de saunaruimte en kon het niet verkroppen dat de saunagangers nu dachten dat ik niet in het er naast liggende Turkse bad zou durven duiken. Ha ! Een misrekening. Natuurlijk durfde ik dat en moedig sprong ik, na mijn mooie juten lap op mijn hoofd afgezet te hebben, in het ijskoude water van het kleine, maar diepe zwembad (ondanks de reputatie van Russische wakzwemmers in mijn achterhoofd). Zowaar hield ik het daar best een tijdje in uit: het was zelfs erg lekker. Toch was ik blij die avond weer “heelhuids”, maar zeer zeker opgeknapt in mijn hotel te zijn teruggekeerd.

Gezin’s verlangen terug naar Nederland

Ondanks alle reizen, waar ik vaak wel de mogelijkheid had om iets van het land te zien in 1 of 2 dagen (en heel soms iets langer, omdat er dan geen vlucht gaat, b.v. eerste trip naar Almati) maar ook vaak wel neerkwamen op verblijven in hotels en op vliegvelden, merkte ik, dat het gezin in België het niet zo naar de zin had. De Belgische collega’s waren vriendelijk en behulpzaam en aan hen lag het niet, maar bij alles er om heen, dus ook het schamele sociale leven, wat we probeerden op te bouwen,  leek het wel of de Belgen een minderwaardig-heidscomplex t.o.v. de in België wonende Nederlanders wilde revancheren door middel van het discrimineren of andere vormen.

Zo was het pijnlijk te zien, dat onze oudste zoon, ondanks zijn aanleg voor wiskunde, hier moeite had met dat vak in de 3e klas van het gymnasium, waarbij wij ook wel constateerden dat het onderwijs in België (toen) op een hoger plan stond dan in Nederland. Maar als hij na de les aan de leraar aangaf, dat hij over bepaalde onderwerpen iets meer uitleg nodig had, durfde zo’n leraar gewoon te zeggen: “maar jij bent toch Nederlander? Jullie weten het toch altijd zo goed ?” en liet hem gewoon in de steek. Zijn mede leerlingen (allen Belg) pikten dat niet en namen het voor de zoon op. Zij kwamen dan bij ons thuis en gaven hem – heel gezellig – gewoon bijles. Zij wel.

En met de verjaardagsfeestjes van onze jongste ging het ook erg goed. Op zijn verjaardag hadden wij de garage tot disco ingericht en gingen de kids volledig uit hun bol. Het voordeel daar was dat de dichtstbijzijnde buren een paar honderd meter verder woonden. We zijn er daar wel achter gekomen, dat Belgische fricandellen anders zijn dan Nederlandse, n.l. meer op gehaktballen lijkend en met kersen.

Mede door de problemen met de huisbaas verlangden wij uiteindelijk om na bijna 2 jaar terug te keren naar Nederland. En eigenlijk op korte termijn. Jammer van het schitterend mooie huis, waar we in woonden, maar dat woog niet op tegen het angstige en ook eenzame gevoel wat wij als gezin in Rotselaar hadden, terwijl wij toch al snel best wel wat dorpsbewoners begonnen te kennen en trachtten contacten te leggen. Dat lukte alleen een beetje met de supermarkteigenaar, omdat we een goede klant van hem waren voor b.v. melk, dat apart voor ons besteld moest worden bij Danone, waarbij de fabriek toevallig ook in Rotselaar gevestigd was. Maar 2 pakken op dinsdag, 3 op vrijdag. Week in, week uit. En ook Tia Maria leverde hij op bestelling, nooit uit voorraad.

Wel lekkere volle melk, trouwens.

En natuurlijk liepen wij vaak rond het meer van Rotselaar (Domein ter Heide), waar we ‘s zomers lekker konden zwemmen en Randy bovendien ook ‘s winters.

 

Randy

Maar met de sociale contacten wilde het maar niet vlotten. Belgen leken wel oesters: na 7 uur ’s avonds gingen de rolluiken voor de ramen en was het dorp uitgestorven. Ook zomers.
En had je het geluk eens nader tot elkaar te komen, dan werd er in de kroeg afgesproken, nooit bij iemand thuis.

Een wonder leek te gaan gebeuren. Kort nadat wij als gezin begin december 1994 eigenlijk overeen waren gekomen om te zien of we op korte termijn weer naar Nederland konden terugkeren, werd ik kort daarna, om precies te zijn op 8 december 1994 door mijn chef gevraagd of ik er toevallig niets voor voelde om weer in Nederland te gaan werken (ze hadden wel gemerkt, dat we niet helemaal op ons gemak waren), maar men had een ST200/mainframe interface specialist nodig op het Support Center in Zoeterwoude en die was er niet. Bovendien had ik ook op andere systemen reeds expertise opgedaan, dus wat dat betreft best waardevol. En ik had wel oren naar een terugkeer daar waar ik 5 jaar eerder begonnen was. De familie was er blij mee.

Uiteraard wilde ik dat wel en op 10 december zat ik in Zoeterwoude. Een woning in Zoetermeer was snel gevonden, zolang je maar in het vrije vestiging domein speurde (lees: hoofdprijs betalen). Maar we wilden terug: en snel, dus per 1 februari 1995 kregen wij de sleutel van een dekwoning in Meerzicht op de Zilverberg.

Maar bijna 2 maanden ervoor, op 10 december 1994 zat ik al op het supportcenter in Zoeterwoude en kon ik gedurende die tijd op een oude plek bij mijn ouders thuis verblijven: op zolder. Uiteraard was ik in de weekenden in Rotselaar, of de familie kwam over naar Zoetermeer, maar de tijd dat we gingen verhuizen kon niet snel genoeg voorbij gaan. Op 15 februari 1995 was het zover. Hoewel gevreesd werd dat de huisbaas de oprit zou blokkeren, om ons te beletten te vertrekken, bleek dat niet het geval en konden we met stille trom vertrekken.

Wat een opluchting was het om de Belgisch/Nederlandse grens weer te passeren.
Want waarom waren wij zo voorzichtig? Wel, dat hele energie gedoe van de woning was best een dingetje geworden, toen de onenigheid begon. Of eigenlijk, een ding.

Samengevat bleek bij nader onderzoek, dat wij gedurende ons verblijf in Rotselaar, waar wij de woning van de fabriekseigenaar Ooms huurden, eveneens opdraaiden voor de verbruikte energie van de fabriekshal, die aan onze woning gebouwd stond. Toen ik de huiseigenaar, gesterkt door de heer de Brabander van het energiebedrijf Electrabel daarmee confronteerde en met hem aantoonde dat de energievoorziening van de hal op mijn woningmeter stond, bekoelde de relatie meteen aanzienlijk tussen hem en mij.

Uiteraard en onmiddellijk heb ik daar toen een eigen meter geëist, die uiteindelijk, na een maand of 7 en vele verzoeken kwam, maar onze verhouding kwam niet meer goed. Ik eiste dat de rekening herzien werd, maar dat weigerde Ooms. Hij voelde zich betrapt en ging heel vervelend ineens eigen eisen stellen. Onredelijke eisen. Dat weigerde ik. En toen mijn baas in december vroeg of ik er iets voor voelde om weer op het supportcenter in Zoeterwoude te gaan werken, omdat ze daar dringend een mainframe interface specialist met ervaring met een ST200 nodig hadden, twijfelden we geen moment. We hadden zoiets van “gered door de bel”. Het hele gezin kon niet wachten om terug te verhuizen naar Nederland. Dit was n.l. niet het eerste smerige achterbakse gedrag van Belgen, die ons daar dwarszaten. Niet mijn collega’s, maar vooral buiten het werk. Voor dit onderwerp houd ik het hierbij. 

Maar eenmaal weer werkzaam in Zoeterwoude, bleek Ooms een rechtzaak aanhangig gemaakt te hebben in België. Via SWIFT kreeg ik een advocaat en de Heer de Brabander van Electrabel bood met graagte aan om voor mij te getuigen, want ook hij vond echt dat dit alle perken te buiten ging. De rechtzaak werd dan ook met veel vertrouwen tegemoet gezien, ook volgens de advocaat.
Overwogen werd een aangifte voor fraude, oplichting of diefstal van stroom in België te doen, maar dat leek geen kans van slagen te hebben en op hoge kosten uit te komen. Ik liet mij terdege informeren en eerlijk is eerlijk: we waren er inmiddels doodziek van, ietwat uit het veld geslagen en waren blij Rotselaar achter ons te kunnen laten.

De rechtzaak zou mid-juni 1995 in Leuven plaatsvinden. Voor de advocaat was het niet noodzakelijk dat ik op de zitting aanwezig was, aangezien hij alle stukken in handen had en de situatie, geschetst door Electrabel, duidelijk was. En liever kwam ik die gluiperd van Ooms niet meer onder ogen natuurlijk.

Maar toen gebeurde er iets, waardoor onze indruk dat veel Belgen corrupt zijn, werd bevestigd. Eén dag voor de zitting kreeg ik in Nederland een fax van het advocatenkantoor, dat mijn advocaat zich (om werkelijk onbekende redenen) terugtrok van de zaak en dat ik zelf mijn zaak maar moest bepleiten. Dat was onmogelijk, daar ik in Zoetermeer verbleef en al mijn stukken bij de advocaat lagen. Mijn pogingen om die stukken onmiddellijk aan mij toe sturen strandden, dus ik was al bij voorbaat verloren. Ook Electrabel kon zomaar ineens, in persoon van de heer de Brabander, niet meer getuigen op de rechtzaak. Erg vreemd allemaal.
Via de griffie in Leuven kreeg ik ook nog eens te horen dat de zaak niet uitgesteld kon worden. Mijn redenen waren niet zwaarwegend genoeg, zei men.

Een paar weken later kreeg ik de uitspraak in de bus. Uiteraard, zoals verwacht als je in het geheel niet vertegenwoordigd wordt en je eigenlijk geen kans hebt gehad om jezelf te verdedigen, was de zaak verloren en kreeg Ooms zijn vordering toegewezen. 

Weet dat Ooms in België een groot bedrijf was en hun tentakels reikten daar ver, tot in de rechtbank en advocatuur, hebben wij gemerkt. Het was voor ons een kansloze zaak, die wij bij voorbaat al verloren hadden. En verder had ik grote bedenkingen bij mijn werkgever, die mij middels een advocaat eerst steunde waar de advocaat mij ineens aangaf van de zaak gehaald te zijn. Dat doen advocaten niet voor SWIFT. Als je daarvoor mag werken is dat een buitenkans. Ik vreesde dus het ergste. Doordat ik veroordeeld was de vordering aan Ooms (een bedrag van enkele tienduizenden guldens) te betalen, belandde ik in een nogal penibele situatie. Voor mijn werk achtte men mij natuurlijk gevoelig voor corruptie en zou ik chantabel kunnen zijn, vermoedde ik dat men dacht. Toen is dat niet gebeurd, maar toch bleek dat SWIFT, vermoedelijk om die reden, toen al van mij af wilde. Ze hadden een jaar later een mooie kulreden gevonden, waarmee zij zich in de rechtbank later belachelijk maakten.

Het werk ging uitstekend: ik had het goed naar mijn zin en kon veel energie steken in de customer support voor het gebied, waar ik in getrained was. Leuk werk waar ik veel genoegdoening uit haalde en ik kreeg goede klantbeoordelingen, dus ogenschijnlijk was er niets aan de hand. Ook het gezin had het weer prima naar de zin. De jongens zaten weer op een “normale” Nederlandse school en we hadden een aardige split-level woning in Meerzicht.

Na 2 weken vakantie kwam ik terug op het support center en men vroeg mij meteen contact op te nemen met een Egyptische bank in Caïro. Die hadden al anderhalve week problemen dat SWIFT berichten niet naar hun mainframe gingen, waardoor betalingen vanaf de bank niet verzonden werden. Iedere dag dat dat niet plaatsvond kostte de bank veel geld. Er was bij SWIFT op het SPC (Support Centre) op dat moment niemand anders die die bank kon helpen.

Ik vroeg de bank naar de mainframe log en of ze die konden faxen (thuis had ik al email, maar bij SWIFT naar buiten toe niet), maar dat waren zo’n 500 pagina’s, dus dat zag de bank niet zitten. Hij wilde het als bijlage bij een email versturen naar SWIFT, maar helaas, dat ging dus niet. Bij SWIFT, een specialistisch bedrijf op het gebied van (data-)communicatie, zelfs met hun financiële netwerk voorloper van het huidige internet, kon er nog geen gebruik gemaakt worden van emailadressen waarmee extern gecommuniceerd kon worden. Ik moest hem dat meedelen, waarop hij vroeg of ik zelf email had. Thuis dus. Dan zou hij de log naar mij stoe sturen, zou ik het tekstbestand op een diskette zetten en op het support center gaan onderzoeken.

Ik legde uit dat ikzelf uiteraard thuis wel email had, maar dat het niet was toegestaan om bankgegevens naar een privé-emailadres te sturen, waarbij hij aangaf dat hij mijn baas zou doorgeven dat het uitdrukkelijk op zijn verzoek was, dat hij op de hoogte was van de voorschriften en dat het op zijn risico was. Een disclaimer dus, maar hoe dan ook moest het snel verholpen worden.

Die avond ontving ik thuis vanuit Egypte inderdaad een logbestand als bijlage bij een email op mijn eigen pc. Zonder die in te zien copieerde ik die naar een diskette en de volgende morgen om 08.00 uur opende ik op het Support Center de log. Al snel viste ik de foutmelding er uit en belde ik om half 9 de Egyptische bank met een aantal adviezen, die hij onmiddellijk uitvoerde. Een half uurtje later belde hij terug: probleem was volgens mijn aanwijzingen opgelost en zijn (achterstallige) transacties werden uitgevoerd. De bank was erg blij en zou meteen mijn baas in kennis stellen om hun tevredenheid kenbaar te maken. Ik gaf aan: dat hoeft niet, het is mijn werk. Ik was al blij hem te hebben kunnen helpen.

Om 11.00 uur die ochtend, werd ik door mijn chef, Lou, gevraagd om bij Human Resources te komen, waar mevr. Bleiswijk, hoofd personeelszaken, mij iets te vertellen had. Ik weet dat ik toen dacht: zo, dat is snel aangezien ik werkelijk verwachtte dat de bank zijn tevredenheid had betuigd en PZ mij daarover iets wilde meedelen. In mijn naïeviteit.

Niets was dus minder waar: ik kon onder begeleiding van 2 guards naar de uitgang lopen, waar een taxi voor mij klaarstond om mij thuis te brengen. De guards schaamden zich rot, aangezien we elkaar al jaren kenden en zeer vriendschappelijk met elkaar omgingen en voelden zich dus knap ongemakkelijk. Wel, dat waren dan nog mensen met gevoel in hun donder. Mijn jas en andere persoonlijke spullen, die nog boven op het support center lagen, werden door anderen bij mij gebracht.

Volgens Winette Bleiswijk, manager HR en doorgaans een “allemansvriend” bij andere mannen (…), was de reden dat ik de bank mijn eigen emailadres had gegeven. Toen ik aangaf dat dat ongeveer hetzelfde was als je naam aan iemand geven, bleek ze dat niet te kunnen begrijpen. Ik zag al snel, dat er tegenin gaan geen kans maakte en liet mij thuisbrengen.

Op het door collega’s georganiseerde feestje, waar op twee na (ratten, die niet durfden te komen) al mijn collega’s van het supportcenter in Leiden aanwezig waren, werd vooral met ongeloof over de handelwijze van SWIFT gesproken. Men begon nu zelfs angstig te worden voor hun eigen hachje omdat je kennelijk na 10 jaar trouwe dienst, zonder weerwoord, op deze manier aan de kant geschoven kon worden. Het feestje was overigens gezellig en met veel van mijn collega’s heb ik nog jarenlang contact gehad. Enkelen lieten echter na het feestje niks meer van zich horen. Ook goed. Slechts met Monique onderhield ik jaren later nog correspondentie, nadat zij naar Canada was geëmigreerd en daar trouwde met een Canadees.

Tijdens de 3 maanden later gehouden rechtzaak i.v.m. het door SWIFT aangezegde ontslag werd ik in het gelijk gesteld, werd er gehakt gemaakt van de beweegredenen van SWIFT en werd SWIFT veroordeeld mij opnieuw in dienst te nemen maar oordeelde de rechter dat de verhouding werkgever en werknemer waarschijnlijk wel onherstelbaar beschadigd was en gaf toestemming tot ontbinding, incl. de geldende ontslagvergoeding. Op zich had ik na deze 10 jaar ook wel zin om wat anders te gaan doen en doordat de rechtzaak gewonnen werd, kon ik rustig verder kijken. Ik was dus wel blij, dat ik – gedurende een aantal maanden vrijaf (WW) mij eens rustig kon bezinnen op mijn volgende carrièrestap en/of uitdaging.

Nieuwe werkgever

Die stap volgde kort na SWIFT. Als inmiddels gecertificeerd Novell administrator (zelfs samen, hoe bijzonder, met oudste zoon tegelijk cursus Novell 4 gedaan) trad ik in dienst bij het Amerikaanse Sylvan Learning Systems, een e-learning bedrijf dat online en klassikaal examens uitvoerde in opdracht van ETS (Educational Testing Service), een Amerikaans (overheids) bedrijf, dat buitenlandse studenten liet testen en liet examineren teneinde bij goede resultaten evt. in Amerika te komen studeren. Het doel was simpel: de beste studenten konden naar Amerika komen, daar studeren in de hoop dat zij het Amerikaanse bedrijfsleven ingingen. En voor dat doel had men door geheel Europa 64 testlokaties, waar lokale studenten hun examen GRE (Graduate Record Exam), GMAT (Graduate Management Admission Test) en TOEFL (Test of English as a Foreign Language) konden afleggen.

Eén van de taken bij het bedrijf was het beheer en onderhoud van de Novell netwerken, die in ieder testcentrum in Europa in bedrijf waren. Zo’n netwerk bestond uit een Novell server, een admin-station en zo’n 20-30 Compaq werkstations. Zo kwam het regelmatig voor, dat ik of één van mijn vijf collega’s op b.v. zondagochtend gebeld werden om op het Europees hoofdkantoor in Woerden een kant en klaar geinstalleerde serverdisk op te halen en die persoonlijk over te brengen naar het testcentrum in b.v. Stockholm (maar hier kan zo’n beetje iedere Europese hoofdstad voor ingevuld worden) en deze met spoed in te bouwen nadat de gecrashte schijf er uit gehaald was. Op die manier konden de volgende ochtend weer 20 studenten om 09.00 uur hun examen doen. Meestal lukte dat wel.

Voor de rest reisde je veel naar de testcenters in de diverse Europese landen voor onderhoud aan printers, het bijplaatsen van intern geheugen in werkstations en servers, vervangen van harde schijven en beeldschermen, kabels, routers/hubs, modems en algeheel onderhoud op de server.

Daarbij waren er ook plaatsen in Europa, waar geen permanent center was gevestigd, maar waar wel lokale studenten de kans gegeven werd om examen te doen. Daartoe hadden wij de beschikking over een aantal flinke flightcases, reiskisten en vaak gingen wij met twee personen (een admin en een techie) met 4 of 5 van die koffers op pad, gevuld met 25 laptops, de server, hubs, modem en modemtester, voldoende reserve UTP-bekabeling e.d. Nog in Woerden had een andere collega, een administrator, reeds 2 kamers geboekt in een hotel in die plaats, plus een grote conferenceroom, dus vergaderzaal. Mijn taak was dan ter plaatse de conferenceroom in te richten met deze laptops en de server en zaak gereed te brengen voor de af te leggen examens. Dat zag er dan uit, zoals hieronder afgebeeld.

 

Cork, Ierland

 

Triëst, Italië

Dublin – Cork – Galway – Dublin

Doordat in nagenoeg alle hotelkamers een dubbelbed was geplaatst, kon Pem regelmatig mee op reis. Een leuke reis was b.v. de 14-daagse reis door Ierland. Ik moest in de universiteit in Dublin, waar een permanent Sylvan testcentre was gevestigd, onderhoud plegen, apparatuur en/of kabels vervangen en op 2 locaties elders in het land examens afnemen.

Achtereenvolgens in moesten wij in 14 dagen zowel in Cork als in Galway 5 dagen examens afnemen,  dus we hadden 2 dagen van tevoren voor 5 personen een vlucht naar Dublin geboekt en een kamer in het Westbury waardoor we nog wat in Dublin rond konden kijken. Daar maakten we graag gebruik van en bezochten de hotspots, zoals de Half a Penny Bridge, Grafton Street, St. Stephen’s Green Shopping Centre en Finnegans, Bono’s (U2) pub en dronken wij een glas en aten wij een hap in de bekende pub Break for the Border.

Grafton Capital Hotel/break For The Border, DUBLIN, Dublin | Pub info @  Publocation

 

In het Grafton Capital (tegenwoordig The Grafton en waar wij op een latere reis terechtkwamen was de bekende pub Break for the Border gevestigd, waar wij nu wel kwamen.

Daarna stond een gehuurde Volvo V70 (stuur rechts !) voor ons klaar, waarmee wij dwars door Ierland gingen rijden. Met de 4 flightcases en 4 personen.

 

Vlnr Monique (collega), Pem en Veronique (collega)

We verheugden ons op deze trip, daar we best wel wat vrije tijd tot onze beschikking hadden en we het een en ander op ons programma hadden staan, wat we graag wilden zien in het land.

Op betreffende reisdag vertrokken wij dus vanuit Dublin aan de oostkust per auto naar Cork, gelegen aan de zuidkust. Na een week zouden wij doorreizen naar Galway aan de westkust om een week later weer terug te keren in Dublin. Met recht een roundtrip:

De trip was fantastisch. Veel van het land gezien, veel geleerd (o.a. over de grootste ramp in de afgelopen 150 jaar in Ierland: de Ierse hongersnood).

De Ierse hongersnood is de periode van voedselschaarste die Ierland tussen 1845 en 1850 trof. Voor hun voedselvoorziening waren de Ieren grotendeels afhankelijk van de aardappeloogst. Negentig procent daarvan was echter mislukt als gevolg van de aardappelziekte. Deze plaag werd veroorzaakt door de pseudo-schimmel Phytophthora infestans en bracht door de monocultuur een ware ravage teweeg. Als gevolg van de voedselschaarste stierven meer dan een miljoen Ieren. Miljoenen anderen vluchtten al dan niet gedwongen naar Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Groot-Brittannië.

Maar onderweg konden we aansluiten bij een rondleiding, halverwege de autotrip van Dublin naar Cork, in de Rock of Cashel (ook wel St. Patrick’s rock). Dit kasteel, wat ong. 15 jaar later – hoe leuk – gefigureerd heeft in de bekende serie Games of Thrones. Het kasteel is een 60 meter hoge kalksteenhoudende rots in Cashel, County Tipperary, Ierland, zetel van de koningen van Munster vanaf de vierde eeuw totdat de rots in de twaalfde eeuw aan de kerk werd geschonken.

Aan het einde van de dag kwamen we bij ons hotel in Cork aan. Prima hotel, voorzien van een zwembad. Iets minder was, dat onze gereserveerde vergaderzaal zich recht boven de hotel-wasserette bleek te bevinden. Zodra de was- en droogmachines aan het werk waren schudde onze vloer, tafels en stoelen (en laptops) en werden de studenten flink afgeleid tijdens hun examen. Dat was dus iets wat wij niet nog een dag wilden meemaken. Een beetje soebatten met de directie hielp, werden de machines vanaf de middag gestopt en mochten we die avond onze spullen overbrengen naar een andere conferenceroom in het hotel.

We moesten wel tot een uur of 3 ’s nachts wachten totdat een gezellig feestende bruiloft meute vertrokken was. We spraken af, dat beide admin-collega’s de volgende ochtend de studenten zouden ontvangen, zouden inschrijven, fotograferen en de computers zouden opstarten en nu gewoon naar bed gingen. Pem en ik zouden dan in het holst van de nacht de computers plaatsen, netwerk aanleggen en klaarzetten voor de examens, de volgende ochtend.

Ik was daarom des te blijer dat Pem er dit keer bij was en dat wij samen de vergaderzaal met zo’n 20 laptops hebben kunnen opzetten. Nadat we het netwerk als test succesvol opgestart hadden, konden ook wij rond 5 uur naar bed. Later in de ochtend voegde ik mij weer bij de collega’s, waarbij bleek, dat bij het opstarten door de dames alles soepel verlopen was. Pem was gaan winkelen, Cork in.

In deze vergaderzaal hebben wij de testweek zonder verdere problemen en in alle rust af kunnen maken, de examenresultaten toen via de geëigende weg via Compuserve naar ETS in de USA verzonden en vertrokken wij aan het einde van de week met de gehele uitrusting en gevieren per auto richting Galway. Onderweg hadden wij ruim de tijd om tussenstops te maken o.a. in Bunratty Village en bezochten en beklommen wij het Bunratty Castle.

Nu we toch aan die kant van Ierland waren, konden we de Cliffs of Moher, aan de Atlantische kust natuurlijk niet overslaan. Ik stond daar wel doodsangsten uit, daar Pem hier moediger bleek dan ik en rustig op een smal platform ging staan met die duizelingwekkende diepte van zo’n 120 meter op 50 cm afstand. Ik waagde mij daar echt niet. De Cliffs zijn gelegen in Hag’s Head, het meest zuidelijke puntje van de Cliffs. Het hoogste punt ligt op 214 m. Tegenwoordig behoren de kliffen tot de meest bezochte plekken in Ierland.

Na deze cliffs reden wij verder het natuurgebied de Burren in. De Burren (Iers: Boireann, “grote rots”) is een uniek karstlandschap in het noordwesten van het graafschap Clare in Ierland. Het kalksteengebied heeft een oppervlakte van ongeveer 300 km². Aan de noordzijde wordt het begrensd door de Baai van Galway, aan de westzijde door de Cliffs of Moher.

 

Poulnabrone Tomb in the Burren

Galway bereikten wij na een paar uurtjes rondtouren door die Burren, bezichtigen van grotten en genieten van de schitterende Ierse westkust natuur. Schitterende vergezichten over de Atlantische Oceaan.

Wij betrokken in Galway kamers in het toen bekende Great Southern hotel, midden in de stad. Na onze bagage opgeruimd te hebben inspecteerden wij de conferenceroom, die wij hadden afgehuurd voor examens in de komende dagen.

 

Na opening deur vergaderzaal was dit het uitzicht. Het aloude Centraal Station van Galway

We vielen van de ene in de andere verbazing. Het hotel zelf was een karakteristiek, oud, maar o zo sfeervol hotel, met soms krakende houten vloeren maar ook met een echte Ierse pub onder het hotel. Daar zaten wij tussendoor natuurlijk regelmatig. Maar ook de vergaderzaal, waar wij onze apparatuur plaatsen, was een enorme zaal met aan de achterzijde een deur. Toen we die openden waren we toch even stil. We keken tegen stootblokken van een treinbaan aan. Het bleek, dat de achterzijde van het hotel tegen het Centraal Station stond en we dus vanuit de zaal het station in keken.

Maar als we er ons van tevoren in verdiept hadden, hadden we het kunnen weten. Alhoewel het Great Southern in de loop der jaren diverse naamsveranderingen had ondergaan (The Railway Hotel…The Great Southern…Hotel Meyrick en als laatste vanaf 2006 The Hardiman..) hadden we daaruit kunnen opmaken, dat het wel iets met treinen te maken had kunnen hebben. De hele historie, hetgeen wel interessant om te lezen is, vind je hier:

https://www.thehardiman.ie/history.html

Na een week veel kandidaten gelegenheid te hebben gegeven hun examens bij ons af te leggen, konden wij ook daar met een voldaan gevoel weer de terugreis aanvaarden. Met de 3 dames en onze travelcases vertrokken wij in de Volvo voor een 2.5 uur durende rit van het westen van Ierland naar het oosten, van Galway naar Dublin. Een afstand van slechts 200 km.

Foto's: Aer Lingus verjongt uiterlijk vloot • Piloot & Vliegtuig

Vandaar per Aer Lingus naar Schiphol.

Luleå, Zweden

Ik had voldoende Eurobonus punten bij de Star Alliance maatschappijen verzameld, waaronder van Scandinavian Airlines om Pem weer een keer mee te nemen op reis. Dit keer naar Zweden. Lapland was het doel.

Ik moest examens afnemen in Lulea, een niet zo heel erg grote plaats, gelegen in het noorden aan de Botnische Golf. Luleå is gelegen in de provincie Norrbottens län en in het Zweedse landschap Norrbotten.
Op zich was het testen in deze stad niet zo spannend. Het hotel Scandic, net buiten het centrum gelegen was uiteraard een prima hotel, maar toevallig kreeg ik hier voor het eerst een kamer met eenpersoonsbed (als geboekt, maar als Pem meeging, boekte ik nooit een tweepersoonskamer, omdat je altijd wel een tweepersoonsbed op je kamer had.)
Hier dus niet, dus dat moest ik even regelen, maar dat ging snel. Meteen een prima kamer gekregen, direct naast de conferenceroom. Dat was makkelijk.

Tussen het testen door hadden we gelegenheid de buurt te verkennen, dus nadat wij eerst de kustlijn van de Golf bezichtigd hadden (vroeger lag de stad aan een Zweeds Fjord) togen wij met een huurauto naar Gammelstad, ong. 10 km verder gelegen en nog steeds behorend bij de gemeente Luleå.

Gammelstad, één van de veertien Zweedse werelderfgoederen op de lijst van UNESCO bezit het Laplandmuseum. Hier leerden we alles wat we nog niet kenden (best wel wat) over de cultuur van de Sami, de oorspronkelijke bewoners van Lapland.

Tromsø, Noorwegen

Met een nieuwe collega, die ik als techie in moest werken, vertrok ik naar Tromsö in Noorwegen.
Tromsø ligt op ongeveer 400 kilometer boven de Poolcirkel, midden tussen de fjorden op het eiland Tromsøysundeten. Het is met ca. 75.000 inwoners de grootste stad van het noorden van Noorwegen. De geschiedenis van de stad gaat duizenden jaren terug. Ooit was dit het centrum van de bonthandel en vertrekpunt voor vele expedities naar het poolgebied.

Ter idee: vanuit Tromsø is het zo’n 9 uur rijden noordwaarts naar de Noordkaap. Jammer dat we te weinig tijd hadden.

 

Tromsø, 400 km boven de poolcirkel

 

We hadden een prachtig gelegen hotel, juist om de hoek van de (naar het scheen) beroemde De Tromsøbrug die het Tromsøysund, de zeestraat tussen het eiland
Tromsøya waar Tromsø op is gelegen en het Noorse vasteland overspant.

Over het werk viel niet zoveel te vertellen: dat werd voornamelijk door mij uitgevoerd, aangezien de nieuwe collega totaal geen kaas had gegeten van de materie, waarin we werkzaam waren, maar buiten dat behandelde hij ook onze Noorse collega’s regelmatig grof en onfatsoenlijk. Vooral de vrouwelijke. Bij terugkomst op kantoor in Woerden werd mijn “collega” dat uit Irak meegedeeld en dat hij (op mijn voordracht) in het geheel niet geschikt was voor dit werk. Hij mocht meteen vertrekken.

Hoewel we niet zelf de brouwerij konden bezoeken hebben we ’s avonds wel het bier gedronken dat gebrouwen is in de noordelijkste brouwerij ter wereld: “Mack” bier.

Volgens eigen zegge gebrouwen op goed humeur en een fantastische natuur. Dat hebben we ruimschoots geproefd. Klopte ook wel.

Trondheim, Noorwegen

In het rijtje Noorwegen passen ook mijn trips naar Trondheim, een bijzonder leuke stad met erg goede restaurants en Kristiansand, geheel in het zuiden van Noorwegen gelegen en waar ik eens het weekend moest overblijven. Wat een ongelooflijk saaie stad was dat. Hoef ik verder niets over te schrijven. Zelfs op zaterdag was er niets te beleven.

De werkreis naar Trondheim daarentegen: die was indrukwekkend, maar begon wel met een ramp, waar ik even, heel even maar een beetje in paniek raakte. Ik arriveerde met mijn collega één dag voordat ik in het hotel bij 40 kandidaten examens moest afleggen. Maar bij aankomst in Trondheim na mijn rechtstreekse KLM-vlucht bleek mijn bagage kwijt. Ik moest echter de volgende dag wel examens afnemen bij zo’n 40 kandidaten en kon dat niet doen in het kloffie en sportschoenen wat ik aan had tijdens de reis. Na veel telefoontjes met vliegveld, KLM in Trondheim als ook in Amsterdam ging het er naar uitzien, dat ik die bagage niet voor de volgende ochtend zou ontvangen. Maar winkels stonden op het punt te sluiten.

In dit hotel, Hotel Bakeriet dat in Trondheim een directe historische basis heeft doordat het in het verleden dienst deed als bakkerij, had ik geluk dat het hotel een kleding-winkel bezat.

 

Bakeriet Hotel (Nu Best Western)

Goede raad was duur en nood brak wet: ik heb mij tegoed gedaan aan het winkelen in de kledingshop van het Bakeriethotel dat ’s avonds open was en daar een keurig overhemd, broek, stropdas sokken en ondergoed gescoord. (Jammer dat mijn schoenen zich in een wel aangekomen tas bevonden).

De kleding kostte uiteraard een klein kapitaal, maar mijn werkgever had geen bezwaar om de company creditcard ook daarvoor te gebruiken. (Iets met verzekering, dacht ik). Aldus geschiedde.
Er is weinig overredingskracht voor nodig om te doen beseffen, dat ik er die volgende dag pico bello uitzag. Van die kleding, die een paar weken na terugkomst door KLM vergoed werd, heb ik nog lang plezier gehad. Ook mijn eigen bagage is uiteindelijk keurig in mijn bezit gekomen.

Uiteraard hebben wij de weinige vrije tijd, die ons verder nog ter beschikking stond nuttig besteed en een bezoek aan het, Scandinavische kleurige centrum gebracht. Ondanks werk ruim genoten van deze trip.

Doha, Qatar

Op 4 januari 1999 moest ik met mijn collega Edwin examens afnemen in Doha, hoofdstad van Qatar. Hier kwam mijn 2e paspoort (zakenpaspoort) goed van pas, aangezien in mijn originele, eerste paspoort stempels van Israël stonden en als je die had, zou je in Qatar (en andere MO-landen) de toegang geweigerd worden. Ik heb wel eenmaal meegemaakt, dat de Israëlische grenscontrole op Ben Gurion, het vliegveld in Tel Aviv goed mee werkte, door in je paspoort een inlegvelletje met de vereiste stempels mee te geven. Die kon je er dan altijd uitlaten als je naar een dergelijk, vijandig Miden-Oostenland zou moeten. Bij Sylvan regelde een ambassade-service voor ons de visa-aanvragen op tijd en snel. Inclusief halen en brengen. Scheelde een puist werk.

Met mijn collega vertrok ik die januari-dag per KLM naar Qatar. We zouden een tussenstop maken in Dubai en dan overstappen op een vlucht met Emirates naar Qatar.
Ik had geen idee, wat ik in Qatar kon verwachten. Het was voor mij een totaal onbekend land.

 

Ik begreep dit bord niet helemaal, maar
vermoedde dat de rotonde nog niet klaar was.

Hoe dan ook: na bij elkaar een uurtje of 10 gevlogen te hebben, werden we op het vliegveld van Qatar met een limousine (uiteraard..) opgehaald en naar ons hotel gebracht.

Vanwege de ramadan werd er wel gevast, maar in het hotel zagen wij al dat die regels omzeild werden door schermen in de zalen te plaatsen, zodat Westerlingen of anderen, die niet aan de Ramadan deelnamen van de locals werden afgeschermd.

Buiten was het 31 graden, die 4e dag van het jaar. Bijzonder, voor mij in ieder geval, maar ik was er op berekend. Qua kleding.
Over het werk en de bij deze Arabieren afgenomen examens was, behoudens de ongebruikelijke kleding die men droeg, niet veel bijzonders te melden.

De terugreis werd wel bijzonder. Met Emirates vlogen wij weer terug naar Dubai en vandaar zouden we, wederom met KLM, terugvliegen naar Amsterdam. We zaten achterin het toestel (waar je toen nog mocht roken) . Toevalligerwijze bleek de stewardes, die ons achterin het toestel “verzorgde” ook Edwin’s ex-vriendin te zijn, waar hij nog een goede band mee had, maar geen relatie.

Dat weerhield haar er niet van om ons gedurende de 7 uur durende vlucht flink te verwennen: alleen met hapjes en met drankjes. Eigenlijk dronk ik zelden in een vliegtuig alcohol, omdat dat bij mij altijd dubbel zo hard aankomt en ik dan uren met koppijn rondloop, maar ik ontkwam er niet aan om een (flinke) bel goede whiskey te accepteren. Tja, dat was werkelijk een opoffering, dat ik geweten heb: ik ben aan boord best wel beroerd geweest, terwijl de borrel mij toch echt goed smaakte.

Glasgow – Belfast – Dublin – Belfast

In de universiteit van Glasgow moest er onderhoud op server, netwerk en werkstations gepleegd worden. Pem kon weer mee, maar we spraken op vliegveld Belfast af, twee dagen na mijn werk in Glasgow.

Zo gebeurde dat ook. Ik vloog van Glasgow met een propeller toestel naar Belfast en wachtte een korte tijd totdat Pem vanuit Amsterdam was gearriveerd. Samen reden we naar het Hilton hotel in Belfast, alwaar we een kamer voor een paar dagen hadden.
Ook daar werkte ik op de universiteit, alwaar een Sylvan netwerk ingericht was en deed mijn ding.
Pem was al lekker door de stad aan het struinen, maar een dag later hadden wij, mede doordat het werk sneller klaar was dan verwacht, samen ook de tijd voordat we met de trein naar Dublin zouden reizen, alwaar ik soortgelijke werkzaamheden zou moeten uitvoeren.

Belfast was zeer bijzonder om mee te maken. De historie in acht genomen, zagen we daar heel veel sporen van de jarenlange strijd tussen katholiek en protestant en ook de plekken waar vooral de IRA enorm veel schade heeft toegebracht. We kwamen onder meer langs hotel Europa (272 kamers) dat met de twijfelachtige reputatie van “most bombed hotel of the world” waar bijna 30 maal door de IRA en aanverwante groepen bomaanslagen op zijn gepleegd. Reden was n.l. dat het hotel een belangrijk symbool voor de republikeinen was vanwege de vele conferenties die daar gehouden werden betreffende de toestand in Noord-Ierland. Overigens was de laatste bom, die daar afging in 1994. Wij waren er in 1999.
Maar nog steeds voelden we de wrijving in de bevolking. Erg ontspannen liep je daar niet, maar dat kwam ook, doordat wij dat soort plekken bewust opzochten.

Warschau- Krakow – Poznan – Warschau (1061 km)

Er kwam weer een 14-daagse trip aan, maar dit keer zonder echtgenote. Slechts met één collega. Ik vloog alleen op Warschau, waar niet getest hoefde te worden, maar wel in Krakow en Poznan. Dus met (dit keer 3 flightcases met) apparatuur haalde ik daar een Volvo V70 bij het autoverhuur bedrijf op en vertrok meteen voor de eerste etappe in mijn eentje richting Krakow. Mijn collega zou een dag later op Krakau vliegen waar ik haar op het vliegveld zou oppikken. Maar het eerste stuk van deze roundtrip was een slordige 300 km, maar let wel: brede rijkswegen zoals wij ze (toen) kenden, waren er (toen) niet, dus ik zat regelmatig achter bakfietsen, paard en wagens dus schoot niet erg op. Ik meen, dat mij dat iets van 5 uur kostte, maar de beloning was mooi. Een comfortabel hotel aan de Wisla, een brede rivier die zich door Krakau kronkelt.

Na geinstalleerd te zijn in het hotel, haalde ik mijn collega op het vliegveld op en nadat ook zij zich had opgefrist, richtten we de vergaderzaal weer in rap tempo in. Volgende dag probleemloos testen, de dag erna vrij en samen, op deze miezerige, troosteloze dag een bezoek gebracht aan de concentratiekampen Auschwitz en Treblinka.

Auschwitz Birkenau: het verhaal en tips voor een bezoek » Reismeisje

 

Auschwitz

Ik hoef hier niet te melden, hoe indrukwekkend dit bezoek geweest is, maar ook hoe treurig en daar hielp de miezerregen zeker aan mee.

 

Auschwitz 2 (Birkenau)

Na dit bezoek, waar we beiden echt depressief van werden, zochten we het oude centrum van Krakau op, om ons een beetje op te vrolijken. Maar we waren blij (nou ja, blij) dat we dit hebben kunnen bezichtigen.

Historisch centrum van Krakau - Wikipedia

 

Centrum Krakau: een bezoek waard !

We vertrokken weer. Nu op weg naar Poznan, een stad, niet al te ver van de grens met (voormalig Oost-)Duitsland en op 270 km van Berlijn. Wederom een lange rit, zonder hoofdwegen. Ongeveer 500 km lang, waar we ongeveer de hele dag, een uur of 8-9, over gedaan hebben. Uiteraard wel veel gezien van het Poolse platteland. Maar ook veel paard en wagens.

Poznan leek nimmer ontwaakt te zijn uit het grauwe verleden. Wat een troosteloze bende en dat gold ook voor het hotel. Liever hadden we doorgereden naar Berlijn, maar dat ging dus niet. Hier moesten we echt even doorbijten en onze spullen in orde maken voor het testen, de volgende dag. De naam van ons hotel is mij ontschoten, maar geloof mij, meer dan 2 sterren zou hij niet gehad hebben. En dat was dan zo’n beetje het meest luxe wat daar toen te vinden was.

 

Poznan, 1998

Maar we hebben ons er doorheen geslagen. Met moeite, maar het is duidelijk dat we blij waren, dat we de volgende dag de stad konden verlaten en op weg konden naar Warschau om de auto in te leveren en het vliegtuig huiswaarts te pakken. Dat was, wederom zonder hoofdwegen en hobbelige B-wegen, een rit van zo’n 350 km, dus een uur of 5. Maar daar hadden we rekening mee gehouden.

Al met al een hele bijzondere reis door Polen, waarbij wij het (toen arme) land op een hele mooie manier hebben leren kennen.

Almaty (2e keer)

Luxury Hotels Almaty: InterContinental Almaty

 

Vergelijk dit hotel met dat van 8 maanden eerder…

Mijn 2e bezoek aan Almaty, nu bij een andere werkgever en slechts driekwart jaar na mijn eerste bezoek, was ook wel bijzonder. In korte tijd bleek Kazakhstan flink in staat te zijn om aan de weg te timmeren. In snel tempo deed de moderne tijd daar haar intrede en konden we b.v. vanuit Nederland een mooi hotel boeken, waarvan de bouw juist gereedgekomen was. Het 5-sterren Ankara Hotel en Towers hotel was een copie van het hotel, waarin ik eerder in Ankara verbleef en eveneens gebouwd en beheerd door een Turkse investeerder. (Tegenwoordig in Almaty te vinden als het Intercontinental Ankara).

LUFTHANSA To Spin Off Miles & More As Separate Entity Within Lufthansa  Group - Lufthansa Flyer

Onze admin-collega, verantwoordelijk voor de reserveringen had deze vanuit Nederland geboekt. Samen met mijn collega vloog ik via Frankfurt met Lufthansa business class naar Almaty. Op Frankfurt werden wij vanwege Miles & More kaart bij Lufthansa geupgrade naar 1e klas, waardoor onze 7 uur durende vlucht wel heel comfortabel werd en konden wij languit liggend genieten van onze reis.
Met de taxibus lieten wij ons met onze apparatuur na wederom een vlucht van 7 uur naar het hotel vervoeren, alwaar al helemaal geen sprake meer was van oude Sovjetachtige toestanden.

Bij de receptie bleek er kennelijk een communicatie probleem geweest te zijn tussen mijn collega in Nederland (toen zij het hotel voor ons ging reserveren) en het hotel. Men had 24 kamers voor ons gereserveerd voor 2 nachten, terwijl wij slechts 2 kamers nodig hadden voor 2 personen. We moesten een bedrag betalen van bijna 10.000 dollar. Foutje, bedankt. Ik heb de hotelmanager er maar even bijgeroepen.

T.o.v. van die manager heb ik flink wat overredingskracht moeten gebruiken om de fout van mijn collega te herstellen (b.v. “toekomstige bezoeken, huren conferencerooms, reclame”) om vrijuit in het hotel te kunnen verblijven om ons werk te kunnen doen. Dat lukte uiteindelijk en hij was redelijk genoeg om in te zien dat 24 kamers ook wel iets teveel van het goede was en bracht de kosten terug tot de werkelijke. Telefonisch bracht ik mijn baas in Woerden op de hoogte en ik meende een zucht van verlichting te hebben gehoord. Aan het einde van de maand toonde Sylvan een genereus werkgever: ik bleek voor mijn bemiddeling een bonus van fl. 1000,= op mijn rekening bijgeschreven te hebben gekregen.

Testen werden zonder noemenswaardige problemen afgewerkt en een boel Kazakken en Kazaksen hebben bij ons hun examen gedaan, zodat een studie in de US in hun verschiet lag.

Op het vliegveld in Almaty probeerde ik een claim te leggen op dezelfde stoelen als op de heenweg. De baliemedewerkster moest lachen maar voldeed fijn aan mijn verzoek. Dat werd dus weer een fijne terugreis.

Kiev, Oekraïne

Op 26 november 1997 vertrok ik met 2 van mijn collega’s (eentje werd ingewerkt) vanaf Schiphol met de KLM richting Kiev (Kyiv). Het verbaasde ons, dat er met ons nogal wat bekende voetbalverslaggevers meereisden. Maar geen voetballers.
In het hotel in Kiev bleek, dat de volgende dag de wedstrijd Dinamo Kiev – PSV in het kader van de Champions League zou worden gespeeld. Het bleek, dat de PSV-spelers en verslaggevers allemaal in hetzelfde hotel als wij verbleven.

UEFA Champions League - Wikipedia

In de hal van het hotel stond een bord dat er die middag om 16.00 uur een Happy Hour was, met het logo van PSV en van de Champions League. Doordat we contacten hadden met de hoteldirectie, vroeg ik de directrice gekscherend of wij daar met ons drieën ook voor uitgenodigd waren. Dat bleek niet het geval, maar ze vroeg of we geïnteresseerd waren om de volgende avond de wedstrijd in het stadion te willen zien, live bij de wedstrijd. Wel, als voetbal liefhebbers wilden we dat wel, natuurlijk. En zo niet, dan toch ! Het was al zo lang een vurige wens van mij eens bij een wedstrijd van Dinamo Kiev in hun NSK Olimpisky stadion bij te wonen. (kuch…) En nu dan eentje tegen PSV.

Ze verzocht ons de volgende avond om 19.30 uur in de lobby aanwezig te zijn. En dat waren we, nog een beetje in onzekerheid verkerend of het wel zou lukken.

Maar dat lukte prima. We mochten (gratis) mee met de bus met verslaggevers en zo’n 20 trouwe PSV-supporters, waaronder de Philips Nederland directeur, hoorden we. Naar het stadion was nog geen 10 minuten rijden (lag vlak achter het hotel).

Bij het stadion aangekomen stapten we allemaal uit, de verslaggevers gingen hun kant op naar hun aangewezen positie, maar wij werden begeleid door een mannetje of 60 politie, inclusief honden. Maar met vriendelijk lachende politiemensen. Dat wel. We gingen een hoge trap op aan de achterzijde van een tribune van het stadion en liepen aan de andere kant, nog steeds begeleid door de politie, de trap af tot aan het veld. Vandaar een halve ronde om het veld heen naar de andere kant van het stadion, waar we zagen, dat een groot vierkante afzetting door andere politiemensen gemaakt was, waar wij konden plaatsnemen.

 

…met Philip Cocu

Wij zaten dus in hetzelfde vak, waar ook de Philips-directeur zat en vlak voor de Kiev-supporters. Het leek er al snel op dat wij daar helemaal geen politie bescherming nodig hadden. Omdat het n.l. erg koud was (rond het vriespunt) kregen wij van allervriendelijke Dinamo-supporters achter ons kranten aangeboden om op te gaan zitten. De tribune was n.l. inderdaad ijskoud beton.
In dank namen wij dat aan en inderdaad: dat zat een stuk beter en minder koud. Maar dat was niet alles: we werden gewoon op ons schouder getikt, kregen een plastic bekertje in onze hand gedrukt, die de ons onbekende supporters gewoon volgooiden met pure wodka. Dat was nog eens aardig.
Het verloop van de wedstrijd: Dinamo scoorde in de eerste helft 1-0, waarna PSV dat in de 2e helft weer rechttrok met een tegendoelpunt. Met 1-1 kon iedereen leven…. en wij konden weer “veilig” naar ons hotel teruggebracht worden. Bijzondere wedstrijd gezien.

Valencia – Mallorca – Las Palmas, Spanje

Begin december 1997 moest ik 2.5 week naar Spanje. Onze werkzaamheden startten in Valencia en gedurende de momenten, dat we niet hoefden te testen trokken we er op uit. Mooie stad met leuke straatjes, restaurantjes en veel mooie bezienswaardigheden.

 

Wijk El Carmen, Valencia

Na 4 dagen vertrokken we alweer voor een dag of 4 testen op Mallorca en daar vandaan heb ik mijn best gedaan om een “normaal” hotel te regelen voor de volgende bestemming: Las Palmas op Gran Canaria. Mijn collega, die dat reserveren tot haar taak had, was in Nederland vergeten om er 2 kamers voor ons te boeken. Daar kwamen we op Mallorca achter. De conferenceroom was wel geboekt. Maar het was 5 december en de hotels zaten overvol en een “decent” hotel zat er door de drukte echt niet in, wat we ook boden en probeerden. Zelfs via het hotel in Mallorca probeerde ik die mensen voor ons 2 kamers te regelen in het hotel uit dezelfde keten op Las Palmas, maar helaas.
Uiteindelijk lukte het mij gelukkig een aftands hotelletje te boeken, maar het probleem was, dat mijn vrouw die week met mij zou doorbrengen in Las Palmas. Het werk/testen ging goed, maar het hotel was dus waardeloos. Gelukkig waren we daar niet veel.

De dag dat zij naar Las Palmas zou komen verliep iets anders dan gepland. Haar koffertje stond klaar en bij toeval, iets wat anders eigenlijk nooit gedaan werd, zette zij op TV de vertrektijden van Schiphol op teletekst die dag aan. Tot haar schrik zag zij, dat haar vlucht onverwachts vervroegd was. Dus geen vertraging, maar een eerder vertrek en geen hond, die haar dat even doorgaf. Onmiddellijk pakte zij haar koffer en liep met versnelde pas naar het Sprinterstation om met die Sprinter richting station Laan van Nieuw Oost Indië te gaan, om daar over te stappen op de trein naar Schiphol. Laat nu net die dag tussen Zoetermeer en Den Haag een storing van de Sprinter optreden waarmee zij onderweg was en waardoor zij gedurende lange tijd midden in de polder stil was komen te staan. Paniek, dus. Bij aankomst op Schiphol waren alle andere passagiers van haar vlucht reeds naar de gate, maar ze kon toch nog net op tijd in checken en zich naar de gate spoeden. Gelukkig op tijd, maar niet erg een ontspannen begin van haar weekje Canarische eilanden.

Nietsvermoedend haalde ik haar van het vliegveld, kort nadat ik daar vanuit Mallorca, via Madrid geland was en zij met een rechtstreekse Transavia vlucht op Gran Canaria aankwam. Ik had natuurlijk geen notie van haar ervaringen in de afgelopen uren. Met de huurauto reden we naar ons tijdelijke verblijf: beter dan een “verblijf” kon ik het niet noemen. Werk verliep prima, maar het tutje, met wie ik die week moest samenwerken, had het behoorlijk verknald.

Wel lag ik op Sinterklaasavond met 28 graden in de Atlantische Oceaan te spartelen. Dat dan weer wel.

Las PLas Palmas de Gran Canaria - Kathedraal

 

Het Huis van Christoffel Columbus (Casa de Colón)

Maar buiten de deceptie van een miserabel hotel, hebben we samen voldoende uit die week gehaald, b.v. met de dagelijkse wandelingen over de boulevard, bezoeken van terrasjes en heerlijke avondmaaltijden in een lekker temperatuurtje, om er met plezier op te kunnen terugkijken. Note to myself toendertijd: vanaf dat moment doublecheck je collega m.b.t. reserveringen.

Pem vloog met Transavia weer rechtstreeks terug naar Amsterdam en vanwege mijn eerdere vluchten met Iberia vloog ik daar weer mee via Madrid naar Amsterdam.
Nadat ik Pem had geholpen bij het inchecken bracht ik haar bij de gate, waar zij tussen een paar Amsterdammers moest wachten op het tijdstip om in te stappen.

In die tijd moest ik ook naar mijn gate, daar mijn vlucht naar Madrid drie kwartier eerder dan haar vlucht vertrok. Ik hoorde later van Pem, dat zij uiteindelijk in de buurt van die Amsterdammers in het vliegtuig kwam te zitten, waarbij het de man kennelijk opviel, dat ze alleen was en op z’n plat Amsterdams haar vroeg: “Zeg, waar is die vent van je gebleven dan?” Pem eerst: “Gewoon. Weg. Ik vlieg altijd zonder hem”…

Minsk – Wit Rusland (Belarus)

Ik keek er niet echt naar uit: een trip naar Minsk en verplicht vertrekken op zondagochtend om 05.00 uur, terwijl vrouwlief na een personeelsavond bij v.d. Ende in Aalsmeer ’s nachts om 03.00 thuiskwam. Dus had ik nog minder dan 2 uur geslapen en was ik best gebroken, toen ik bij de douane op Schiphol mijn carnets liet checken van de 4 kisten, die ik bij mij had. Maar het viel mee: ze geloofden mij weer op mijn eerlijke gezicht en ik kreeg mijn stempels. Maar bestemming en tijdstip trokken mij niet zo aan.

ATA Carnet - Wikipedia

 

Voorbeeld van een carnet. Boekwerkje van zo’n 6 pagina’s per kist.

Een ATA cornet is verplicht bij (tijdelijke) uitvoer en invoer van goederen die men uit hoofde van zijn beroep of vak nodig heeft om dit te kunnen uitoefenen in het land van invoer. Het betreft dan een land buiten de EU. Voorbeelden hiervan zijn: camera- en geluidsmateriaal en in ons geval de voor-ingerichte laptops met examenmateriaal en lesstof. Materiaal moet dan in dezelfde staat weer terug worden ingevoerd en ook dat kan gecontroleerd worden.

En bij het inchecken was het altijd een spel om zo weinig mogelijk bij te moeten betalen voor het overgewicht.

Grondstewardes: “nou, mijnheer, dat is flink wat overgewicht”. Ik: “dat weet ik ook wel, mevrouw, maar da’s nooit een probleem. Dat heb ik wekelijks”.
Zij: “maar met dit overgewicht van uw bagage dient u toch echt fl. 400,= bij te betalen.” Ik weer: “hoe komt u daar nu bij? Verzinnen jullie dat zelf? Dan ga ik wel even naar uw baas, want vorige week, met hetzelfde overwicht, ook bij uw KLM, hoefde ik maar fl. 150,= bij te betalen. Net als de andere keren. Zij: “Is dat echt zo? In dat geval zal ik dat dan ook maar doen”. Ik: “Dank u. Tot volgende week”.

En zo vlogen op de vroege zondagmorgen naar Minsk, waar we niet zoveel over wisten. Het was de eerste maal, dat employees van Sylvan daar examens kwamen afnemen, dus wij werden als ijsbreker gestuurd.
Rond de middag arriveerden wij op het vliegveld, wat er nog werkelijk Sovjet-achtig uitzag. Grauw, oud, veel smoezelige gordijntjes voor ramen en vooral ongezellig.

Minsk National Airport named CIS Best Airport of 2017 | Press releases,  Belarus | Belarus.by

Bij het invoeren ging het al mis: ten eerste moest ik mijn zakken legen en dus ook mijn portemonnee. De douanier keek er in en zag een briefje van fl. 25,=. Hij pakte dat uit mijn portemonnee en zei in gebroken Engels: “die heb ik nog niet”. Ik was er eigenlijk een beetje op berekend; zoiets had ik in Moskou ook al eens meegemaakt en het maakte mij kwaad. En gehard door de vele reizen wist je ondertussen wel, dat je je echt niet alles moest laten weggevallen. Zo ook hier, dus. Ik trok het briefje uit zijn hand en in kwaad Engels zei ik hem: “en die zul je niet krijgen ook”.
Verbouwereerd en beteuterd (als bij betrapt) keek hij mij aan, maar zei verder niets. Ik kreeg bijna medelijden met hem. Het zal voor hem een weeksalaris geweest zijn. Jammer dan!

Maar toch werd het lastig. De flightcases met laptops werden uit het toestel gehaald en mij werd verteld, dat deze aan de andere kant van het vliegveld werden afgeleverd. Daar zou ik ze moeten ophalen. Dat was nou niet de bedoeling, want hoe kwamen we daar nu weer? En ik moest ze dezelfde dag hebben om ’s middags het netwerk op te zetten voor de volgende ochtend.

Ik liep naar buiten en zocht een (op uiterlijk, gezicht en taxi) betrouwbare en liefst Engels sprekende taxichauffeur. Er vielen er een paar af, maar ik trof toch een vriendelijke, goed Engels sprekende chauffeur, waarbij ik hem vertelde dat hij iets extra’s kon verdienen, als hij mij uit de brand kon helpen. Nadat ik hem het verhaal verteld had, bood hij graag zijn diensten aan en beloofde dat alles in orde kwam.

(Bij Sylvan hadden we wat “bribery (omkoperij) betrof, redelijk de vrije hand. Bonnetjes konden we natuurlijk nooit overleggen, maar je handelde naar eer en geweten. Dit soort zaken overkwam niet alleen mij; ook mijn collega’s hadden er regelmatig mee te maken. De baas ging altijd accoord en begreep ook altijd wel de situaties, waarin we verzeild konden raken in dat soort landen).

Om een lang verhaal kort te maken: we zijn wel 3 keer op en neer gereden en het zag er even naar uit, dat ik niet op tijd de kisten in de taxi mee kon krijgen, totdat ook de chauffeur een keer uit zijn slof schoot (ik had dat al eens gedaan) en men akkoord ging met de betaling van USD 2000,= als borg. Met de creditcard van de baas betaalde ik en met enige vertraging waren op weg naar het hotel.

Het hotel was gelegen aan een groot kruispunt. Niet zo mooi, maar schoon. Zeker voor Russische begrippen. Dat was al iets. En in de lakens zaten geen gaten. Dat had ik ook al eens anders meegemaakt. En ik bofte: ik kreeg als hotelkamer twee kamers en suite. Met bankstel. Met mijn collega Julliette gingen we naar het hotelrestaurant om te dineren, maar wat we voorgeschoteld kregen was nu niet iets waar ik op zat te wachten. En ook mijn collega trof het niet, dus we lieten de kosten bijschrijven op de kamer en gingen naar buiten.

En wat zagen we daar wat ons niet eerder opgevallen was? Diagonaal aan de overzijde van het kruispunt, te bereiken door een tunnel onder het kruispunt door, een levensgrote, moderne MC Donald’s !! Onze redding was nabij !
Uiteraard begaven wij ons daar naar toe, maar het was wel behoorlijk druk. Volgens mij was er in 1997 slechts 1 fastfood restaurant, maar wat hadden wij een geluk. Met name ook met heerlijke koffie iedere dag. En we zouden er 4 dagen zitten.
Maar ook pech: moesten we wel iedere dag McDonalds eten. Ach, soms moest je je opofferen. Maar het was ook zo schattig: bij ons eerste bezoek constateerde 1 meisje, dat achter de toonbank stond, dat wij geen Russisch maar Engels spraken en dan wij niet uit Minsk kwamen.

Zij sprak Engels en was voor ons de reddende engel. De dagen dat wij daar waren was zij er ook en telkens liet ze ons voorgaan en nam zij onze bestellingen op. Wij hebben haar uiteraard na die dagen voorzien van een flinke fooi.

Na iedere testdag was het verplicht dat ik de resultaten naar de opdrachtgever in de US verstuurde. Dat ging via Internet (of toen nog via Compuserve, waar we een wereldwijdabonnement voor hadden, hetgeen inhield, dat ik voor een verbinding een lokaal nummer kon bellen, in moest loggen en op die manier op Internet zat.)

Meestal gebeurde dat uit de vergader- of examenzaal, maar in Minsk was daar geen telefoonaansluiting, dus ik nam de laptops aan het einde van de dag mee naar mijn hotelkamer om daar de verbinding op te zetten. Pech was, dat in Minsk andere, hele vreemde, telefoonstekkers nodig waren, die wij natuurlijk niet bij ons hadden. Maar ook geen gereedschap.
Toch is e.e.a. gelukt, doordat ik met een nagelvijl van mijn collega de stekkerdoos uit de muur van mijn hotelkamer kon schroeven. De contactdoos trok ik voorzichtig uit de muur en maakte die van de bedrading los. Voor mijn modem had ik al een draad zonder stekker, dus die verbond ik met de bedrading, die uit de muur kwam. Op die manier kon ik gedurende twee uur achter elkaar de gegevens naar Amerika sturen.
Om geen problemen met het hotel te krijgen, schroefde ik na afloop de contacdoos weer in de muur en herhaalde ik dit gedurende de dagen dat we daar aan het testen waren.

Ook de terugweg begon niet zonder problemen op het vliegveld van Minsk. De flightcases waren zonder verdere problemen en met behulp van de carnets verliep dat prima. Ik vroeg aan de grondstewardess waar ik mijn borg kon terughalen. Zij antwoordde dat ze die instructies niet had meegekregen en dat ik geen borg terug zou krijgen.
Dat ging mij niet gebeuren, dus ik meldde mij bij het douanekantoor op het vliegveld. Men kon zien dat ik het ondertussen wel gehad had, daar en ik eiste mijn geld terug, wat voorlopig werd tegengehouden.
Of het indruk maakte weet ik niet, maar toen ik de douane aangaf niet zonder geld te vertrekken en het vliegtuig niet zonder mij, maakte men er toch werk van en werd mij uiteindelijk de eerder betaalde borg terugbetaald. Cash. En in dollars.

Baltimore, USA

Tweemaal binnen een half jaar zat ik in Baltimore. De eerste keer zat ik in september 1998 een week met collega’s Roger en Raymond in Hotel RL Baltimore Inner Harbor. Het doel van dat bezoek was om eigenlijk kennis te maken met de collega’s in Baltimore, die wij regelmatig aan de lijn hadden. Dat was dus meer een meet and greet, waarbij wij wel veel te zien kregen van het bedrijf, maar ook de omgeving.

Zo was ik als honkballer erg blij dat men ons toen meenam naar het beroemde MLB-stadion Camden Yards, home van de Baltimore Orioles, toen zij een thuiswedstrijd speelden tegen Anaheim Angels. Als kers op de taart bleek het uitspelende team ook nog eens in hetzelfde hotel als wij te verblijven. Geen handtekeningen gescoord, wel leuke gesprekken met spelers, die zich, dat weet ik nog wel, over de knulligheid van de organisatie van het honkbal in Nederland verbaasden, o.a. over de semi-pro’s. Maar ja, dit was in 1998 en toen kon ik ze nog niet vertellen, dat Nederland 13 jaar later, op 16 oktober 2011 in Panama met 2-1 zou winnen van Cuba en daarmee wereldkampioen honkbal zou worden. Puh.

 

Camden Yards. Home of the Baltimore Orioles

Voor de training en examen voor Technical Engineer III vertrok ik samen met collega Paul 5 maanden later in maart 1999 voor 6 weken naar Baltimore in de staat Maryland, US. In Baltimore was het hoofdkantoor van Sylvan gevestigd en vlak naast het kantoor, met de bekende Inner Harbour op korte loopafstand, had men voor ons een luxe tweekamer appartement gehuurd voor die periode. En in de garage stond een fijne Cadillac, die wij gedurende die tijd tot onze beschikking hadden.
We kregen opdracht om de goedkoopste tickets naar Baltimore aan te schaffen en die vonden wij: met KLM naar Parijs en vandaar met Air France naar Washington Dulles Airport. Kosten: fl. 750,= per persoon. Baas was tevreden.
Bij aankomst stond de auto klaar en met gebruikmaking van een kaart (navigatie was nog niet voorhanden) begaven wij ons naar Baltimore, een uurtje rijden over die 100 km.

Het appartement viel niet tegen. Allerminst. Onder het gebouw bleek een afgesloten en beveiligde gereserveerde parkeerplek voor ons te zijn en toen wij het appartement betraden moesten wij constateren dat het gewoon op een luxe hotelkamer leek. Compleet uitgerust met vaatwasser, wasmachine en droger. Wij zouden het daar wel 6 weken kunnen uitzingen.

Gedurende 4 weken volgden wij gedurende de werkdagen de trainingen, zowel op het hoofdkantoor als ook in het call/testcenter, elders in de stad. En van onze vrije tijd maakten wij gebruik door flink de toerist uit te hangen.

 

Met collega’s Roger (L) en Raymond (R) voor het Witte Huis

Zo bezochten we samen de stad Washington, konden we helaas niet naar een honkbalwedstrijd in de stad, daar het seizoen nog niet begonnen was en de Orioles voor hun pre-season wedstrijden en trainingen in Florida verbleef. Maar ook wilden we met de auto naar New York, dat zo’n 300 km van Baltimore ligt, maar onverwacht stak er een zware sneeuwstorm op en een dik pak sneeuw kwam in de straten te liggen, waardoor we die trip toch maar niet waagden. Zin om met de trein te gaan hadden we niet echt.
We richtten ons maar weer eens op de spare ribs, die we regelmatig tot ons namen in de restaurantjes rondom Inner Harbor. Totdat Pem kwam.

Eerder hadden we besloten, dat Pem en Maarten in de 5e week van mijn verblijf en in Maarten’s vakantie, over zouden komen voor een weekje. Verbazingwekkend genoeg konden we via D-reizen 2 retourtickets KLM boeken voor een totaalprijs van fl. 440,=. Terwijl ik (Sylvan) 750 gld per persoon moest betalen en we via Parijs vlogen.

Hoe dan ook, ze zouden van woensdag tot woensdag in Baltimore verblijven in ons appartement. Via Mario, een Amerikaanse collega, kon ik een degelijk campingbed voor Maarten regelen voor die periode, die we gewoon in de huiskamer opstelden en aangezien ik een zeer groot tweepersoonsbed had, hadden we daar ook geen probleem. Met 2 badkamers en 2 toiletten in het appartement hoefden we Paul ook niet tot last te zijn, alhoewel Paul alles best vond, zeker omdat Pem af en toe een avondmaaltijd kookte en wij dat erg fijn vonden na 4 weken dagelijks in restaurants eten.

Die woensdag hadden wij training, maar men had lucht gekregen van het feit, dat er familie overkwam en had ons vanaf de middag vrijaf gegeven. Via toen nog moeilijke omwegen (Flightradar bestond nog niet) kon ik op Internet Pem’s vlucht vinden en lange tijd volgen en zag dat ze net na de middag de VS naderden en in de buurt kwamen. Rond 2 uur ’s middags zouden ze landen op Washington Dulles International Airport.

Ik vertrok meteen vanaf de trainingslocatie, om half 1, richting vliegveld. Het was een uurtje rijden, dus ik had het prima berekend. Ik zou op tijd op het vliegveld zijn, parkeerruimte zoeken en in de aankomsthal op hen wachten.

Voor de route: Ik was er één keer eerder geweest, maar dacht dat ik het wel wist. Dat ging dus niet helemaal goed. Of eigenlijk: helemaal niet ! Verkeerde afslag genomen, waardoor ik in downtown Washington terechtkwam en midden in een verkeersopstopping terechtkwam. Ik zag van bovenaf de heuvel naar beneden kijkend, dat het nog wel even ging duren, omdat ik geen zijstraten kon zien, waar ik die file had kunnen ontvluchten.

Uiteindelijk reed ik voor het Witte Huis langs, waarna ik daar een Amerikaan de weg vroeg naar Dulles Airport. Oeps, ik zag hem verschieten: “dat is nog wel stuk”, zei hij, maar wees mij wel de weg.
Uiteindelijk kwam ik ruim een uur nadat Pem en Maarten in de aankomsthal zaten te wachten aan op het parkeerterrein van het vliegveld.
Stel je voor: in die tijd geen behoorlijke en betaalbare gsm, maar Pem had ook geen nummer om te bellen. Ik had met ze te doen.

Dulles International Airport | Ten Buildings That Changed America | WTTW  Chicago

 

Dulles International Airport Washington DC, USA

Ik liep de hal in en keek rond, maar zag niemand die ik kende, maar plots werd ik op mijn schouder getikt. Wat was ik blij: daar waren ze. Ze hadden gelukkig al die tijd gewoon staan wachten. Ook wel ongerust, voornamelijk omdat ze totaal niet wisten of er iets gebeurd was. Gelukkig was iedereen in orde en konden we, na allemaal gerustgesteld te zijn, rustig richting Baltimore rijden. Maar dat was eens en nooit weer op die manier reizen.

Het was wel leuk om Maarten, toen 17 jaar en Pem dit Amerika te laten zien en dan met name de lokaties, waar ik inmiddels wél (:-)) de weg geleerd had in de afgelopen 4 weken. Ook grappig, dat nu, binnen een half jaar, het hele gezin hier in Baltimore geweest is en allen op eigen gelegenheid: Mijn oudste zoon Jelte, toen 21, was n.l. een half jaar eerder hier ook al geweest voor Sylvan. Hij werkte ook als installatie-techneut voor Sylvan en kreeg ook een uitnodiging om daar 2 weken in training te gaan. Volgens mij hadden ze voor hem een speciaal project in gedachten, maar veranderden ze van gedachten, want toen ik daar zat, kreeg ik van hem bericht dat onverwacht zijn contract niet verlengd zou worden.
Werd niet echt een ramp: hij trad onmiddellijk in dienst bij de IT-leverancier van Sylvan: A-plusprofessional.

In Baltimore wisten Maarten en Pem zich overdag wel te vermaken op de donderdag en vrijdag met o.a. een bezoek aan het ESPN-zone met vooral voor Maarten, eveneens een honkbalgek, het walhalla:

 

ESPN-zone Baltimore, Inner Harbor

Meteen naast ESPN was er ook een walhalla voor Pem gevestigd: de enorme boekshop van het overbekende Barnes & Noble. Daar kon zij al haar vrije tijd wel doorbrengen.

 

Barnes and Noble Baltimore, Inner Harbor.

We kregen na de 4.5 week training tot 3rd line field engineer inmiddels wat meer vrije tijd. De trainingen verliepen soepel, resultaten waren zichtbaar, certificaat werd ruim binnen de geplande tijd gehaald waardoor we wat meer van het land konden zien, met name met de aanwezige familie.

Pem wilde graag, vanwege haar hobby, naar een echte Amerikaanse quiltshop ergens in de staat. Haar hobby komt oorspronkelijk uit de USA, dus waar anders dan in dit land heb je uitgebreide sorteringen in speciale winkels? Alles is groot, hier. Dus geen probleem natuurlijk en met de ter beschikking staande auto verplaatsten wij ons van mall naar mall, van hobby-winkels voor Pem als naar sportzaken voor Maarten en mijzelf. Hoeveel Dick’s (sportwinkels) wij wel niet gezien hebben, weet ik niet meer, maar we amuseerden ons prima en Maarten kon aardig zijn slag slaan met b.v. zijn aangeschafte honkbalknuppel. Paul trouwens ook, die vond het wel gezellig om met ons mee te gaan. En wij ook wel.

 

Vlnr: ik, Pem en Maarten voor het Witte Huis

Uiteraard hoorde in het enige weekend dat de familie in de US was een uitgebreid bezoek aan Washington, Witte Huis en omgeving erbij er bij. Plus een wandeling over de mall, de National Mall. Pech, dat het zo’n regenachtige dag was, maar we lieten ons niet weerhouden. Dus bezochten wij uitgebreid deze hotspots en schuilden wij in toevallig leuke musea, die aan deze mall waren gelegen. Gedrieën hebben we toch de tijd, die we daar samen waren flink en leuk weten te benutten. Pem en Maarten bezochten o.a. het bekende aquarium in Baltimore en we aten ons ongans aan de uitstekende spareribs in verschillende restaurantjes rond de haven van in Inner Harbor en bekeken ook de gezellige winkeltjes daar.

Uiteindelijk kwam er een einde aan deze week en leverde ik hen op woensdagmiddag af op het vliegveld in Washington (en nu ging de weg er naar toe wel goed). Weer hadden zij het geluk dat ze met een direkte vlucht naar Schiphol gingen.
Paul en ik konden onze vlucht iets verzetten naar een paar dagen eerder en wij vertrokken op zaterdag, 3 dagen later met weer Air France, via Parijs naar Amsterdam.

Tel Aviv en Jerusalem, Israël (2x)

 

In april en juni van 1999 voerde ik onderhoud en upgrades uit aan de Compaq server en werkstations in de testcenters van Tel Aviv, Jerusalem en Oost Jerusalem. Oost Jerusalem is Palestijns gebied. Gedurende de werkzaamheden in Tel Aviv werd ik begeleid door de centermanager, Avi, een aardige kerel, die mij enkele bezienswaardigheden van Tel Aviv liet zien. Omdat het hotel aan de boulevard stond, kon ik ’s avonds makkelijk een duik nemen in de Middellandse Zee.

Na twee dagen werk in Tel Aviv vertrok ik naar Jerusalem, waar ik meer tijd en vrijheid had. Ik verbleef in het fijne en mooie American Colony hotel, waar ook veel diplomaten logeerden. Er zat een weekend tussen (incl. sabbath), dus ik had alle tijd om het Oude Jerusalem te bezoeken. Als je dat doet, komt er vanzelf al snel een stukje katholieke opvoeding naar boven borrelen, dat velen zullen herkennen:

Zodra je één van de vele poorten de oude stad binnenkomt, in mijn geval de Damascuspoort wandel je meteen Via Dolorosa (Latijn voor Lijdensweg of Kruisweg) of in het Hebreeuws וִיה דולורוזה .
Deze straat kronkelt door de oude stad van de Leeuwen- of St. Stefanspoort naar de Heilig Grafkerk, die staat op de plaats waar Golgotha (de plaats buiten de toenmalige muren van Jeruzalem waar Jezus van Nazareth volgens de evangeliën is gekruisigd) en het graf van Jezus zouden zijn geweest.

Bizar, dat als je daar door die smalle straatjes wandelt de vroegere verhalen bij catechismus-les en ook de verhalen uit de Bijbel zo herkenbaar binnenkwamen.
Na een bezoek aan de Klaagmuur had ik het (voor deze keer) gezien.

Op zaterdag kwamen mijn collega Hillery met (niet gelogen !) haar man Bill (oorspronkelijk Zuid-Afrikanen en in de 70er jaren geëmigreerd naar Israël) mij bij het hotel ophalen en lieten ze mij de omgeving van Jeruzalem en omgeving zien. We reden daartoe vanuit Jeruzalem, met links de stad Jericho en rechts Bethlehem richting de Dode Zee. Na enige kilometers daar langs gereden te hebben, kwamen we bij een plek waar je gemakkelijk het water in kon. Ik had er niet op gerekend, had geen badkleding bij mij, maar wilde toch eens ervaren hoe een duik in de Dode Zee aanvoelde. Dat was dus inderdaad heel erg vreemd: als een luchtbed kom je zo weer boven drijven.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is image-8.png

 

Drijvend (midden) in de Dode Zee

Na dit bezoek aan de Dode Zee leidden Bill en Hillery mij nog rond op Mount Herzl, de nationale begraafplaats van Israël aan de westkant van Jeruzalem en Jad Wasjem (Yad Vashem), het Holocaust museum. Een indrukwekkende toer.

Drie maanden later was ik terug in Israël. Ik hoefde alleen in Tel Aviv te werken. Omdat we inmiddels op kantoor in Woerden vernomen hadden, dat het reizen sterk gereduceerd ging worden en nog maar sporadisch ging plaatsvinden, besloten Pem en ik een aantal van de vergaarde KLM Frequent Flyer punten in te wisselen om te proberen Pem ook naar Israël over te laten komen.

Ik zou daar een dag of 8 verblijven, dus we gingen kort voor vertrek aan het werk om te zien of we nog een ticket naar Tel Aviv konden bemachtigen.
Wel, dat was nog een dingetje. Tegelijk met mij mee naar Israël ging al niet lukken, daar mijn trip al een tijdje ervoor was geboekt, maar kort na mij ook al niet. Uiteindelijk konden we een ticket verkrijgen om haar op donderdagavond te laten vertrekken en op zaterdagavond laat, op dezelfde vlucht als ik, met mij terug te vliegen.

Misschien zonde van de punten, maar Pem wilde ook graag een keer naar Israël en zeker nu Bill en Hillary ons in dat weekend ook weer rond wilden leiden. Bovendien hadden we geen idee, wat er verder ging gebeuren bij Sylvan en of we zelf nog eens op reis hadden gekund met gebruikmaking van die frequent flyermiles. Dus we boekten de vlucht. Het was voor Pem niet de meest ontspannende vlucht, die ze ooit had gemaakt.

Allereerst was er tijdens de vlucht flinke onenigheid met 3 knapen in het toestel, die weigerden om hun sigaretten uit te doen en had ze ook nog naast haar een Amerikaanse vrouwelijke professor zitten, die op weg was naar de universiteit van Tel Aviv om een college over hekserij te geven. Direkt na aankomst op het vliegveld, verschenen er 3 gewapende militairen bij haar aan boord, terwijl iedereen nog in het toestel zat en haalden zij de 3 rokers uit het toestel.

 

Ben Gurion, Int. Airport, Tel Aviv

Toen ze uiteindelijk uit het toestel was en zij de aankomsthal betrad op Ben Gurion en waar ik haar in de aankomsthal stond op te wachten, werd zij door een zwaar bewapende politieman ondervraagd. Hij was voornamelijk geïnteresseerd wat zij de komende 3 dagen kwam doen en waar zij zou verblijven. Een logische vraag in een periode, waar het zo nu en dan in Israël nog wel eens spannend kon zijn, v.w.b. bom-aanslagen. En mede, omdat ik haar vooraf nooit had doorgegeven in welk hotel zij (bij mij) zou komen (was ook niet zo interessant), kon ze ook die politieman niet vertellen, waar zij zou verblijven. Ze probeerde e.e.a. uit te leggen, maar het was natuurlijk – begrijpelijk – een raar verhaal en voor die politieman nogal vaag. Dat bleek wel, toen men mij uit de aankomsthal ophaalde en vriendelijk verzochten even mee te lopen om tekst en uitleg te geven.

Gelukkig kende men bij de politie Sylvan Prometric (voluit), waar ik voor werkte en konden we e.e.a. verklaren. We mochten zonder restricties het vliegveldgebouw verlaten en gingen met een taxi op weg naar het hotel. Snel een drankje in het hotel en dan naar bed, want de volgende morgen zouden we vroeg opstaan om de tijd, die we samen hadden, volledig te benutten.
Na een erg goed ontbijt stonden wij op tijd klaar en konden wij per taxi er op uit. Gezien eerdere explosieve ervaringen vonden wij het reizen per openbaar vervoer niet heel verstandig.

We startten ons bezoek, zoals ik die 3 maanden geleden ook startte en zeer indrukwekkend was en ik dat Pem graag ook wilde laten zien: via de Damascusgate gingen wij de Oude Stad in en wandelden rustig door de kleine straatjes met aan weerszijden overal de kleine middenstand.
Nietsvermoedend zagen wij plotseling de straatjes zich vullen met mensen, heel veel mensen, zonder dat wij wisten wat er aan de hand was. En ook zodanig, dat wij het er zelfs ietwat benauwd van kregen, aangezien wij voetje voor voetje nauwelijks vooruit kwamen en bijna geen kant op konden.

Zowat met gevaar voor eigen leven (figuurlijk bedoeld) konden wij uit de meute ontsnappen, door een terrasje langs die route te “pikken” en daar rustig wat te gaan drinken. Aan een politieman, die vlak bij ons kwam te staan en toezicht hield op die massa mensen, vroegen wij wat er aan de hand was, waarop hij droogjes verklaarde: “Niets. De Moskee gaat uit na het wekelijkse vrijdaggebed”.

Nadat de horde mensen opgedroogd was konden wij in betrekkelijke rust verder wandelen en kwamen we uiteindelijk bij de klaagmuur uit. Iets wat je vaak op tv zag, maar nu dus van dichtbij.

Maar in de komende anderhalve dag bezochten wij de volgende bekende plekken in Jeruzalem, stuk voor stuk enorm indrukwekkend.

Allereerst togen wij naar het Holocaustmuseum, Yad Vashem. Daar ben je wel even stil van, net als bij mijn eerdere bezoeken aan de vernietigingskampen in Polen.

Vervolgens gingen wij naar de Hertzlberg, waar we de imposante begraafplaats bezochten. Ook die had ik eerder bezocht, maar nu hadden we wat meer tijd. Ik was met name geïnteresseerd in het verhaal van een vermiste duikboot die, op het moment dat wij daar waren, nog steeds niet gevonden was. Er was een monument op de begraafplaats aanwezig als respect voor de 59 omgekomen militairen, die mee verdwenen met de duikboot.

National Memorial on Mount Herzl | Kimmel Eshkolot Architects

 

Monument van de duikboot, die met man en muis verging en (tot dan) nog niet geborgen was.

Kortgezegd: duikboot vertrok in 1968 vanuit Schotland naar Israël, maar verging op onbekende plek tussen beide landen. Men dacht wel ergens in de buurt van Cyprus. Minder dan een jaar nadat wij daar waren werd de duikboot gevonden. Hoe toevallig. Dit is er over bekend:

INS Dakar was de voormalige gemodificeerde Britse T-klasse onderzeeër Totem van de Royal Navy. In 1965 werd ze door Israël gekocht als onderdeel van een groep van drie T-klasse onderzeeërs. Ze kreeg in november 1967 de opdracht voor het Israëlische Zeekorps en onderging zee- en duikproeven in Schotland. Dakar vertrok op 9 januari 1968 naar Israël, maar verdween onderweg met alle manschappen. Ondanks uitgebreide zoektochten in de loop van drie decennia, werd het wrak van Dakar pas in 1999 gevonden, toen het zich tussen de eilanden Cyprus en Kreta bevond. Een deel van het schip is geborgen en is te zien in het Naval Museum in Haifa. De exacte oorzaak van het zinken van Dakar is niet bekend. Het was een van de twee mysterieuze verdwijningen van onderzeeërs in 1968; de andere is de Franse onderzeeër.

Na deze bezoeken lieten wij ons afzetten bij Jeruzalem-stad en hebben daar wat gewinkeld. Drie maanden eerder, toen ik nog niet wist dat ik kort erna weer naar Israël zou gaan, had ik in een klein winkeltje in die Ben Yehuda Street, ongeveer t/o McDonalds, een kettinkje gekocht voor Pem. Zij wilde er toen graag eentje met haar naam in het Hebreeuws (פם) en dat kon die winkelier wel maken. Op de gok betaalde ik vooraf (ik meen iets van $ 30,=, want hij moest deze wel naar Zoetermeer sturen. En geloof het of niet: ongeveer 4 weken later lag hij in de brievenbus. Volledig naar haar smaak.

Volgende ochtend troffen wij, vanwege de Sjabbat (Shabat) een ietwat minder ontbijt, dan de dag ervoor. O.a. kregen wij koffie van de avond er voor voorgeschoteld. Daar waren we even niet op voorbereid en hadden ook even niet aan die zevende dag gedacht. Vandaar dat wij zagen, dat in het hotel een lift zijn eigen gang ging: de hele dag op en neer, automatisch stoppend op iedere verdieping. Bij zonsondergang zou dat weer “normaal” zijn. We begrepen wel dat de zaterdag de zevende dag van de joodse week is en volgens de voorschriften in de Tenach in de eerste plaats dient te worden gevierd door een onthouding van alle arbeid, maar hadden geen rekening met de koffie gehouden.

Kort na die koffie werden wij die dag weer opgehaald door mijn collega Hillery en haar man Bill en reden wij meteen richting Dode Zee, tussen de steden Jericho en Bethlehem Op Palestijns gebied door naar Qumran.

De ruïnes van het dorpje Qumran of Kirbet Qumran liggen op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever van Palestina, ongeveer anderhalve kilometer van de noordwestoever van de Dode Zee en worden door Israël beheerd als een nationaal park van Israël. In de buurt van de ruïnes bevinden zich elf grotten, waarin de Dode Zee-rollen zijn gevonden, waaronder zich, naast afschriften van niet-Bijbelse religieuze boeken, de oudst bekende handschriften van het Oude Testament bevinden. In het algemeen wordt aangenomen dat de bewoners de rollen in de grotten hadden verborgen.

Zoals op de kaart hieronder te zien is, ligt Qumran aan de Dode Zee en na het bezoek aan dit Nationaal Park, wat al zeer imposant was, reden we door naar het zuiden, richting Masada (men placht Massada te schrijven, maar is niet correct). Ik had bij mijn vorige bezoek aan Israël al in de Dode Zee gedreven en had dat nog wel een keer willen doen bij de 43 graden hitte, die we buiten de auto ondervonden, maar we hadden niet zoveel tijd die dag. Tenminste, als we de bezienswaardigheden wilden bezoeken, die Bill en Hillery gepland hadden. En dat wilden we wel.

En begrijpelijk: als er al iets spannends, leuk en interessant was aan die kant van Jeruzalem (en zeker als je het verhaal hierover leest) dan was het wel ’t bezoek aan Masada.

MASADA SOUND LIGHT SHOW twilight . (Foto: CC/Flickr.com | A   M)

 

Masada

Masada, een ruige natuurlijke vesting van majestueuze schoonheid, in de woestijn van Judea met uitzicht op de Dode Zee. Het complex – gebouwd door Herodes de Grote in zijn functie als koning van Judea van 37 tot 4 voor Christus – werd opgezet als paleiscomplex in de klassieke stijl van het vroege Romeinse Rijk. Het is een symbool van het oude koninkrijk van Israël, de gewelddadige vernietiging ervan en de laatste opstand van de Joodse nationalisten tegen het Romeinse leger in het jaar 73. De kampen, vestingwerken en aanvalshelling die het monument omringen, behoren tot de meest complete Romeinse belegeringshulpmiddelen die overgeleverd zijn.

Masada natuurpark: https://www.parks.org.il/en/reserve-park/masada-national-park/
Dit bezoek zullen Pem en ik niet snel vergeten. Het verhaal op zich is al interessant, maar zowel de tocht naar boven als rondwandelen op die hoge rots was een belevenis.

(bij interesse: klik op de pijltjes op de foto om andere foto’s van Masada te bekijken)

 

De tocht naar boven (470 mtr) ging via een kabelbaan (gemaakt in Zwitserland, zagen wij) en da’s logisch, want de enigen die wij bij 43 graden Celsius gebruik zagen maken van het slangenpad, dat als voetpas naar boven kronkelt, waren militairen in opleiding, of sportievelingen, die de 3 kwartier durende steile klim een uitdaging vonden. Ik had begrepen, dat dat in het begin van het jaar, januari/februari (plm 27 graden C) beter te doen was dan in juli, toen wij er waren. Dus gingen wij maar niet lopen 🙂

We zoefden in een behoorlijke vaart naar boven. En bovenop dat plateau waar zich geen enkele schaduw bevond, kwam ook amper wind dus het was met dat bezoek (ook nog eens in juli) even een beproeving. Maar ja, we verwachtten hier nooit meer te komen, dus moesten er iets voor over hebben.

Maar vanaf de berg had je een prachtig uitzicht over de Dode Zee. Bezoek was het dubbel en dwars waard.
Bijzonder was, dat terwijl wij daar waren, een helkopter op de berg landde en wij dus ruim afstand moesten nemen. Dat deden we automatisch toch wel vanwege het vele zand en stof wat daardoor opwaaide.
Tegenwoordig mag er niet meer met helikopters op de berg geland worden, omdat Masada op de lijst van culturele erfgoeden

Trump Cancels Visit to Ancient Masada Site after Israel Refuses Helicopter  Landing

In 2001, het 25-jarig bestaan van de VN-wereld erfgoed lijst, is Masada toegevoegd aan die werelderfgoedlijst. Vanaf dat moment mocht er met helikopters niet meer op de berg geland worden. En dat gold ook voor President Trump. Vandaar ook, dat hij 15 mei 2018 zijn bezoek aan de berg per helikopter af moest zeggen en uit moest wijken, daar ook hij daar niet mocht landen.

Na het bezoek aan Masada was er nog tijd over om het bezoek aan Jeruzalem voort te zetten en brachten Bill en Hillery ons naar de bekendste begraafplaats, Mount Herzl National Cemetery. Op de top van de Herzlberg staat het graf van Theodor Herzl, de vader van het zionisme (= het beogen van een eigen staat (Israël) voor de Joden. Verder liggen er begraven : Simon Peres, Yitzhak Rabin en echtgenote Lea, Golda Meir en nog vele belangrijke politici en militairen.

De Duitser Oskar Schindler, (die van de “list”) die een paar duizend Joden gered heeft tijdens de holocaust, ligt begraven op een christelijke begraafplaats vlakbij de Zion-poort. Zijn graf is bedolven onder enorm veel keitjes (voor de Joden een symbool van respect). Een bezoek aan deze mooi aangelegde begraafplaats is indrukwekkend.

Vlak bij deze begraafplaats is het Holocaust museum, Yad Vashem gelegen. Ik was er bij mijn vorige bezoek aan Jeruzalem ook al geweest, maar wilde het Pem ook laten zien.

Yad Vashem bezit en beheert een archief over de Holocaust dat zijn weerga niet kent in de wereld.Via de gedigitaliseerde databank van de “Hal van de Namen” kan men online informatie vinden over het lot van de vele slachtoffers van de Holocaust (in het Hebreeuws Shoah genoemd). Elk jaar bezoeken tienduizenden docenten en studenten, uit Israël en het buitenland, de “International School of Holocaust Studies” in Yad Vashem. Het wereldberoemde “International Institute of Holocaust Research” organiseert internationale conferenties en initieert onderzoeksprojecten. Het eren van de “Rechtvaardigen onder de Volkeren” is tevens een belangrijke taak van Yad Vashem.

Bill en Hillary namen ons voor het afscheidsdinertje mee naar een Palestijns eettentje, aangezien andere restaurants i.v.m. de Sabath gesloten waren. Maar we hebben daar even kunnen genieten van Arabische lekkernijen, alvorens wij onze koffers moesten pakken om later op de avond het vliegtuig naar huis te nemen. We sloten Pem’s flitsbezoek aan Israël dus in stijl af.

Triest te vernemen (maar met veel geluk) was dat op de exact de plek waar wij in het centrum van Jeruzalem op een terrasje even koffie met een versnapering hadden gehad, precies een week later een bomaanslag was geweest, waar enkele doden te betreuren waren.

In november 1999, toen Sylvan in Europa jammer genoeg al flink ging afslanken, permanente centers gesloten zouden worden en de opdrachten van ETS in Amerika uitbleven zag ik de bui al hangen en kreeg ik op het juist moment (dacht ik) een mooie aanbieding van een IT-bedrijf in Zoeterwoude, alwaar ik met name voor de millenium aanpassingen in Novell netwerken werd aangenomen. Mooie baan, lease-auto en ik kon voorlopig even “op de bank” (dus betaald thuiszitten) plaatsnemen. Geen probleem, ik accepteerde mijn lot, maar van reizen voor de baas kwam niet zoveel meer van. Hooguit door het land. Maar ook dat eigenlijk niet want….

….. na anderhalve maand stilzitten op die bank en zonder 1 dag gewerkt te hebben verstuurde ik op 16 januari 2000 een email met de vraag of men nog werk voor mij had, omdat ik op die bank niet echt slimmer werd.
De volgende dag lag er een brief op de mat, waarbij ik bedankt werd voor mijn bereidheid maar zij geen gebruik meer wilden maken van mijn expertise. De millenium change was voor dat bedrijf dus op een mislukking uitgelopen. Voor mij niet zo: ik was met alle feestdagen betaald thuis.

Nieuwe baan: Senior Technical Support Engineer

Kort erna in het jaar 2000 kon ik aan de slag bij Care Schadeservice, een autoschadebedrijf met op dat moment 39 vestigingen door het land en voornemens flink uit te breiden. Ik werd als IT-er aangenomen en mijn taak was een helpdesk op te zetten op het hoofdkantoor in Vianen en de vestigingen in het land te ondersteunen met hun lokale (Novell) netwerken, waar een Windows NT-server diende als communicatie server met het hoofdkantoor.

Terwijl in sneltreinvaart het ene schadebedrijf op het andere werd overgenomen en verder ging onder de Care-vlag, werden bestaande vestigingen onder mijn beheer overgezet op nieuwe bekabeling: van het stugge, onhandige en storingsgevoelige COAX naar UTP, cat 5.
Ook de helpdesk, de ondersteuning voor de vestigingen werd onder mijn supervisie opgezet en toen de vaste lijnen opkwamen, werd er op het hoofdkantoor een flinke serverruimte gebouwd, waar ook een paar flinke servers geplaatst werden. Inbellen hoefde dus niet meer en vanaf Vianen hoefden wij ook niet meer met met Winfax in te bellen bij de vestiging. Verder bouwde Jelte, mijn zoon, in mijn opdracht voor Care een softwareprogramma, waar alle vestigingen dagelijks automatisch op een vast tijdstip hun tapestreamer-bestanden via de inmiddels vaste verbindingen naar die backupserver stuurden.

Ook schreef Jelte in mijn opdracht een kantoorapplicatie, waarmee vanaf de werkplek een vergaderruimte gereserveerd kon worden, alsmede de hulpmiddelen, die daar gebruikt konden gaan worden, b.v. de streamer. Tot slot schreef hij op mijn verzoek, zoals hij dat eerder gedaan had bij SWIFT en later ook bij ARI Network services, een programma, dat de log van de telefooncentrale importeerde en de cijfers daaruit in statistieken verwerkte, zodat e.e.a. goed leesbaar was.

Toch, na 5 jaar bij Care had ik zelf mijn eigen baan overbodig gemaakt. Alle, inmiddels 50 vestigingen, waren voorzien van een vaste verbinding naar de servers op het hoofdkantoor, zodat er nauwelijks lokaal onderhoud nodig was. Reed ik voorheen 50.000 km per jaar en was ik 4 dagen per week door het land aan het reizen, nu zou dat enorm gereduceerd worden en zouden dat echt incidenten geworden zijn.

Ik zag het al aankomen: Care bood mij in maart 2005 toen, wetende dat ik dat nooit zou accepteren, een baan op die helpdesk aan, waarbij ik 500 gld in de maand zou moeten gaan inleveren (want: het loonhuis blabla) en ik zou mijn lease-auto kwijtraken. Stank voor dank. Wat kunnen bedrijven bot naar hun medewerkers zijn, heb ik al een paar maal gemerkt.

Aan onze verbintenis kwam in 2005 dus via de rechter een eind. Vanaf het moment, dat mijn weigering om akkoord te gaan op het hoofdkantoor landde, werd ik vrijgesteld van werk en kon ik voorlopig, tot aan die rechtzaak (na onderhandelingen met advocaten) freewheelen. Ik won de zaak, maar kwam toch buiten te staan (altijd via de door de rechter veronderstelde “onherstelbare breuk in het vertrouwen”). Klopt wel.

Pem en ik besloten een paar dagen naar een vakantiepark in de Ardennen te gaan, waar we al een paar keer eerder geweest waren en waar we, al dan niet vergezeld van zwager, schoonzus en 2 kids al prettige en dierbare ervaringen hadden opgedaan. Dat was in Trois Ponts in Stavelot, een vakantiepark aan de Amblève.

 

2005 Stavelot, Ardennen, België.

Toch hadden we het die keer niet naar de zin. Het huisje hielp ook niet mee: het stonk muf en er was niet veel onderhoud gepleegd in de jaren dat we er niet waren geweest. Volgens mij hebben we het, na een bezoekje aan Monchau, ook na één nacht alweer verlaten en zijn lekker huiswaarts gegaan. Was natuurlijk mede veroorzaakt door de ontslag aanzegging van die dag.

Nieuwe baan: Sr. Technical Support Representative bij Ari Network Service

Een paar maanden later, ik was toen 51, werd ik voor een sollicitatie-gesprek als technical support representative in het Tulip Inn in Leiderdorp uitgenodigd. Ik had daar een gesprek met de 2 eerste medewerkers van ARI Network Services in Nederland. Er was nog geen kantoor in Nederland. Het betrof een Amerikaans bedrijf uit Milwaukee, Wisconsin, dat Nederland had uitgekozen voor hun Europees hoofdkantoor. Dat moest dus allemaal opgezet worden. Daar had ik wel oren naar en leek mij een mooie uitdaging. Gesprek verliep prima en de volgende dag al kreeg ik te horen, dat ik aangenomen was.

Ik kon onmiddellijk beginnen. Vooralsnog werd er een ruimte op het industriegebied in Leiderdorp gehuurd, boven een computershop waar we gebruik konden maken van de aanwezige computers en server. Bellen deden we via Skype. Kennelijk was mijn baas zo onder de indruk nadat ik op 4 april begonnen was met een tijdelijke aanstelling, dat hij een dag later al, op de 5e, mijn tijdelijk contract al omzette naar een vaste aanstelling. Hij had het al gezien, zei hij. En dat moest gevierd worden. Ik weet niet hoe vaak is ’s avonds ben weggeweest voor etentjes, op kosten van de nieuwe baas. Zowel in Leiderdorp, als in Leiden en later ook in Alphen a/d Rijn.

Er was wel een pand in het centrum van Alphen a/d Rijn gehuurd, aan het Raoul Wallenbergplein, dat een maand later opgeleverd moest worden. Wij op de 2e verdieping, Algemeen Dagblad, Editie omgeving Alphen a/d Rijn (de oude Rijn en Gouwe, zeg maar) op de begane grond en 4e verdieping. We kregen wel veel ruimte.

 

Plaatsing airco op dak. 2e Verdieping Raoul Wallenbergplein: ARI Network Services, sept. 2009

 

Ari’s software

Drie 3 Dell servers waren besteld, alsmede 13 werkstations. Ik kreeg hulp van het installatiebedrijf, waar ik goede ervaringen mee had bij Care. Jongens waren blij dat ik ze inschakelde. De oude bekabeling werd eruit getrokken en nieuwe CAT-5 getrokken. Nadat bekabeling was gemonteerd in de patchkast, had ik in twee dagen het netwerk, mede met telefonische hulp van mijn nieuwe collega’s in Milwaukee, werkend. Inclusief de werkstations.

Het bedrijf verkocht software (PartSmart), waarmee dealers van landbouwmachines, voertuigen, quads, (buitenboord)motoren, motorfietsen (b.v. Harley Davidson) e.d. voor het onderhoud snel onderdelen in de software kon opzoeken. Scheelde uren zoeken. Voorheen ging dat vaak met microfiches, nu met computers. De software verkocht aardig.

Daartoe werd in Alphen een aantal salesmensen aangenomen. Een native Duitser, Fransman, Zweedse, Poolse, Italiaanse, Portugese en een Servische.

Ik heb er wel een paar fijne jaren beleefd. Een paar. In het begin was het zelfs zo, dat ik ’s avonds thuis aan het doorwerken was, om enigszins mijn collega’s in Amerika tot steun te zijn, omdat ze anders vanwege het tijdsverschil ruim een dag op mijn antwoord moesten wachten. Uiteraard was men daar, aan de andere kant van de plas, in het begin verbaasd over, maar dat verdween snel en vond met het ideaal.
Uiteraard, Toen de nieuwe manager Teresa (later meer over haar) in beeld kwam, was dat snel over. Ze kon mijn rug op.

Maar ik heb veel fijne contacten gemaakt, zowel met mijn collega’s in Milwaukee, waar ik prima support van kreeg, als van klanten, die ik hielp. Je bouwde er een leuke band mee op, vooral met b.v. de Harley Davidson en Polaris dealers (van de quads) in Europa. Voor de HD-dealers heeft mijn zoon Jelte op mijn verzoek zelfs een conversie-programma geschreven, waarmee de dealers daarmee in een oogwenk prijslijsten (in hun formaat) konden importeren in de software van het bedrijf. Ook hier nooit een bedankje van ARI voor gehad. Wel van Harley Davidson.

Mooi voorbeeld was, dat ik al 4 jaar met TeamViewer werkte, een software programma, waarmee ik met toestemming van de klant even op hun werkstation kon kijken om te zien waardoor het door hun gemelde probleem veroorzaakt werd. Ik had daartoe op onze Nederlandse website van ARI een uitnodigingslink staan, waarop de gebruiker kon klikken en hij/zij meteen zijn systeem even ter beschikking stelde. Problemen waren op die manier wel heel snel opgelost. Tja, op die manier kon ik sneller dan de US openstaande problemen in het company-wide trackingsysteem als opgelost sluiten en waren mijn maandelijkse resultaten dus altijd hoger. Ik vond het best, want heb diverse malen het kantoor in de USA hierop gewezen, maar men bleef dat halsstarrig niet doen. Pas na 4 jaar besloot men hetzelfde te gaan doen.

 

Nieuw onderkomen: Schipholweg Leiden

Tussendoor heb ik de verhuizing van Alphen naar Leiden op op IT- en telefonie- gebied succesvol begeleid en afgerond, toen het kantoor (op een zaterdag in april 2009) overging naar Leiden, Schipholweg 101L. Ook daar weer de bekabeling en netwerk laten installeren en op zaterdag-avond alles online gebracht. Geen moment downtime gehad.
Maandag werkte iedereen gewoon verder.

De afstand naar Leiden i.p.v. Alphen maakte voor mij niet veel uit: de busverbinding Leiden CS – Zoetermeer bracht mij in 25 minuten in het Stadshart, alwaar het 7 minuten lopen was naar huis. De verbinding Zoetermeer-Alphen was zelfs iets langer.

Door Polaris Scandinavië was ik een weekend uitgenodigd op hun jaarlijkse dealerweekendcruise, van Helsinki in Finland naar Stockholm in Zweden en weer terug. Dat was leuk: ik vloog op vrijdagmorgen vroeg met Reinhard, een nieuwe collega, die juist de week ervoor bij ARI begonnen was naar Helsinki, lieten ons naar de boot brengen, scheepten in en maakten we kennis met de Scandinavische Polaris-dealers. Ik installeerde mij in de mij toegewezen luxe eenpersoonshut en ’s avonds, na de software presentatie was het diner en feest. Uiteraard veel drank en lol en ’s morgens, nadat het schip ’s in Stockholm was aangemeerd konden we nog mooi even in de stad passagieren. Later die middag vertrok het schip weer richting Helsinki, waarna we wederom een presentatie voor de andere helft van de dealergroep gaven, waarna de avond begon weer met het gezamenlijke buffet en feest. ’s Morgens legde het schip weer in Finland aan en gingen wij op weg naar het vliegveld en zaten we de volgende dag gewoon weer op kantoor.

3 Day Helsinki to Stockholm Cruise & Tour | Scandi Travel

Ik had zowiezo wel een goede band met Polaris dealers, vooral die in Nederland. De dealer in Alphen a/d Rijn, JeeGee kon altijd op mij rekenen, als er weer eens een update van de software beschikbaar was gekomen.
Soms hielp ik hem via Teamviewer, waarbij ik zijn computer van afstand overnam, maar als ik zin had in een bak koffie en even weg wilde van kantoor, reed ik even naar het bedrijventerrein in Alphen, waar zij gevestigd waren.

Nog leuker was de uitnodiging van een Polaris (quad) dealer in Zelhem in het oosten van het land om deel te nemen aan een rallycross, maar meer voor recreanten.
Maar uiteraard had ik geen quad, maar daar wist JeeGee, Polaris dealer in Alphen a/d Rijn wel raad mee. Als ik een aanhanger had, mocht ik er eentje van hem lenen, dat weekend.
Dat kwam goed uit: een ex-collega van Pem, die ons ook met klusjes af en toe hielp, had zo’n aanhangwagen en die konden wij lenen. Dus op vrijdag haalden wij de Quad in Alphen op en reden daar op zaterdagmorgen op tijd mee naar Zelhem, alwaar de cross door Sevink georganiseerd was. Wat hij overigens ieder jaar doet.

Twee uur duurde de cross, maar dat was knap vermoeiend. Zeker voor beginners als Maarten en ik, die bij die wedstrijd zo’n beetje voor het eerst op een quad zaten. En dan meteen aan een race meedoen. Veel heuvels op, heuvels af, veel bochten, bijtanken en maar je rondjes rijden. Gelukkig konden Maarten en ik elkaar constant afwisselen. Om het kwartier deden we dat, zodat die zware wedstrijd wel uitgereden kon worden. En we deden het (voor de eerste keer) niet eens slecht. We eindigden als 26e, ik meen van de 43 deelnemers of zoiets, maar belangrijker: heelhuids.

Bij thuiskomst even door de wasstraat, alle bagger van het bos uit Zelhem er af en we konden hem weer als nieuw in Alphen afleveren.
Ondanks al deze goodwill-zaken, die ik niet alleen voor mijn plezier deed, maar ook voor de zaak (kuch), leverde dat verder niets op.

Na een jaartje of 5 begon de klad er in te komen en begon ik mij steeds ongemakkelijker te voelen. De Nederlandse directeur was er vlak voor de verhuizing van Alphen naar Leiden door de Amerikaanse CEO al uitgegooid en ook zijn vrouw, die hij daar op de administratie had aangenomen kon vertrekken, maar ik had wel door dat hij voornamelijk zichzelf bevoordeeld had met lucratieve beloningen en een goed pensioen voor hemzelf en niet voor zijn medewerkers. Ik werkte er 4 jaar toen ARI pas met een pensioenplan over de brug kwam en dat kwam dan nog doordat wij zelf daar op bleven aandringen.

Om mij onbekende redenen voelde ik al anderhalf jaar voordat wij afscheid namen, dat ARI van mij afwilde en dan met name mijn toenmalige vrouwelijke manager in de US, ene Teresa Babel. Nog nooit zo’n eng, achterdochtig en achterbaks figuur meegemaakt.
Telkens weer kreeg ik verwijten naar mijn hoofd van haar, waar ik helemaal niets mee kon, waar ik niks mee te maken had maar ze bleef het proberen, met soms bizarre beweringen.
Zo nam ze het mij kwalijk, dat ik rond Halloween niet verkleed als pompoen door kantoor liep, zoals ze dat in de US deden. Enig besef, dat er mogelijk een cultuurverschil tussen beide landen zou kunnen zijn, was er niet. Als ik niet meedeed, was ik maar raar en “bedierf ik de pret”. Uiteraard liepen de meelopers op ons kantoor wel zo, het liefst veel foto’s en selfie’s (“kijk hoe goed wij zijn”) makend om door te sturen naar Amerika, maar ik echt nooit.

Mijn customer care beoordelingen bleven echter altijd hoog. Dat klopte ook wel: ik had mijn contacten ook hoog staan, maar doordat de vestiging nu geen Nederlandse directeur meer had, moest ik voortaan wel rechtstreeks aan haar rapporteren. En als er eentje wel achterdochtig was, dan was zij dat wel. Alles pluisde ze van mij na: mijn Facebook, emails, mijn bezigheden buiten werktijd. Alles waar ze mij enigszins op iets fouts zou kunnen betrappen. Maar het lukte haar niet: toch kwam ze telkens met officiële waarschuwingen, waar ik dan smadelijk om lachte en haar van repliek diende, telkens met steekhoudend bewijs. Maar daar kreeg ik natuurlijk nooit een antwoord op.

Voorbeeld: manager wreef mij aan dat op een dag het complete network, inclusief telefooncentrale in het kantoor ruim 4 uur plat lag. Mijn schuld, volgens haar. Nadat ik alles gecheckt had, wat ik kon checken was ik er al snel achter wat werkelijk het probleem was. (En eerlijk is eerlijk: het was voor mij smullen…). Binnen een half uur kon ik mijn manager aantonen met systeemlogs, foutmeldingen, facturen, aanmaningen daarvan en andere bewijzen dat beide dames, die op de verantwoor-delijke afdeling zaten, gewoon de KPN-factuur (en andere betalingen) niet op tijd voldaan hadden. Op hun bureau ging ik door een stapel “nog te betalen” facturen en vond de onbetaalde, maand overdue KPN-invoices. (Je had de gezichten moeten zien, toen ik beide dames met die conclusie confronteerde en zij middels hun slordige administratie moesten erkennen dat ik gelijk had maar uiteraard niet mijn manager daarover inlichtte. Nee, stel je voor).

KPN hield dan normaliter ruim een week aan, voordat tot her-aansluiting werd overgegaan maar het was aan mij te danken, dat dat niet langer dan een middag duurde vanwege mijn contacten met KPN. Geen bedankjes van de manager, geen bevestiging van beide dames aan mijn manager, maar gewoon zo laten. Toch bleef de manager hatelijke mailtjes, telefoontjes en waarschuwingen sturen. En ik bleef ze weerleggen. Op den duur was ik het zo zat, dat ik haar uiteindelijk uitnodigde mijn ontslag aan te zeggen, maar niet nadat ik met de belofte dat ik met al mijn kennis en wetenschap van alle ins en outs daarmee naar de rechtbank zou komen. Dan bleef het weer een tijdje stil in Amerika. kon,

Al snel werd duidelijk dat de Poolse administratrice, die als parttimer op sales begon voor de Poolse markt maar in een half jaar geen enkele deal wist te behalen en daarbij haar uren ook vulde door op de administratie mee te helpen, zich al snel omhoog werkte door privé met de Amerikaanse gescheiden CEO, vader van een twintiger, aan te pappen. In het begin dachten Roy en Wioletta echt dat niemand iets van hun relatie doorhad. De gekkies. Vanaf dag 1 had ik beiden al door.

Hij, Roy, kwam regelmatig over uit de US en verbleef dan in Hotel Toor in Alphen of bij haar, Wioletta, in Warmond. En zij: totaal geen verstand van Nederlands (belasting) zaken en slordig in haar werk. Ze had, samen met Sandra, de Portugese wel veel interesse in mode en webshops voor schoenen. Duidelijk was dat ze haar lichaam gebruikte om zich omhoog te werken. Uiteindelijk zijn Wioletta en Roy op Hawaii getrouwd, wonen ze nu in Amerika en zijn ouders geworden. Ik wens ze alle geluk.

Ondanks dat ik tot het laatst mijn werk met veel plezier en goed deed, ging dat wantrouwen en hatelijkheden vanuit Amerika mij zwaar tegenstaan. Ik had een meer dan vriendschappelijke zakenrelatie met veel Harley Davidson en Polaris dealers in Europa, Midden en Verre Oosten, Afrika, Australie en Zuid-Amerika (dus eigenlijk alles m.u.v. Noord-Amerika) en ik weet dat ze best met mij tevreden waren v.w.b. customer en technisch support.

Maar die achterbaksheid en dat geniepige gedrag niet alleen vanuit Amerika, maar ook van de 2 dames, die zich iedere keer door mij betrapt voelden, als ik eens binnenkwam en ze zaten weer op webshops. Dat ging mij telkens meer tegenstaan. Ik wachtte ook al anderhalf jaar met smart op de dag, dat ze werkelijk van mij afwilden. Ik heb dit bedrijf op deze site HIER niet voor niks slecht beoordeeld. Vooral als waarschuwing naar anderen.

En op het moment, dat ik een probleem ontdekte in een 64 karakter lange licensekey (soort van wachtwoord), waardoor gebruikers de Partsmart software tot 2064 gratis zouden kunnen gebruiken en ik dat dus rapporteerde, werd ik een uur later op kantoor van Wioletta, de “Poolse verloofde” van de CEO geroepen voor een conference call. En voila, daar had ik de altijd vriendelijke (NOT) Teresa Babel, mijn manager in de USA, aan de lijn. In mijn naïviteit ging ik er van uit, dat ze dit keer eindelijk eens een compliment ging uitdelen. En nu vanwege het probleem met de key, dat ik gevonden had.

Nee, daar werd in het geheel niet over gesproken. Haar voorraadje complimentjes was alweer op. Hetzelfde hoorde ik ook van haar werknemers op kantoor in Milwaukee, dus ik bofte nog dat ik haar nooit in levende lijve tegenkwam. Met haar 3 voorgangers, m.n. met Paul Hessler, mijn eerste US-manager, heb ik nog steeds goede contacten mee. Maar hier werd mij zowaar (eindelijk) het ontslag aangezegd, waar ik al tijden op zat te wachten. Vanwege … ja, vanwege wat, eigenlijk ? ARI kon geen goede reden bedenken, maar ze wilden gewoon afscheid nemen. Dom, natuurlijk, want zonder mijzelf enorm op te hemelen (waartoe ik alle recht zou hebben ;-)) zal het echt jaren gaan duren voordat hun EMEA en Australië/Azië support op het niveau is, waar ik het gebracht heb. Vanuit niets.

Maar goed, het voelde als een ultieme verlossing, maar dat liet ik niet merken, uiteraard. Ik beloofde Teresa in de US dat ze een harde dobber zou krijgen, dat het lang zou gaan duren en dat er betaald moest gaan worden. Ik zou met al mijn verzamelde bewijzen, via een advocaat, het ontslag aanvechten. Zo hard mogelijk.
Zonder het gesprek verder af te wachten wilde ik naar mijn bureau lopen om mijn spullen te pakken. De “verloofde van de CEO” probeerde mij daarvan weg te houden en te zorgen dat ik zo snel mogelijk naar de uitgang ging, maar ik verzocht haar vriendelijk mij niet in de weg te gaan staan, daar ik gewoon mijn spullen ging pakken en niemand mij tegen moest houden. En zo gebeurde dat.
Vanzelfsprekend had ik alle bestanden, die ik hebben moest, allang veilig gesteld en zaken, die niet op de kantoor computer hoorden, daar al lang vanaf gegooid.

Ruim 4 maanden later diende de zaak. Tot die tijd was ik “vrijgesteld van werk”, ondanks mijn (zogenaamde) bereidwilligheid om te werken, dat ik per aangetekende brief kenbaar had gemaakt. Uiteindelijk heb ik het bedrijf nog geholpen door akkoord te gaan met een betaling van de afkoopsom in 4 tweemaandelijkse termijnen, aangezien zij stelden dat bedrag niet in één installment te kunnen betalen. Daar trapte ik natuurlijk niet in, maar ik wilde nu echt van ze af. Definitief. Uit mijn leven. Echt vrij zijn, dus vandaar mijn akkoord met dat voorstel. Het bedrijf heeft zich daar dan weer wel aan gehouden, maar dat zal vast niet door Teresa Babel gekomen zijn.

Maar wat nu? Ik was 58 en een baan in de IT-sector zag ik niet zo heel erg zitten (alsof ik nu keus had), maar was wel zo realistisch om in te zien, dat voor mij ook goedkopere, jongere krachten aangenomen konden worden. Dus ik ging toch maar solliciteren. Je moest van het UWV minimaal 4 sollicitaties per maand doen, maar ik had maanden met soms 25 of zelfs meer. Vooral in het begin van die periode. Ik wilde namelijk aan de slag. En snel.

Voor de zekerheid vroeg ik mijn huisbaas, Vesteda, of ze iets anders in hun beheer hadden. Ik ging er qua inkomen natuurlijk wel wat op achteruit en korte tijd later besloot het Blokker concern, wat ook Pem’s werkgever was toen zij werkte in de luxe kookwinkel (Cook & Co) op het Stadhuisplein om de tent te sluiten en kwam ook zij zonder werk. We bewoonden reeds 11 jaar in de vrije sector een 5-kamer grote, flink duurdere eengezinswoning met flinke tuin. Wel een heerlijke, comfortabele woning, twee eigen parkeerplaatsen maar met te hoge woonlasten als je in de WW zit. Jammer. Lokatie was perfect midden in het centrum. Maar eerlijk is eerlijk: het was wel een beetje groot huis voor ons tweeën.

Vesteda werkte mee en bood ons binnen enkele weken een gerenoveerde flatwoning aan op onze huidige lokatie. Dus in no-time bewoonden we het appartement.

Om zoveel mogelijk kansen op de arbeidsmarkt te maken, moest ik zien of ik mijn groot rijbewijs (vrachtwagen en bus) terug kon krijgen. In 2005, toen ik voor 2 weken op cursus naar Milwaukee, Amerika moest, bleek 4 dagen voor vertrek, dat mijn rijbewijs binnen 3 maanden zou gaan verlopen. Voor Amerika moest je een rijbewijs overleggen, dat minimaal nog een half jaar geldig zou zijn. En ARI had mij gedurende die periode een huurwagen ter beschikking gegeven, dus dat rijbewijs moest verlengd worden.

Ik had een B-C-D-E rijbewijs, maar op het gemeentehuis bleek, dat ik mij eerst medisch moest laten keuren voor mijn C/D rijbewijs en dat zou dan wel even gaan duren, in ieder geval niet op tijd voor mijn vertrek naar de US. Maar aangezien ik dat groot-rijbewijs al jaren niet meer nodig had en ook niet voorzag, dat ik die weer snel nodig zou hebben, liet ik die categoriën vallen en had ik binnen 2 dagen een nieuw rijbewijs: B-E. Opgelost dus. Voor Amerika wel, dat wel, maar nu dan ?

Tja, nu wilde ik eigenlijk mijn groot-rijbewijs wel weer terug om mijn kansen op de arbeidsmarkt wat te vergroten. Mijn broer Peter gaf mij de tip, dat ik dat bij het CBR gewoon kon terugvragen. Ik wist dat niet, checkte dat met het CBR en dat bleek te kloppen. Ik moest wel een medische verklaring hebben, dus ik moest mij eerst laten keuren. Appeltje, eitje. Keuringsbureau in woonplaats gezocht, € 80,= gelapt en keuringsuitslag naar CBR gestuurd. Binnen anderhalve week kon ik deze in Rijswijk ophalen. Moet je nu eens om komen bij het CBR.

Op het moment, dat ik weer volledig in het bezit was van mijn rijbewijs (ongekend: 10 jaar geldig voor alle categoriën, maar ook voor Code 95, het oude chauffeursdiploma) ben ik Veolia in mijn woonplaats gaan bellen met de vraag of men daar nog vacatures voor buschauffeurs had. Die waren er op dat moment niet. Jammer. Ik ging dus verder kijken. In eerste instantie dacht ik dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat ik zo weer aan de bak zou zijn. Maar waar ik niet op rekende was de crisis in die tijd, dus het werd angstiger en angstiger.

Ik had gelukkig nog recht op 3 jaar WW maar bleek die tijd ook volledig te gebruiken. Ik schreef tientallen sollicitaties per maand. Volgens mijn spreadsheet, waarin ik dat bijhield, heb ik in die 3 jaar thuiszitten 634 sollicitaties geschreven. Ik schat dat ik van 620 geen antwoord heb teruggekregen (zelfs ook niet vanuit de Overheid), maar in dat 3e jaar begon het toch nijpend te worden en vreesde ik met grote vrezen.

Bij verzekeringsmaatschappij Achmea (heel toevallig ook aan de Schipholweg in Leiden gevestigd) solliciteerde ik voor een job op het calamiteitencenter. Dat zou betekenen dat je veel contact had met Nederlanders in het buitenland, die verspreid over de wereld op een bepaalde manier in de problemen zitten en directe hulp nodig hebben. Je zou dan eerst telefonisch bijstand verlenen en daarna evt. zaken in het buitenland in werking zetten, zoals medische specialisten, ambassades, repatriëringsinstanties, luchtvaartmaatschappijen enz. Leek mij een leuke baan en was wel een beetje in mijn straatje. Ik spreek Nederlands, Engels, Duits en een beetje Frans, maar het was niet goed genoeg.
We zaten n.l. met ongeveer 12 jongere en oudere dames en heren en iedereen moest een presentatie in het Engels geven. Geen probleem, dacht ik en ik hield mijn praatje in het e.e.a. in het Engels, maar zo’n jong hittepetitje van Achmea (geschatte leeftijd 22) wees mij af vanwege een Nederlands accent in mijn Engels. Klopt. Ik was niet native Engels sprekend, omdat ik….. een Nederlander ben. Sorry. Ik had wel zo’n 18 jaar voor (Amerikaanse) bedrijven gewerkt, waarbij de company language Engels was, maar dat telde niet. OK, dan niet.

En nog steeds gaf ik de moed niet op. Kort daarna, ongeveer 2 maanden voor het einde van mijn 3 jaar WW-periode, kreeg ik een persoonlijke oproep van het UWV of ik een speeddate wilde doen met mensen van Traffic-support, een bedrijf dat door het gehele land verkeersregelaars uitzet. Sinds de overheid heeft bepaalt, dat er zowat bij alle werkzaamheden, waar de veiligheid in het gedrang zou kunnen komen verkeersregelaars het verkeer moeten regelen, schoten de verkeersregelaarsbedrijfjes (Wordfeud/Scrabble !) als paddestoelen uit de grond. Maar daar had ik eigenlijk dus zo geen zin in. Je kunt jezelf ook wel eens te goed voor iets vinden. Dat mag best en dat
kwam hier bovendrijven. Dit was echt (te) ver beneden mijn niveau.

Niettemin vond ik wel dat ik iets moest doen om uit die bijstand te blijven. En per slot van rekening zou ik uit die (werkende) positie altijd nog verder kunnen solliciteren, had ik zo in gedachten.

Dus op betreffende speeddate dag toog ik naar het UWV in Leiden, alwaar ik een 20-tal andere veelal oudere vrouwen en mannen ontmoette, die hetzelfde plan hadden. Twee jongere dames van Traffic Support gaven eerst een (bijna) aantrekkelijke uitleg over wat er van een regelaar verwacht wordt om te proberen je er lekker voor te maken. Sommigen in de groep zagen het erg zitten. Als ik de keuze had gehad, had ik hen voor laten gaan. Zo ben ik dan ook wel weer. Maar helaas was die keuze er niet. Het ging op volgorde. Dus ik moest wel.

Nou ja, het was lekker weer, ik was nog niet aan de beurt en ging lekker buiten in het zonnetje zitten wachten tot ik binnengeroepen werd. Na anderhalf uur was het zover: ik kwam in een klein kamertje te zitten tegenover een jonge vrouw (meisje) die moest gaan bepalen of ik wel geschikt genoeg was. Kennelijk was dat zo, want ik ging door naar de volgende ronde, samen met een andere Zoetermeerder van ongeveer dezelfde leeftijd (plm 60 jaar), die ik daar ontmoette. We raakten daar buiten in een geanimeerd gesprek. Volgens mij vielen er trouwens niet zo heel veel mensen af…. Niet zo vreemd, Traffic Support, vrij jong, zocht met spoed 50 verkeersregelaars en het UWV wilde graag helpen, want wilde natuurlijk aantonen dat de werkloosheidscijfers daalden en dat zij er alles aan deden om daaraan mee te werken.

Maar ik kreeg een uitnodiging mee om mij ongeveer een week later te melden op het hoofdkantoor van Traffic Support in Zwolle. Mijn nieuwe kennis uit de wijk Rokkeveen moest een dag later daarheen, maar had geen rijbewijs dus hij regelde dat we samen konden. Gezellig.

En daar gingen we. Gespannen? Neuh, echt niet. Ik had nog steeds geen zin, maar nieuwsgierig was ik wel en ik kreeg een kilometervergoeding, dus wat lette mij ? Op kantoor werden we gescheiden binnengeroepen, maar ik zat amper in die kamer of er werd een plunjebaal met spullen en kleding binnengedragen. Ik moest reflecterende gele kleding passen en verder zag ik een hoop hulpmiddelen als zaklantaarns, portofoons en wat dies meer zij in de baal.
Met de kleding aan moesten we op de foto, kennelijk voor het smoelenboek en we kregen een pak papier mee met regels waar je je aan moest houden. Het papier, waarop je rechten en vergoedingen stonden, bestond uit 1 velletje…. Verder was de reistijd gedeeld: als je de pech had om naar een object in Limburg gestuurd te worden (en die kans was zeer zeker reëel), dan was de reistijd heen in de tijd van de baas en terug eigen tijd. Verder moest je bereid en in staat zijn om dagen van 12-13 uur op je benen te staan. Maar een medische keuring ontbrak tijdens de procedure. Ik voelde mijn rug nu al. We kregen te horen, dat we een week later naar een kruising in Hilversum zouden moeten komen om een training en examen verkeersregelen te krijgen.

Eigenlijk had ik op de terugweg in de auto min of meer al een besluit genomen, maar wilde het uiteraard thuis wel overleggen. Ik smeet die plunjebaal in een hoek en mijn vrouw zag natuurlijk meteen dat ik doodongelukkig was. “Niet doen”, zei ze. “Gewoon afzeggen, dit is niks voor jou. Je gaat daar dood”. En ze had een punt.

Volgende dag heb ik meteen Traffic Support gebeld. Zij vonden het (uiteraard) heel erg jammer, maar waarschuwde mij, dat ik wellicht problemen zou kunnen krijgen met het UWV. Ik dacht: “waar bemoeien jullie je mee” ? Maar later begreep ik, dat het bedrijf een flinke subsidie opstreek voor iedere werkloze die ze aan een baan konden helpen. Ik snap dat, maar da’s dan ook mijn zaak. Vanzelfsprekend heb ik mijn medereiziger gebeld, hem gevraagd of hij een keer de plunjebaal mee terug kon nemen naar Zwolle en wenste hem veel plezier en succes.
Overigens heb ik over mijn besluit nooit iets van het UWV vernomen. Hadden ze ook niet in hun hoofd moeten halen. Wel kreeg ik nog wel een verzoek van Traffic Support of ik voor hun nog een formulier kon invullen, waarmee zij aanspraak op die subsidie konden maken. Grapjassen. Subsidies komen uit belastinggeld, sufferds. Ook van mij !

En zo hobbelden we verder: richting einde WW en een ietwat troosteloze toekomst in het verschiet, aangezien mijn pensioen (toen) nog 5 jaar, maar niet lang daarna ruim 6 jaar op zich liet wachten.

Totdat: echt precies een week voordat de WW zou eindigen ik gebeld werd door HEBU, een uitzendbureau in het Openbaar Vervoer. Zij hadden mijn CV op Monsterboard zien staan en zagen, dat ik dus ooit een jaartje voor Westnederland gereden had, dat ik buschauffeur bij de Mobiele Eenheid geweest was en dus een groot-rijbewijs bezat en vroegen of ik beschikbaar was. Het kon dus tóch.

Natuurlijk was ik beschikbaar ! Het klonk alsof ze blij met mijn bevestiging waren (maar dat kon natuurlijk ook mijn gevoel zijn geweest) en meteen vroegen ze of ik de volgende dag bij hun op gesprek wilde komen. Ze waren gevestigd naast de voormalige Connexxion, nu Veolia stalling in Zoetermeer, maar het betrof geen baan in Zoetermeer. Zij vroegen of ik bereid was om bij Arriva in Alphen aan den Rijn te gaan rijden. Natuurlijk was ik dat en nadat zij na ons gesprek de volgende dag overtuigd waren dat ik prima geschikt zou zijn om als buschauffeur bij Arriva te gaan werken, maakte HEBU meteen een afspraak voor de volgende dag om bij de teammanagers van de vestiging Alphen aan den Rijn, Jack en Karsten op gesprek te komen. Gelukkig liet niemand er gras over groeien.

Gesprek verliep uitstekend, terwijl ik zag dat er nog wel een kleine reserve bij hen was, omdat zij wellicht vermoedden dat het een tijdelijk uitstapje was, omdat ik jarenlang in de IT gezeten had en daarin mogelijk weer wilde terugkeren. Begrijpelijk. Maar niets was minder waar en ik verzekerde hen dat ik echt de IT niet meer in wilde en dat dit was, waarmee ik mijn werkzame jaren zou willen afsluiten. Toen was het kennelijk duidelijk. We hadden een deal als de rijproef geslaagd was.

Met toekomstig collega John v.d. Heuvel mocht ik meteen die proefrit maken met een Volvo 13 meter bus en reden wij gezellig een lekker stuk door centrum Alphen en om de stad heen. Ik had in geen 30 jaar meer op de bus gezeten, maar het was alsof dat gisteren was. Het gevoel was snel weer terug. Het fijne gevoel. John had het na een klein uurtje wel gezien. Jammer, ik had toen nog wel verder willen rijden, maar uiteindelijk kon ik een paar dagen later al mijn lol op. Alles werd snel geregeld door de managers. Ik moest snel gekeurd worden en vond voor de volgende dag een Arbo-Unie keuringsarts in Barendrecht, die bereid was mij met spoed te keuren. Met mijn Medische Verklaring op zak keerde ik terug. Binnen een paar dagen had ik een compleet kledingpakket thuis, maar voor de eerste paar dagen kreeg ik al een overhemd mee.

 

Voor aanvang dienst. Boordcomputer, stoel, spiegels e.d. instellen en gaan.

En inderdaad, twee dagen later op zaterdag, zat ik met “mentor” collega Theo Droog op de bus en reed ik verschillende lijnen als lijnverkenning. De eerste dag nog zonder passagiers, maar daarna reed ik zijn diensten, met hem achter en/of naast mij, dus inclusief passagiers. Vier dagen later kende ik alle lijnen (mede omdat ik door mijn eerdere werk voor de politie, zowel op straat als op de meldkamer, de hele provincie op mijn duimpje kende.) En dus reed ik aan het einde van die week zelfstandig mijn eigen diensten. Maar het waren een paar fantastische dagen met Theo. Ik begon te snappen waarom zijn achternaam “Droog” was: dat moest door zijn onovertreffelijke humor zijn. Wat hebben we gelachen. Fijne vent.

En natuurlijk, vanaf het moment dat ik alleen reed, reed ook ik, zoals zovelen die net begonnen waren, in het begin wel eens verkeerd, b.v. de eerste keer op lijn 147 van Alphen naar Uithoorn, toen ik in het dorpje de Kwakel op de T-kruising niet linksaf, maar rechtsaf sloeg. Ik belandde in een klein soort buurtschapje, waar de huizen in een vierkant gebouwd stonden. Gelukkig geen doodlopende weg, maar ook geen wijkje waar een bus hoorde te rijden.
Ik wurmde mij met bus, zonder schade, door het smalle wijkje, maar strandde in de laatste bocht, die ik ruim moest nemen, maar waar dat niet lukte vanwege een geparkeerde auto van een bewoner. Andere bewoners kwamen naar buiten en maakten volop selfies. Ik was met die groene Arriva-bus nogal een bezienswaardigheid.

Behulpzaam als dat men was riep men betreffende buurtbewoner, die (om 3 uur ’s middags nog lag te slapen na zijn nachtdienst) naar buiten om zijn auto te verplaatsen. Dat deed hij lachend en zonder problemen, maar niet nadat hij toestemming gevraagd had om eerst met de bus een selfie te mogen maken. Natuurlijk mocht dat. Ik had van Theo al geleerd: dat verkeerd rijden gebeurt een keer in het begin als je net alleen rijdt, maar overkomt iedereen. En onthou: DIE fout maak je nooit meer. Geen schande. Ik bewonderde Theo’s wijsheid…. (En ja, dáár ben ik nooit meer fout gereden).

Nadat de auto verplaatst was kon ik voorzichtig en zonder brokken mijn weg vervolgen. Ik bleek 6 minuten achter op mijn tijd, maar kon al een stukje inhalen op weg naar het busstation in Uithoorn. En een iets kortere pauze tot aan de terugrit. Iets met schade en schande, maar dan zonder schade. En eigenlijk ook zonder schande.

Een leuke tijd was aangekomen, maar nog steeds onzeker. Ik zou het eerste jaar in dienst van HEBU rijden, een uitzendbureau voor Openbaar Vervoer, maar wel voor Arriva. Zo waren de regels voor instromers: eerst een jaar op een 0-uren contract en daarna een vast contract met beperkt (28-32) aantal uren. Een wankele basis, maar ik greep die kans toch aan. De onzekerheid zat er n.l. in of ik eigenlijk wel voldoende uren kon rijden om aan een volwaardig salaris te komen, maar ik kreeg al snel veel hulp van Peter, de planner voor de vestigingen Alphen, Gouda en Krimpen a/d IJssel. Hij vroeg mij ook lijnverkenning te doen voor Gouda, zodat ik ook daar zou kunnen rijden, indien nodig. Ik ben blij dat ik dat gedaan heb: niet alleen voor de leuke afwisseling zo nu en dan, maar ook om mijn kansen om uren te maken te vergroten. En voor de planner was het makkelijk: ik was ruim inzetbaar. Ook hem was ik dankbaar. En nog steeds, ook in vaste dienst, reed ik met grote regelmaat voor de vestiging Gouda als daar tekorten waren. Was ook leuk.

Maar dat heb ik geweten: ik heb dat eerste jaar geen week onder de 40 uur gewerkt, mede omdat ik ongeveer 5 maanden 5 dagen per week voor de vestiging Gouda reed. En wat was ik er blij mee. Maar ik merkte meteen: het kwam hier van twee kanten. Als jij iets voor het bedrijf over hebt, dan betaalt dat zich terug en dat had ik bij mijn vorige bedrijf echt gemist.

Dus ook de lijnen in Gouda had ik snel onder de knie. Alhoewel ik de lijnen in Alphen wel iets leuker vond, is het altijd weer een beleving als je weer eens in Gouda rijdt. Met name de lijnen naar het pontje in Schoonhoven en die via de dijk in Moordrecht en Nieuwerkerk naar Rotterdam-Alexandrium waren mijn favoriete lijnen. Beide vooral wanneer de zon aan het ondergaan was: dan was het in de polders of langs de IJssel echt genieten. Of gewoon, via Reeuwijk langs de plassen naar mijn oude woon/werk gemeente Bodegraven.

En verder: ook op de dijk bij Moordrecht gebeurt er wel eens iets, zie hieronder bij een zandauto die van de dijk gerold is, niet het water in, maar de andere kant. En moet je eens zien als het gesneeuwd heeft: ook zo mooi…. en spannend.

 

Foto’s: Gouwe IJssel Nieuws

Na een jaar werd mij een vast contract aangeboden en kwam ik dus in dienst van Arriva (na een prima door HEBU begeleid eerste jaar) en kon ik kiezen in welk rooster ik kwam te rijden. Zelfs het jaartje wat ik in 1989 voor Westnederland gereden had, werd meegenomen in de anciënniteit ter bepaling in welke loonschaal ik kwam. Fideel !

Dat eerste contract was weliswaar eentje met een beperkt aantal uur (32), maar ik was tenminste in vaste dienst. Maar het werd nog beter: precies 4 maanden duurde dat parttime-contract: manager had begrepen dat ik meer uren wilde en doordat ik ook alleen in het avonddienst-rooster wilde, had ik geluk: daar kon men best mensen gebruiken en kreeg ik per 1 december 2016 een vast 40-urig contract, uiteraard met alle voordelen, zoals ook 9 ATV-dagen per jaar.

In dat eerste jaar had ik geen keuze v.w.b. het soort dienst wat ik kreeg. Ik moest gewoon afwachten en dus reed ik alles: vroege dienst (vanaf een uur of 5 ), gebroken dienst (dus een ochtendstuk, dan een paar uur vrij en dan een middagstuk, soms tot in de vroege avond en een avonddienst. Als je in de buurt van de vestiging woonde, kon je makkelijk de gebroken dienst kiezen, maar als je verder weg woonde, zoals ik in Zoetermeer, dan werd het een lastige optie. Bovendien had ik moeite met de hele vroege diensten, dus wat een rust bracht de toezegging voor de job in de avonddienst.

Nooit spijt van gehad. Het was af en toe lastig met het eten, maar Pem maakte er altijd wel iets speciaals van, zodat ik niet alleen maar brood aan het eten was. Nadeel was wel, dat ik regelmatig tegen half 2 in de ochtend thuiskwam, dan nog even een wijntje dronk en gezellig napraatte en dat het zo half 4 was. Af en toe kwam dat (zeker Pem) niet uit, die in de vakanties om 08.15 uur paraat moest staan om kleinzoon Calvin op te vangen.

Verhaal van mijn mishandeling op de bus

Met aggressie heb ik weinig te maken gehad op de bus, maar op 29 december 2018, in de avonddienst, onderging ik dan toch een vervelende ervaring. Rond een uur of 7 ’s avonds vertrok ik met lijn 165 naar Zoetermeer, Centrum West. De lijn loopt via Hazerswoude-Rijndijk, H’woude-Dorp, Benthuizen, Zoetermeer-Oosterheem naar Centrum West.
Op de eerste halte in Alphen, Molenvliet, stond een – naar schatting – 25-jarige jonge vrouw. Beetje Oost-Europees uiterlijk, ring door de neus en tatoos. Ze checkt in en gaat achterin zitten. Buiten was het donker, binnen gedimd licht, zoals gewoonlijk.

Tot Hazerswoude-Dorp was er niks aan de hand en stapte de jongedame uit. Ik reed verder en na in Zoetermeer op het busstation Centrum-West mijn tijd te hebben afgewacht reed ik weer terug. Gekomen bij de Halte Hazerswoude-Dorp, maar nu richting Alphen, zag ik dat de jongedame, die eerder aan de andere kant was uitgestapt, weer instapte en meteen aan mij vroeg of de bus in orde was en of de geluidsinstallatie het nu wel deed. Het was mij niet bekend, dat er een probleem was en op het moment dat ik dat wilde zeggen, riep de omroepster de volgende halte om: “Hazerswoude-Dorp, Zwembad.” Ik meteen: “Zie je? Niks aan de hand. Maar waarom vraag je dat?” Nou, zegt ze, ik had er in Hazerswoude-Rijndijk uitgemoeten, waar mijn vriend bij de halte Raadhuis stond te wachten, maar je bent gewoon doorgereden”.
Ik zeg tegen haar: “Bij die halte stond helemaal niemand en omdat ik achter mijn tijd reed, kon ik doorrijden”. Zij bleef volhouden dat er iemand stond, dus ik beloofde haar bij de volgende halte dat op de dashcam, die aanstond, te bekijken. Natuurlijk zou ik dat niet gedaan hebben, maar ik wilde het wel even kwijt. Ja, maar ook het geluid deed het niet.” (Overigens heb ik later alsnog op de dashcam gekeken, maar ik had gelijk: er stond he-le-maal niemand. Ze loog tegen mij.)

Ik zeg tegen haar: “Waar woon je dan?” Zij: “in Hazerswoude-Rijndijk.” Ik: “Dus jij wacht tot de halte wordt omgeroepen omdat je anders niet weet waar de halte is, terwijl je daar woont? ” Zij:”Nou en? Dat kan toch?” Ik tegen haar: “Ik geloof geen barst van wat je zegt. Wat ik denk is dat je hebt zitten slapen of met je telefoon bezig bent geweest, vergeten bent uit te stappen, je vriend is nu misschien boos, dus moest je iemand de schuld geven en de chauffeur was de makkelijkste prooi. Ik trap er niet in. Het was je eigen domme schuld en vind het zelfs een beetje laag dat je jouw probleem op mij afwentelt. Vind ik echt niet aardig”.

Ze hield verder haar mond en stapte bij die halte Raadhuis in Hazerswoude uit. Wederom stond daar niemand.

Volgende dag. Toevallig reed ik een uur later dan de dag ervoor, dezelfde lijn: 165 naar Zoetermeer. Ik kom wederom bij de eerste halte in Alphen, Molenvliet, en daar staat dezelfde jongedame als de dag ervoor weer. Bij het instappen zeg ik nog gekscherend: “en nu wel opletten, hoor”, waarop zij antwoordde dat het helemaal niet grappig was. Ik zei dat het slechts een waarschuwing was en niet als grap bedoeld was (natuurlijk was het dat wel, domme muts !), alleen maar om haar op tijd en juiste halte uit te kunnen laten stappen. Ze liep boos door en ging achterin zitten (bellen, maar door het motorgeluid verstond ik er helemaal niets van).

Ik kom bij halte Raadhuis in Hazerswoude aan en daar stond een knaap met een Jezus-baard en een klein hondje. In de bus was gedrukt voor de halte, dus ik doe beide deuren tegelijk open. De jonge vrouw stapt achter uit en in mijn ooghoek zie ik haar snel, buiten langs de bus, naar voren lopen en het hondje overnemen. Ik realiseerde mij meteen: dat is foute boel.

En dat klopte, die baardmans stapte woest binnen en voordat iemand ook maar iets gezegd had sloeg hij met zijn gebalde vuist vol op mijn gezicht. Hij riep daarbij: “als je nog een keer iets tegen mijn vriendin zegt, vermoord ik je”. Omdat ik het enigszins verwachtte (denk ik) draaide ik in een reflex mijn hoofd vlak voor de klap naar links, waardoor hij vol op mijn slaap sloeg en niet recht op mijn kaak. Auw. Dat deed wel even zeer, dus ik kom achter mijn deurtje vandaan, maar de lafaard was al weg. Met vriendin en hond. Dappere vent, hoor.

Ik kijk in de bus: zie een aantal passagiers, dus ik voelde er niet zoveel voor om die achter te laten en die knaap achterna tegaan, dus ik druk de alarmknop van de bus in. Normaliter moeten dan alle camera’s en microfoons gelijk aan gaan en zou ik meteen verbinding moeten hebben met de ASL, de Arriva verkeerscentrale. Maar ik kreeg geen verbinding, dus toetste ik 112 in. Aan de lijn kreeg ik uiteindelijk een vrouw die op het Operationeel Centrum (Meldkamer) in Den Haag. Ik vertelde haar in het kort het verhaal, waarop zij vroeg: “bij welke kruising staat u ?” Ik: “Ik sta bij de halte Raadhuis in Hazerswoude Rijndijk, niet bij een kruising”. Zij: “Maar waar is dat precies? “. Ik, gepikeerd: “gewoon, halte Raadhuis in Hazerswoude. Uw collega’s in Alphen weten waar dat is, stuur ze nou maar”. Zij weer: “Zeg meneer, als u zo lelijk tegen mij doet, hang ik op hoor! “… Huh ? Ik was stomverbaasd. Ik tegen haar: “Weet je wat? Ik hang zelf wel op. Doeii “. En ik hing op.

Ik belde even mijn vrouw. Vertelde in het kort het verhaal, maar stelde haar ook gerust en beloofde haar op de hoogte te houden.

In de bus zaten een stuk of 5 passagiers. Ik vroeg of iemand gezien had, hoe ik mishandeld was, maar niemand bleek iets gezien te hebben. Ze zaten gewoon op hun mobiel te kijken.

Met een minuut of 12 vertraging ben ik toch richting Zoetermeer gaan rijden. Ik had wel wat hoofdpijn, maar ook passagiers die naar huis moesten.
Bij de halte Hazerswoude-Dorp werd ik op mijn mobiel gebeld. Op mijn telefoon zag ik dat het politie Alphen was en ik nam aan. Ik ging over op handsfree met oortje, want ik was al te laat. Zij vroegen of ik zojuist contact gehad had met de meldkamer, waarbij het gesprek niet geheel goed verlopen was. Ik vertelde hun dat dat klopte, waarop zij mij vroegen even te stoppen, waar dat mogelijk was. Ik stelde de halte Kruisweg voor en zij vroegen mij daar te wachten omdat ze vlak achter mij reden.

Ter plaatse kwamen zij de melding opnemen. Ze keken mij na of ik nergens verwondingen had, maar zagen het blauwe oog al opkomen. Ze vroegen of het wel verstandig was om door te rijden en ik wees hen op de passagiers. Nadat de melding in het kort was genoteerd, nodigden ze mij uit op het bureau in Alphen aangifte te komen doen en raadden mij aan vanavond nog even langs de dokter te gaan.

Ik vertrok weer en riep de ASL op en legde het voorval uit. Ze wilden meteen de alarmknop testen, hetgeen gebeurde, waarna bleek dat de knop 3 seconden ingedrukt gehouden moest worden. Ja, wist ik veel. Heeft nooit iemand tegen mij verteld. Jammer.
Wel gelastten ze mij via de kortste weg naar Centrum West te rijden (als dat de passagiers uitkwam) en dan de bus naar de stalling te brengen, als ik dat kon. Wel, ik had nog 1 passagier en die moest naar Centrum West, dus die was er zo.
Kort er na werd ik op de bus ook gebeld door Jack, mijn manager. Ook hij bleek geschrokken, maar ook zeer geïnteresseerd en stelde mij op mijn gemak.

De terugrit kwam op last van de ASL te vervallen, maar daarna ben ik, wederom via de kortste weg, leeg naar de stalling in Alphen gereden, heb de bus weggezet en ben naar huis gereden. Daar heb ik de Eerste Hulp in het ziekenhuis gebeld op deze vrijdagavond. Het was rond 19.00 uur en ik mocht om 21.00 uur komen. Toen ik vlak voor dat tijdstip daar kwam keek ik de wachtkamer in. Die zat echt helemaal vol. Ik hoorde van de receptioniste, dat deze mensen allemaal nog voor mij aan de beurt kwamen. Ik vertelde haar geen zin te hebben om daar op te wachten. Ze stelde voor om thuis verder te wachten als ik dichtbij woonde en rond 10 uur ’s avonds weer terug te komen. Uiteindelijk werden we (Pem was erbij) rond 11.00 uur bij een dokter binnen gelaten. Die constateerde een hersenschudding en adviseerde rust. Hij zag ook dat mijn oog verder blauw werd en adviseerde het oog te koelen en voor de pijn wat normale pijnstillers.

Thuisgekomen bekeek ik de beelden van mijn eigen dashcam, die niet de mishandeling had opgenomen, maar wel de bedreiging die die knaap mij toeschreeuwde maar ook had de dashcam prima beelden gemaakt van hem, toen ik bij de halte aan kwam rijden en hij daar stond te wachten. Die beelden verspreidde ik ’s avonds in onze chauffeurs Whatsap-groep, waarbij al snel duidelijk werd wie de dader was. Een chauffeur herkende hem als zijn achterbuurman en noemde ook zijn naam. Dat was mooi voor de aangifte. Ik kwam ook te weten, dat hij voor de gemeente Alphen a/d Rijn als plantsoen arbeider werkte. Ik heb hem daarna nog één keer op zijn namaak Harley Davidson fiets zien rijden door Alphen, maar dat was alles. Sommige collega’s zijn hem regelmatig schoffelend op rotondes tegengekomen. Alsof hij alvast aan zijn taakstraf begonnen was.

Na ongeveer een week thuis te zijn geweest met nog steeds slaapstoornissen, alhoewel ik wel steeds langer sliep, ook wel overdag, vond ik dat ik wel weer aan het werk kon. De nacht nadat ik weer aan de slag was gegaan, geloof het of niet, sliep ik weer als een roos. Ik zat altijd wel met enige “angst” naar de halte te kijken, als ik weer dezelfde lijn had en ik in de buurt kwam, waar die vriendin van die kwibus altijd opstapte. In het begin nam ik mij voor om beiden te weigeren, zodra ze met de bus naar hun woonplaats Hazerswoude wilden. En dat waren meer collega’s. Uiteindelijk heb ik haar, kort na het akkefietje, toch weer een keer op de bus gehad. Ze stapte in met haar hoofd weggestopt in een chapuchon en naar beneden gebogen, maar ik zei haar: “je hoeft je niet te verbergen, hoor, ik herken je toch wel”. En dat klopt: vanwege de grote ring door haar neus. Maar alles sleet. Ook dit.

De eerste paar dagen had ik behoorlijke concentratie-problemen. Als ik eindelijk, rond een uur of 5 in slaap viel, schrok ik even later weer wakker. Klaarwakker. En ging ik met een glas water maar even op de bank in de kamer zitten. Stilletjes af en toe huilend. En dat kende ik niet. Maar niet van de pijn, maar van de woede. Ik was zo ontiegelijk kwaad, dat zo’n lafbek het in zijn hoofd haalde om iemand op zijn gezicht te slaan, die in een positie verkeerde, waar hij zich niet kon verdedigen. Die achter een gesloten deurtje zat. Zo smerig. Dat hield wel zo een paar dagen aan.

Twee weken later kon ik aangifte doen, aldus de Alphense politie. Mijn manager heeft er echter voor gezorgd dat dat sneller kon, mede vanwege de grote onrust binnen het chauffeurs-korps. Enkele dagen later kon ik dan ook aangifte doen. En samen met mijn manager, die namens Arriva mij daarbij ondersteunde, deed ik dat.

Tesamen met mijn eigen dashcam opnames (in dit geval was het dreigement in de bus qua audio keurig opgenomen) en de camerabeelden uit de bus die Arriva aan de politie beschikbaar heeft gesteld (heb ik nooit mogen zien), maar waarvan ik van Arriva’s Boa’s van Service en Veiligheid begreep, dat de dader er keurig op stond bij het toedienen van zijn vuistslag, had de politie al snel de zaak rond. Al helemaal toen de naam van de verdachte ook kon worden aangeboden (die was op beeld herkend door andere collega’s).

Kort er na werd ik benaderd door Slachtofferhulp in mijn woonplaats en werd mij aangeboden mij bij te staan in hetgeen er komen ging. Pro deo. Dat was fijn. Ik kon aangeven of ik een slachtofferverklaring wilde voorlezen of dat Slachtofferhulp dat voor mij wilde doen. Daar beraadde ik mij op. Ik had zijn harsens wel eens willen zien in de rechtzaal.

Het bevreemdde mij wel, dat ik wel bericht kreeg van de Officier van Justitie, dat de zaak in mei van 2019 zou dienen, maar dat ik nooit de kans heb gekregen daar aanwezig te zijn. Het werd namelijk geen rechtzaak. De OvJ heeft de verdachte op zijn kantoor geroepen en hem daar een taakstraf van 40 uur opgelegd en een vordering van een schadevergoeding, aan mij te betalen, van € 650,=. De veroordeling deed mij goed en ik kon het eindelijk, na een half jaar, afsluiten. Ik heb er in ieder geval een mooie Samsung Smartwatch aan overgehouden, maar mijn slachtofferverklaring die ik op een rechtzaak voor had kunnen (laten) lezen kon ik nu helaas niet kwijt. Maar OK.

Maar buiten enkele scheldpartijtjes op de bus was dat in al die jaren eigenlijk het enige wat ik als opmerkelijke agressie meegemaakt heb.

En het was natuurlijk niet helemaal niet allemaal kommer en kwel. Je begon je passagiers te leren kennen en sommigen sprongen er dan altijd uit. B.v. die van de sociale werkplaats, die je met lijn 3 of 4 ’s middag oppikte om naar het station te brengen. Nu zijn we af en toe blij, dat er een ketting achter de bestuurder hangt, want wat hebben zij altijd veel te vertellen en wat zijn ze altijd enthousiast. En aardig, natuurlijk, maar je zat er niet altijd op te wachten, dat ze zowat naast je kwamen staan tijdens het rijden.

En bij de halte voor de PI in Alphen (de gevangenis) zag je meteen dat ex-gevangenen zojuist losgelaten waren. Veelal op vrijdagavond om een uurtje of 10. Dan stond men in het bushokje met een gevulde vuilniszak en een (gratis) buskaartje naar het station. En soms aan de andere kant van de straat, als ze de andere kant op moesten, naar Zoetermeer Centrum West. Maar je had er nooit last van. Altijd zeer beleefd en vriendelijk.

Of in de nachtdienst, waar ik in het weekend, rond een uur of 2 een paar zatte knapen in de bus kreeg. Eentje keek redelijk helder uit zijn ogen, de ander niet. Ik hing het vuilniszakje uit het prullenbakje voor de zekerheid maar even aan hun stoel, voordat ik ging rijden. Ze namen midden in de bus, tegenover de uitgang plaats.

De echt lavenloze haalde uit zijn vriend’s portemonnee 4 euro (toen er nog contant betaald kon worden) en legde dat neer. Hij gaf daarbij aan dat ze er in Leimuiden uit moesten. Hijzelf checkte gewoon in en ging naast zijn maat zitten.

Tijdens het rijden hielden ze zich koest en hingen een beetje tegen elkaar aan, maar bij de halte Leimuiden deed ik de achterdeur open en slechts één knaap maakte aanstalten om uit te stappen. Ik riep naar hem: “wil je je vriend ook meenemen?” Die was n.l. in een nogal diepe slaap. De wakkere riep nog naar mij: “hallo, da’s mijn probleem niet, hoor” en weg was ie. Nou, daar zat ik lekker mee.
Ik liep dus naar die slaapkop en maakte hem wakker. Het was rond half 3 op zondagmorgen. Hij probeerde een beetje wakker te worden, maar dat lukte niet best. Ik schudde hem nog eens door elkaar en probeerde hem bij zijn positieven te krijgen. Verdwaasd keek hij mij aan en vroeg mij wat ik wilde. Ik zei hem: “Niets, maar jij bent er”. Hij: “nee hoor, ik blijf lekker zitten”. Ik weer: “Dat dacht ik niet, maat”, dus ik pakte hem bij de kraag van zijn leren motorjack (gelukkig lekker stevig), trok hem uit de stoel en duwde hem tegenover die stoel de bus uit, zodat hij op het trottoir van de halte op de grond terechtkwam. Zonder verdere schade. Daar bleef hij liggen, niet gewond, maar dronken en roes uitslapend.

Al met al kostte me dat zo’n 5 minuten vertraging, maar ach, in de nachtdiensten had je zeeën van tijd. Wel riep ik via “Kort Verkeer” (onderling communicatiemiddel, zoiets als 27 MC) mijn collega op, die in tegenovergestelde richting reed en hem inlichtte, wat hij straks evt. bij de bushalte kon verwachten. Hij heeft hem echter niet meer gezien.

Maar het gebeurt dus regelmatig (en niet alleen bij mij, maar met name in de nachtdiensten), dat de bus tijdens het rijden zurig ging ruiken. Wel, dan wist je het al. Dan lag de troep, meestal een beetje achterin, onder diverse banken en had je geluk, dat het niet op de banken lag, wat ook wel eens gebeurde. En dan niks zeggen, natuurlijk. Gewoon uitstappen. Varkens waren het vaak. (Wat zou ik daar dan graag de camerabeelden uit de bus voor willen uitlezen en in combinatie met het inchecken de gegevens van de passagier proberen te achterhalen).

Sommige collega’s rijden dan naar de stalling en ruilen de bus om. Als je geluk had was Ahmet er nog, de aftanker/schoonmaker en die hielp dan altijd snel de bus weer inzetbaar te maken, maar als hij ook – tegen half 2 – naar huis in Amsterdam was, zou de bus daar de hele nacht met die stinkende zooi op de stalling staan.

Maar dat omruilen vond ik vaak zonde van de tijd. Ik zette dan de bus liever voor de kantine op het station met de linkerwielen op de stoep zodat hij ietwat schuin stond, deed de achterdeuren open en pakte uit de kantine een emmer heet water met schoonmaakmiddel uit het keukenkastje en gooide de emmer dan leeg door de bus. Met de raamtrekker trok ik dan water en troep door de deur naar buiten en trakteerde daarmee de vogels. E.e.a. was altijd zo weg. Ochtenddienst trof in ieder geval voor de kantine nooit meer iets aan. En door het schoonmaakmiddel rook de bus dan weer fris en fruitig, kostte het weinig tijd van mijn pauze en kon ik er mee verder.

Vier jaar lang heb ik in een leuke ploeg de avonddiensten gereden. En die diensten verschilden nogal: er waren er waarbij je al rond 21.00 uur klaar was, maar je had ze ook, dat je om 01.20 uur klaar was. Juist dat afwisselende vond ik prettig. Maar ik was er wel blij mee.

Die jaren gingen best wel snel. (…when having fun!) Rond de jaarwisseling ging ik mij realiseren, dat ik de laatste maanden met werken in was gegaan. Ten eerste zou ik dit jaar, 2020, 66 jaar worden en met 4 maanden daarbij, die de overheid bepaald had, zou mijn pensioendatum van 24 augustus 2020 snel naderen. Vanaf dat moment hebben Pem en ik avond aan avond gesproken over wat te doen na die datum. De reden daarvan was, dat Arriva gepensioneerden de mogelijkheid bood en nog steeds biedt om na die datum op een 0-urencontract beschikbaar te blijven in – wat het bedrijf noemt – “piek en ziek” momenten. Ergens voelde ik daar wel iets voor, maar de mogelijkheid dat je door de ASL (Arriva Support en Logistiek, dus de verkeerscentrale) ’s morgens om 4 uur gebeld kan worden of je een dienst om 5 uur zou kunnen rijden vanwege ziekte van een collega stond mij niet aan.
Na een gesprek in april met mijn manager waar bleek, dat dat helemaal niet hoefde omdat je 1) makkelijk “nee” kunt zeggen, maar 2) ook kunt aangeven, dat je alleen beschikbaar bent voor avonddiensten, ging ik overstag en heb ik aangegeven, daar wel iets voor te voelen.

Je blijft dan na je pensionering in ieder geval contact houden met het bedrijf, maar belangrijker: je kunt af en toe doen, wat je zo leuk vond, namelijk bus besturen. En alleen dan wanneer je dat wil. Men kijk je er niet op aan als je eens aangeeft, dat het niet gelegen komt. Dus dat vooruitzicht had ik nu wel, maar…

…tot ik eind februari 2020 plotseling één of andere onverwachte weerslag van iets ondefinieerbaars te verduren kreeg. Ik kreeg heftige hoofdpijnen, die voornamelijk optraden als ik even mijn hoofd iets naar beneden hield (veters vastmaken e.d.). Die hoofdpijnen waren zo heftig dat ik met beide handen mijn hoofd aan weerskanten stevig vasthield en zelfs iets probeerde aan te drukken om de pijn draaglijker te maken. Die pijn hield telkens ongeveer 5 minuten aan en verdween dan. Daarna voelde ik mij dan weer lekker. Het was alleen niet te zeggen, wanneer die pijn op kwam dagen: de ene dag had ik dat viermaal, een andere dag weer eenmaal. Geen peil aan op te trekken, maar wel beangstigend.

Niet handig was dat e.e.a. samenviel met het opdoemen van Covid-19, het Corona-virus in Nederland. Dat weekend, waarbij e.e.a. in een stroomversnelling kwam, werden op vrijdag 28 februari, in de vooravond, alle bussen voorzien van linten na de eerste 2 stoelen achter de chauffeurs-plaats en mocht er plotseling voorin niet meer ingestapt worden. Het was allemaal zeer beangstigend en ongemakkelijk en daarbij voelde ik mij ineens zeer onveilig en onbeschermd. Ineens behoorde ik tot een risico-groep, zei men.

Corona: minder treinen en bussen in Groene Hart | Woerden | AD.nl

 

Collega Hans in een met linten afgezette bus vanwege het Corona-virus dat rondwaart.

Na 2 weken ziek thuis (in het begin werd dat preventieve afwezigheid genoemd, als je je o.a. tot die risicogroep, dus o.a. boven de 60 jaar behoorde) maar ik voelde al snel, dat dat niet was waarvoor ik thuis zou willen blijven. Ik ben niet zo heel erg bang aangelegd en ook door zo’n bizar, toen onbekend fenomeen als Covid-19 zou ik mij normaliter niet zo snel door uit het veld laten slaan. Het was iets anders, waardoor ik mij belabberd voelde en niet in staat om te werken. Iets wat ik al die tijd met plezier gedaan had. Ik begreep het niet en kon het ook niet echt pinpointen.

Manager stelde voor om contact te leggen met de bedrijfsarts. In die 2 weken had ik zelf al een paar maal (telefonisch, want langskomen mocht vanwege Corona niet) contact gehad met mijn huisarts en die vermoedde overspannenheid. Onder andere de gemelde hoofdpijnen waren voor hem het belangrijkst waarop hij zijn diagnose stelde. Mijn vraag of mijn hoofd niet nagekeken moest worden op zaken, die daar niet hoorden, wuifde hij weg. Niet nodig: ik moest voorlopig thuisblijven.

Uiteraard had ik daarna geen bezwaar tegen een contact met de bedrijfsarts. Een paar dagen later vond dat plaats via beeldbellen: ik met iPad thuis in Zoetermeer, bedrijfsarts achter zijn bureau in Arnhem. Hij bleek geen arts in dienst van Arriva, maar een verzekeringsarts, die zijn werk wel heel serieus nam. In een gesprek, dat ruim een uur duurde, ging veel over tafel waar ik nu niet over in detail ga treden, maar wat o.a. te maken had met mijn werkverleden. Uiteindelijk gaf ook hij mij het advies om eerst maar eens 3 weken thuis te blijven om daarna weer contact te hebben.

Hoewel mij te lang, begon ik mij – misschien wel mede vanwege het schrijven van deze blog, die mij vrijelijk de ruimte gaf en nog geeft mijn herinneringen en gedachten te spuien – in de loop van de maanden steeds beter te voelen. In overleg en samenwerking met mijn management begon ik aktief te werken aan mijn terugkomst. En waar ik, in de ogen van de managers, te hard van stapel liep, remden zijn mij af om niet meteen teveel hooi op mijn vork te nemen. Dat waardeerde ik (achte